Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ROODKAPJE035

Een sprookje (boek), 1875

Hoofdtekst

In zeker dorp woonde eens een moeder, die voor haar dochtertje een rood kapje had gemaakt. Dit kapje stond haar zoo goed, dat zij het altijd droeg, waarom iedereen in het dorp haar Roodkapje noemde. Maar al zag dit meisje er ook nog zoo lief uit, zoo kon zij toch wel eens heel stout en ongehoorzaam zijn. Al zoo dikwijls had hare moeder haar hierover beknord en tegen haar gezegd, dat het nooit goed met haar zou afloopen, als zij zoo ongehoorzaam bleef, maar Roodkapje wou niet naar hare moeder hooren.
Roodkapje had nog een grootmoeder, die al heel oud was en die in een ander dorp woonde. Op zekeren dag had Roodkapjes moeder wat wafeltjes gebakken en zeide nu tegen haar dochtertje: "Je moet eens gaan kijken, hoe het grootmoeder gaar, want ik heb gehoord, dat zij niet al te wel is; dan zal ik wat wafeltjes en een potje boter in een mandje doen, dan kan je dat meteen voor haar meenemen."
Dadelijk maakte Roodkapje zich klaar, en voordat zij heenging, zei hare moeder nog tegen haar: "Je moet den naasten weg maar gaan en je vooral onderweg niet ophouden." Roodkapje beloofde dit en ging met het mandje aan den arm de deur uit.
Nu moet ge weten, dat men, om van het dorp, waarin Roodkapje woonde, naar hare grootmoeder te komen, een heel groot bosch doormoest, waarin wilde dieren waren; maar daar het nog midden op den dag was en de wilde dieren eerst tegen den avond te voorschijn komen, was hare moeder er niet bang voor, dat zij er een zou ontmoeten.
Maar in plaats van te doen, wat hare moeder haar gezegd had, bleef Roodkapje telkens eens staan om bloempjes te plukken of hazelnoten te zoeken of kapelletjes achterna te loopen. En zoo begon het al donker in 't bosch te worden, voordat zij nog de helft van den weg had afgelegd.
Op eens ziet Roodkapje een wolf op zich afkomen. Daar deze wolf een geduchten honger had, zou hij Roodkapje wel hebben willen opeten, maar hij dorst dit niet doen; want dicht in de nabijheid waren er een paar houthakkers aan 't werk, die hem zeker zouden doodslaan, als zij zagen, dat hij zulk een lief meisje opat. Toch vroeg hij haar, waar zij heen ging. "Ik moet naar grootmoeder toe," antwoordde Roodkapje, "om eens te kijken, hoe het met haar gaat, en om haar wat wafeltjes en een potje boter te brengen." -- "Woont je grootmoeder ver van hier vandaan?" vroeg de wolf weer. -- "Ja, 't is nog een heel end," hernam Roodkapje; "zij woont even voorbij den molen, in 't eerste huisje, dat je ziet staan, als je het dorp inkomt." -- "Wel zoo!" zei de wolf, "ik wil dat goede mensch ook wel eens opzoeken; maar dan zullen wij ieder een anderen weg gaan en eens zien, wie er het eerst is."
Zoo gezegd, zoo gedaan. Maar nu zult ge wel begrijpen, dat de wolf, die veel grooter stappen kon doen dan Roodkapje en die bovendien zoo slim geweest was om den kortsten weg voor zich te kiezen, veel gauwer bij het huisje van Roodkapjes grootmoeder aankwam dan Roodkapje zelf. Zoodra hij daar was, klopt hij op de deur. "Wie is daar?" vroeg de grootmoeder. -- "Roodkapje, grootmoeder!" antwoordde de wolf, die zijn best deed om met een heel fijn stemmetje te spreken. -- "Trek maar aan het touwtje, dan zal de deur van zelf wel opengaan!" riep de grootmoeder weer.
De wolf deed dit en trad binnen. Maar hoe verwonderd keek nu de grootmoeder op, toen zij overeind kwam en, in plaats van Roodkapje, een wolf voor haar bed zag staan. Zij gaf een luiden gil en strekte hare handen uit om het beest weg te jagen; maar de wolf liet zich hierdoor niet afschrikken, pakte haar met zijne pooten beet en hapte haar één, twee, drie op.
Maar nog was de hongerige wolf niet verzadigd, en daar hij heel veel trek had om ook Roodkapje op te eten, zette hij de muts van Roodkapjes grootmoeder op, ging te bed liggen, en wachtte, totdat het meisje kwam.
Dit duurde een heelen tijd, want Roodkapje had niet veel haast gemaakt en weer bloempjes geplukt, hazelnoten gezocht en kapelletjes achternageloopen, zonder te denken aan hetgeen hare moeder tegen haar gezegd had.
Op eens ging het "klop, klop, klop!" op de deur. -- "Wie is daar?" vroeg de wolf, die zijn best deed om zoo te spreken als Roodkapjes grootmoeder tegen hem gedaan had; maar toch was zijn stem nog heel grof. Het arme meisje werd eerst bang, toen zij die grove stem hoorde, maar toen dacht zij: "grootmoeder is zeker verkouden, en daardoor spreekt zij zoo schor." En nu antwoordde zij: "Ik ben 't, grootmoeder! Ik kom u wat wafeltjes brengen en een potje boter, dat moeder mij voor u medegegeven heeft." -- "Trek maar aan het touwtje, dan zal de deur van zelf wel opengaan!" riep de wolf nu uit het bed.
Roodkapje deed dit, en nu ging de deur open. Dadelijk liep zij naar het bed toe waarin haar grootmoeder lag, en schoof het gordijn weg. Maar het was al zoo donker, dat Roodkapje niet eens kon zien, wie er in bed lag, en dus niet anders dacht, of het was haar grootmoeder. Toen zij daar zoo voor het bed stond, zei de wolf tegen haar: "Zet je mandje maar op tafel neer, en kom dan wat bij je grootmoeder te bed liggen, dan kan je wat uitrusten; want je zal zeker wel moe van de wandeling zijn."
Roodkapje kleede zich nu uit, stapte in bed en legde zich naast den wolf neer. Nu kon zij hem beter onderscheiden, maar zij dacht nog altijd, dat het haar grootmoeder was. Maar zij vond toch dat haar grootmoeder er zoo vreemd uitzag, en riep verwonderd uit: "Wel, grootmoeder! wat hebt u groote oogen!" -- "Dat is," antwoordde de wolf, "om des te beter te kunnen zien!" -- "Wel, grootmoeder!" zei Roodkapje weer, "wat hebt u een grooten neus!" -- "Dat is om des te beter te kunnen ruiken!" -- "Wel, grootmoeder! wat hebt u groote ooren!" -- "Dat is om des te beter te kunnen hooren!" -- "Wel grootmoeder! wat hebt u een grooten mond!" -- "Dat is om je des te beter te kunnen opeten!"
En meteen pakte de wolf Roodkapje beet en at haar heelemaal op, en toen nog de wafeltjes en de boter, die zij meegebracht had.
Verschrikkelijk, niet waar, kindertjes? Maar 't was Roodkapjes eigen schuld. Was zijn maar niet zoo ongehoorzaam geweest en had zij goed doorgeloopen, dan had zij al lang vóór den donker bij haar grootmoeder kunnen zijn, en dan was zij zeker geen wolf tegengekomen en door geen wolf opgegeten. Maar zoo gaat het, als kinderen aan hunne ouders ongehoorzaam zijn; want ongehoorzaamheid wordt altijd op de een of andere wijze gestraft. Daarom zegt men terecht: "Die kwaad doet, kwaad ontmoet!" en: "Wie niet hooren wil, moet voelen!"

