Hoofdtekst
Roodkapje
Lang geleden woonde er een klein lief meisje met haar moeder aan de rand van het woud. Het kleine meisje droeg steeds een rood jasje en een rood kapje. Daarom noemde iedereen haar Roodkapje.
Op een dag zei Roodkapjes moeder: "Grootmoeder voelt zich niet goed. Breng haar wat lekkers, dat vindt ze vast fijn. Maar opgepast onderweg, hoor!"
Roodkapjes grootmoeder woonde aan de andere kant van het woud. Onderweg speelde Roodkapje met de dieren. Ze praatte met de vogels en plukte bloemen voor grootmoe. Maar ze wist niet dat de boze wolf van achter een dikke boom naar haar stond te kijken. De wolf vond dat Roodkapje er erg smakelijk uitzag. Hij wilde haar dadelijk oppeuzelen. Maar hij bedacht dat hij toch maar beter kon uitvissen waar ze naartoe ging en of ze hier alleen was.
Heel plechtig stapte hij op haar toe. 'Waar ga je naartoe?”, vroeg de wolf poeslief. "Ik ga naar grootmoeder", antwoordde Roodkapje. "Ze voelt zich niet lekker." "Woont je grootmoeder ver?", vroeg de wolf. "Oh ja, grootmoe woont aan de andere kant van het bos", zei Roodkapje. De wolf wist dat er aan de andere kant van het bos maar één huisje stond. "Wanneer ik er eerst ben," dacht de gulzige wolf, "kan ik hen allebei oppeuzelen !" Vlug nam hij een kortere weg door het bos. Roodkapje ging rustig verder.
De wolf kwam als eerste bij grootmoeders huisje. Hij klopte op de deur. '"Wie is daar?", riep grootmoeder. "Het is Roodkapje", zei de wolf fijntjes. "Goed," zei grootmoe, "kom binnen !" Toen grootmoeder de wolf zag, schrok ze heel erg. Ze wipte uit haar bed en probeerde vlug weg te lopen. Maar de wolf versperde de weg. De buik van de wolf rammelde van de honger. Het liefst had hij grootmoeder onmiddellijk opgegeten. Maar Roodkapje zou nu gauw komen. Hij moest zich nog vermommen, voordat ze hier was. Anders zou Roodkapje hem herkennen. Hij bond grootmoe een doek voor de mond, duwde haar in een kast en deed de deur stevig op slot. "Dat wordt smullen straks, mmm!", lachte de wolf. De wolf rommelde wat rond. Hij vond grootmoeders nachtjapon en haar slaapmuts. Vlug trok hij de spullen aan en sprong in het bed.
Hij was maar net op tijd, want Roodkapje klopte aan. De wolf schraapte zijn keel. "Kom binnen !" riep hij. Roodkapje schrok. Grootmoe zag er toch zo gek uit. "Grootmoe, maar jij hebt toch zo'n grote ogen!", zei ze. "Zo kan ik je beter zien!", antwoordde de wolf. "Grootmoe, en wat heb je grote oren!", zei Roodkapje. "Zo kan ik je beter horen, kindje", zei de wolf. "Maar grootmoe, wat heb je grote tanden!", riep Roodkapje. "Zo kan ik je beter opeten!", riep de wolf en hij sprong uit bed. Maar Roodkapje vloog als een pijl uit de boog naar buiten. Ze was nog nooit in haar leven zo geschrokken. De wolf rende achter haar aan en kreeg haar bijna te pakken.
Gelukkig kwam er net een jager voorbij. Hij hoorde Roodkapje om hulp roepen. "Wat is daar aan de hand!" riep hij. De jager nam zijn geweer en schoot de wolf net op tijd neer. Roodkapje gilde het uit. "Oh, wat was ik bang. Dank je wel, jager!”, zei ze. De jager bracht Roodkapje terug naar het huisje, aan de rand van het woud. Ze haalden grootmoeder uit de kast. En Roodkapje beloofde voortaan nooit meer vreemden te spreken.
Lang geleden woonde er een klein lief meisje met haar moeder aan de rand van het woud. Het kleine meisje droeg steeds een rood jasje en een rood kapje. Daarom noemde iedereen haar Roodkapje.
Op een dag zei Roodkapjes moeder: "Grootmoeder voelt zich niet goed. Breng haar wat lekkers, dat vindt ze vast fijn. Maar opgepast onderweg, hoor!"
