Hoofdtekst
Op zekeren dag zei Roodkapje's Moeder: "Lief kind, je Grootmoeder is ziek, ik heb daarom eenige wafels gebakken, die gij haar benevens een kruikje room en wat versche eieren moogt brengen. Loop langs den breeden weg door 't bosch, op dat je spoedig bij mij terug kun zijn om te vertellen hoe Grootmoê 't maakt. Roodkapje beloofde haar moeder te doen 't geen deze haar gezegd had en begaf zich op weg.
Vroolijk, in 't vooruitzicht weldra haar Grootmoeder, van wie zij zeer veel hield, te zien, stapte zij lustig voort. De zon goot haar houden stralen op bloem en blad en onder 't zingen van een lenteliedje, 't welk onze kleine wandelaarster daags te vooren op school had geleerd, viel haar oog op 't grastapijt, 't welk als bezaaid was met duizend veelkleurige wilde bloemen. Zij bukte zich om er eenige van te plukken en was weldra zoo verdiept in die bezigheid, dat ze al verder en verder ging, tot zij ten laatste een heel eind afgedwaald was. Met schrik dacht zij nu aan haar belofte en poogde den rechten weg weer te vinden. Hoe zij zich echter ook keerde of wende, den toegang tot 't breede boschpad vond zij niet weer.
De tranen sprongen haar in de oogen, toen zij eensklaps een wolf uit een der zijlaantjes op zich toe zag komen, die haar naar de oorzaak van haar verdriet vroeg. Roodkapje was in 't minst niet verschrikt, daar zij dacht een groote hond voor zich te zien, zij vertelde hem, dat zij op weg naar haar Grootmoeder was en door 't bloemenplukken van den weg was afgedwaald. De wolf bood aan Roodkapje op den groote weg terug te brengen, welk aanbod deze met blijdschap aannam. Onder 't voortlopen, vroeg de wolf of Roodkapje dikwijls haar Grootmoe ging bezoeken, zeggende dat deze wel blij zou zijn als haar lief kleindochtertje bij haar kwam. Ook vroeg hij waar Grootmoeder woonde en zei, toen hem dit door Roodkapje uitgelegd was, dat hij de oude vrouw ook eens op zou zoeken.
Middelerwijl was ons tweetal het breede boschpad weer genaderd en zette Roodkapje, na haar geleider vriendelijk bedankt te hebben, alleen haar tocht verder voort. Daar de zon nog hoog aan den hemel stond haastte zij zich volstrekt niet. De wolf zette 't evenwel langs een anderen weg op een loopen, met 't plan, alvorens Roodkapje aan 't huis van haar Grootmoeder kon zijn, daar binnen te dringen.
Buiten adem stond hij eenige oogenblikken later voor de deur van 't kleine huisje en tikte aan, Grootmoe die haar kleindochter verwachtte, riep zonder 't gelaat om te wenden: "Zijt gij 't Roodkapje?" "Ja Grootmoe" klonk het zachtjes. "Nu trek maar aan 't touw, dan gaat de deur wel open." Dit behoefde den loozen indringer geen tweemaal gezegd te worden, en nadat hij met veranderd stemgeluid naar den gezondheidstoestand der oude vrouw, die met den rug naar de deur in 't bed lag, gevraagd had, vloog hij op verzoek van de Grootmoeder, die meende dat haar kleinkind daar eindelijk was, op haar toe schijnbaar om haar te omhelzen, maar inderdaad om haar te verscheuren nadat hij haar eerst van haar muts en nachtjak ontdaan had.
De arme vrouw die te zwak en te verschrikt was, om ook maar den minsten tegenstand te bieden, was weldra geheel in de maag van 't verscheurende dier verdwenen. Deze trok nu fluks jas en muts aan en kroop in afwachting van de komst van Roodkapje, onder de dekens.
Het wachten duurde den snoodaard ondragelijk lang en reeds vreesde hij zij buit te moeten missen, toen er haastig aan de deur werd geklopt. Met van ongeduld bevende stem herhaalde de wolf Grootmoeder's vraag en toen daarop 't antwoord luidde: "Ik ben 't Grootmoeder, uw Roodkapje" kon hij zich slechts met de grootste moete bedwingen om zoo zacht mogelijk te roepen: "Trek maar aan 't touw dan gaat de deur van zelf wel open." Roodkapje gaf dadelijk gehoor aan dien raad en trad binnen. Nadat zij haar manteltje af had gedaan trad zij naar 't bed toe, maar deinsde verschrikt achteruit, toen zij 't veranderde uiterlijk opmerkte van haar die zij haar Grootmoeder waande.
" Grootmoeder" zei ze "wat heeft u groote ooren gekregen!"
" Destebeter kan ik er mee hooren" klonk 't antwoord.
" En Groo moe wat heeft u groote oogen!"
" Dat is goed om te zien" klonk 't al iets harder van den wolf, die ongeduldig werd.
" Maar Grootmoelief, Uw neus is ook zoo veranderd!"
" Goed om te ruiken" klonk 't nu barsch.
" Och lieve Grootmoe wat heeft U groote tanden gekregen," riep nu Roodkapje, terwijl zij in tranen uitbarstte.
"Juist groot genoeg om er jou mee te vermorselen," bulderde nu de wolf met zijn natuurlijke stem, en reeds greep hij Roodkapje bij de schouders, toen plotseling de deur opengestooten werd en Roodkapje's Vader met een bijl in de opgeheven hand binnenstormde en het verschrikte monster een doodelijken slag toebracht.
Met een juichkreet viel Roodkapje haar Vader, die toevallig voorbij was gekomen, in de armen en hoewel deze diep bedroefd was over den dood van zijn Moeder dankte hij God toch uit den grond van zijn hart voor 't behoud van zijn dochtertje, dat hem beloofde voortaan nooit weer ongehoorzaam te zijn.
Onderwerp
ATU 0333 - Little Red Riding Hood   
AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   
Beschrijving
Bron
KB: KW 1087 A 38
Collectie Roodkapje/Karsdorp
Motief
B211.2.4 - Speaking wolf.   
J21.5 - ”Do not leave the highway“:   
K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   
Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Roodkapje   
God   
