Hoofdtekst
Op zekeren dag zei d'r moeder: "Kindlief, je grootmoeder is ziek, nu heb ik wat wafels voor d'r gebakken, die moet je d'r brengen en ook 'n flesch wijn, dan kan ze zich wat verkwikken. Zet nu maar gauw je mutsje op en ga dan, maar pas op, dat je niet valt, want dan breekt de flesch en heeft grootmoeder niets. Je mag ook niet spelen en van de weg afgaan, maar je loopt vlug en stevig door, want je moet op tijd weer thuis zijn. En als je bij grootmoe komt, moet je nog vragen, hoe 't met haar haar gaat en niet in alle kasten rondsnuffelen." "Ik zal ales goed doen, moeder", zei Roodkapje en gaf haar de hand er op.
De grootmoeder woonde buiten, wel 'n half uur van 't dorp en de kortste weg ging door 'n bosch. Toen Roodkapje in 't bosch kwam ontmoette ze daar 'n wolf. "Dag Roodkapje!" zei die, "waar ga je naar toe?" "Ik ga naar m'n grootmoeder, die is ziek en nou breng ik haar wafeltjes en wijn voor versterking." "Waar woont je grootmoeder?" vroeg de wolf weer. "O, nog 'n heel eind verder, daarginds achter de drie eiken staat d'r huis", zei Roodkapje. De wolf dacht bij zich zelf: "Dat jonge ding is 'n malsch brokje, dat zal me beter smaken dan de oude; moet ik 't listig aanleggen, dat ik ze beide snap!" Toen liep ie 'n poosje naast Roodkapje voort en zei opeens: "Kijk 'ns, wat staan hier mooie bloemen, moet je daar niet 'n paar van hebben voor je grootmoeder?" Roodkapje keek eens rond en toen ze al die mooie bloemen zag dacht ze: "Ja, dat zou aardig zijn en grootmoe zou zeker ook blij wezen met 'n frisch boeketje." Ze liep van den weg af, ging dieper 't bosch in en plukte bloemen en intusschen rende de wolf zoo hard ie kon naar 't huis van de grootmoeder en klopte aan de deur.
"Wie is daar?" vroeg de oude vrouw. "Roodkapje, die brengt je wafels en wijn." "Druk maar wat op de klink, dan gaat de deur open", riep de grootmoeder, "ik ben te zwak om op te staan." De wolf drukte op de klink, de deur sprong open en hij ging regelrecht naar 't bed en verslond de arme vrouw. Toen deed ie d'r nachtgoed aan, zette d'r muts op, ging in bed liggen en trok de gordijnen dicht.
Roodkapje had intusschen bloemetjes geplukt en toen ze zooveel had, dat ze niet meer dragen kon, lieps ze gauw naar 't huis van d'r grootmoeder en verwonderde zich, dat de deur open stond. Ze ging naar binnen en riep: "Goeden morgen, grootmoe," en toen ze geen antwoord kreeg, liep ze naar 't bed. Daar lag d'r grootmoeder met de muts diep in de oogen en ze zag er zoo wonderlijk uit, dat Roodkapje verschrikt riep: "Maar, grootmoe, wat heb je groote ooren!" "Ja, kind, daar kan ik je beter mee verstaan." "Maar, grootmoe, wat heb je groote oogen!" "Ja, kind, daar kan ik je beter mee zien." "Maar grootmoe, wat heb je groote handen!" "Ja, daar kan ik je beter mee pakken." "Maar grootmoe, wat heb je 'n groote mond!" "Ja, daar kan ik je beter mee verslinden!" Nauwelijks had de wolf dit gezegd of hij sprong uit bed en verslond het arme Roodkapje.
Toen ging ie weer in bed liggen, sliep in en begon luid te snurken. Juist ging 'n jager 't huis voorbij en dacht: "Wat snurkt de oude vrouw daar toch, ik moet 'ns gaan kijken of haar iets scheelt." Hij ging de kamer in en toen ie bij 't bed kwam, zag ie, dat de wolf er in lag. "Zoo, zoo, vind ik jou hier, ouwe deugniet," zeide hij, "'k heb je al lang gezocht." Hij wilde nu z'n geweer op 'm aanleggen, maar toen viel het 'm in, dat de wolf misschien de grootmoeder had opgegeten en nu was ze misschien nog te redden.
In plaats van de schieten nam ie 'n groote schaar en knipte den slapenden wolf den buik open. Toen ie 'n paar sneden gedaan had, zag ie 'n roode muts te voorschijn komen, en nog 'n paar sneden en Roodkapje sprong er uit en riep: "Och, wat ben ik geschrokken, de wolf had me verslonden, o, lieve Jager, dank je wel!" En nu kwam de grootmoeder er ook nog levend uit, maar kon haast geen adem meer halen.
Roodkapje ging nu gauw steenen halen, daarmee vulde de jager den buik van den wolf, en toen die wakker werd, wild-n-ie wegspringen, maar de steenen waren te zwaar, zoodat ie dood neerviel. Wat waren ze nu alle drie blij; de jager stroopte den wolf z'n vel af en nam 't mee naar huis, de grootmoeder at van de wafels en dronk van den wijn, dien Roodkapje had gebracht en knapte er spoedig van op; Roodkapje echter dacht bij zich zelf: "Nou wil ik van m'n leven niet weer in 't bosch van den weg af gaan, zooals moeder verboden had, m'n ongehoorzaamheid was me haast duur te staan gekomen."
Onderwerp
ATU 0333 - Little Red Riding Hood   
AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   
Beschrijving
Bron
KB: KW XKZ 1543
Collectie Roodkapje/Karsdorp
Motief
K2021 - Betrayal by a kiss.   
Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   
B211.2.4 - Speaking wolf.   
J21.5 - ”Do not leave the highway“:   
Q426 - Wolf cut open and filled with stones as punishment.   
Commentaar
Naar Grimm
Ills Arpad Schmidhammer
Naam Overig in Tekst
Roodkapje   