Roodkapjes grootmoeder woonde aan de andere kant van het woud. Onderweg speelde Roodkapje met de dieren. Ze praatte met de vogels en plukte bloemen voor grootmoe. Maar ze wist niet dat de boze wolf van achter een dikke boom naar haar stond te kijken. De wolf vond dat Roodkapje er erg smakelijk uitzag. Hij wilde haar dadelijk oppeuzelen. Maar hij bedacht dat hij toch maar beter kon uitvissen waar ze naartoe ging en of ze hier alleen was.
Heel plechtig stapte hij op haar toe. 'Waar ga je naartoe?”, vroeg de wolf poeslief. "Ik ga naar grootmoeder", antwoordde Roodkapje. "Ze voelt zich niet lekker." "Woont je grootmoeder ver?", vroeg de wolf. "Oh ja, grootmoe woont aan de andere kant van het bos", zei Roodkapje. De wolf wist dat er aan de andere kant van het bos maar één huisje stond. "Wanneer ik er eerst ben," dacht de gulzige wolf, "kan ik hen allebei oppeuzelen !" Vlug nam hij een kortere weg door het bos. Roodkapje ging rustig verder.
De wolf kwam als eerste bij grootmoeders huisje. Hij klopte op de deur. '"Wie is daar?", riep grootmoeder. "Het is Roodkapje", zei de wolf fijntjes. "Goed," zei grootmoe, "kom binnen !" Toen grootmoeder de wolf zag, schrok ze heel erg. Ze wipte uit haar bed en probeerde vlug weg te lopen. Maar de wolf versperde de weg. De buik van de wolf rammelde van de honger. Het liefst had hij grootmoeder onmiddellijk opgegeten. Maar Roodkapje zou nu gauw komen. Hij moest zich nog vermommen, voordat ze hier was. Anders zou Roodkapje hem herkennen. Hij bond grootmoe een doek voor de mond, duwde haar in een kast en deed de deur stevig op slot. "Dat wordt smullen straks, mmm!", lachte de wolf. De wolf rommelde wat rond. Hij vond grootmoeders nachtjapon en haar slaapmuts. Vlug trok hij de spullen aan en sprong in het bed.
Hij was maar net op tijd, want Roodkapje klopte aan. De wolf schraapte zijn keel. "Kom binnen !" riep hij. Roodkapje schrok. Grootmoe zag er toch zo gek uit. "Grootmoe, maar jij hebt toch zo'n grote ogen!", zei ze. "Zo kan ik je beter zien!", antwoordde de wolf. "Grootmoe, en wat heb je grote oren!", zei Roodkapje. "Zo kan ik je beter horen, kindje", zei de wolf. "Maar grootmoe, wat heb je grote tanden!", riep Roodkapje. "Zo kan ik je beter opeten!", riep de wolf en hij sprong uit bed. Maar Roodkapje vloog als een pijl uit de boog naar buiten. Ze was nog nooit in haar leven zo geschrokken. De wolf rende achter haar aan en kreeg haar bijna te pakken.
Gelukkig kwam er net een jager voorbij. Hij hoorde Roodkapje om hulp roepen. "Wat is daar aan de hand!" riep hij. De jager nam zijn geweer en schoot de wolf net op tijd neer. Roodkapje gilde het uit. "Oh, wat was ik bang. Dank je wel, jager!”, zei ze. De jager bracht Roodkapje terug naar het huisje, aan de rand van het woud. Ze haalden grootmoeder uit de kast. En Roodkapje beloofde voortaan nooit meer vreemden te spreken.
Onderwerp
ATU 0333 - Little Red Riding Hood   
AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   
Beschrijving
Onderweg naar zieke grootmoeder komt Roodkapje de wolf tegen. Roodkapje vertelt waar ze naar toe gaat en waar grootmoeder woont. De wolf bedenkt dat hij haar in het huis van grootmoeder wil opeten, en rent daar naar toe. Hij klopt bij grootmoeder aan, mag binnenkomen, sluit haar op in een kast, trekt haar nachtkleren aan en gaat in bed liggen. Roodkapje merkt op dat hij grote oren, ogen en tanden heeft, waarop de wolf uit bed springt om haar te pakken. Roodkapje vlucht naar buiten, waar net een jager langskomt. De jager schiet de wolf neer, en samen halen ze grootmoeder uit de kast.
Bron
Roodkapje. Aartselaar [etc.]: Deltas, 1988
KB: 7000083
Collectie Roodkapje/Karsdorp
KB: 7000083
Collectie Roodkapje/Karsdorp
Motief
B211.2.4 - Speaking wolf.   
J21.5 - ”Do not leave the highway“:   
Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   
K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   
Commentaar
Ills Carlos Busquets
Oorspr. uitg. [S.l.]: Ottenheimer, 1987
Oorspr. uitg. [S.l.]: Ottenheimer, 1987
Datum Invoer
2019-02-06