Onderwerp

ATU 0333 - Little Red Riding Hood    ATU 0333 - Little Red Riding Hood   

AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)    AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   

Beschrijving

Moeder waarschuwt Roodkapje om onderweg naar grootmoeder op het pad te blijven en niet te treuzelen. Roodkapje is ongehoorzaam, en is pas halverwege als het al donker wordt. In het bos komt ze een wolf tegen, die haar wil opeten, maar nalaat omdat er houthakkers in de buurt zijn. Als Roodkapje heeft verteld dat ze naar grootmoeder gaat en waar ze woont, doen ze wie het eerst bij grootmoeder is. De wolf is als eerste bij grootmoeders huis, klopt aan, doet de stem van Roodkapje na, kan binnenkomen, eet grootmoeder op, verkleedt zich als grootmoeder en gaat in bed liggen. Als Roodkapje aanklopt doet de wolf de stem van grootmoeder na en vraagt haar om in bed te komen. Roodkapje verbaast zich over de ogen, oren, neus en mond van grootmoeder, waarna de wolf haar opeet. Het is Roodkapjes eigen schuld, want ze is ongehoorzaam geweest door te treuzelen.

Bron

S.J. Andriessen. Roodkapje of Ongehoorzaamheid gestraft. Haarlem: De Haan, [1875]
KB: NBM Mfe 3027
Collectie Roodkapje/Karsdorp

Motief

K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.    K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   

J21.5 - ”Do not leave the highway“:    J21.5 - ”Do not leave the highway“:   

Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.    Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   

B211.2.4 - Speaking wolf.    B211.2.4 - Speaking wolf.   

Naam Overig in Tekst

Roodkapje    Roodkapje   

Datum Invoer

2019-06-17