Hoofdtekst
Dat moeder tot Roodkapje sprak:
"Breng jij eens vliegensvlug naar Grootje
Wat rooden wijn en versch gebak!
Maar, denk er aan, geen bloempjes plukken,
En ook geen vlinders vangen, hoor!
Want anders kon je licht verdwalen,
Dag kindlief, loop maar stevig door!"
Roodkapje nam het vrachtje over
En zei: "laat mij gerust maar gaan,
'k Zal zorgen gauw weer thuis te wezen
En geen minuutje blijven staan!"
Maar nauwlijks was ze even buiten,
Of ziet -- in flinken, harden draf,
Kwam uit het donker dennenlaantje
Een wolf al snuivend op haar af.
"Nu, nu, Roodkapje," sprak hij vriend'lijk,
"Schrik jij maar niet, mijn beste kind,
'k Wil graag een eindje met je loopen,
Als jij dat ook plezierig vindt;
Ik ken den weg hier op myn duimpje
En breng je waar je wezen moet..."
"Ik moet naar Grootje," zei Roodkapje,
"Wel," riep de wolf, "die ken ik goed!"
"Ken jij mijn grootje!" riep ze vroolyk,
(Haar angst was nu geheel bedaard)
"Z'is juist wat ziek en moeder zendt haar
Daarom wat wijn en vruchtentaart;
Ik zou het erg plezierig vinden,
Als jij me even bij haar bracht!"
De wolf sprak: "tot je dienst, Roodkapje,
Dat vind ik allerleukst bedacht!
Maar kind, pluk jij terwijl wat bloempjes,
Je ziet, er is hier keus en keur,
Ik ga vooruit, om vast te bellen
En wacht wel op je bij de deur!"
Roodkapje had 't bevel vergeten,
Dat moeder haar bij 't weggaan gaf,
Ze ging vol ijver aan het plukken,
De wolf liep op het huisje af;
Hij gluurde door het sleutelgaatje
De kamer in en op het bed
Zag hij het oude grootje liggen,
Ze had, dat spreekt, dien dag belet.
Maar -- wolven storen zich aan niemand
En deze wolf was sterk en jong,
Hij beukte krachtig op de huisdeur,
Tot deze krakend opensprong.
Hij kwam tot bij het bed geslopen
En sprak, zoo zacht als moog'lijk was,
"Daf grootjelief, ik breng wat heerlijks,
Dat komt gewis wel goed van pas!"
"Ben jij het kindlief?" vroeg het oudje,
"'t Is hier te donker om te zien,
Toe, kom eens even naast me zitten,
Dan zal het beter gaan misschien!"
"Ja," riep de wolf, "dat zou ik denken,"
Hij sprong op 't bed met groot misbaar
En slokte d'arme vrouw naar binnen,
Zoo maar inééns, met huid en haar!
Toen ging hij op haar plaatsje liggen,
Hij bond haar mutsje om zijn kop,
Trok snel de dekens wat naar boven
En dacht, zoo valt het niemand op!
Als nu Roodkapje maar wil komen!
Dat zal een feestje voor me zijn --
Ik slok dat kind erbij naar binnen
En dan de taart nog en den wijn!
En ziet, Roodkapje, moe van 't plukken,
Kwam eind'lijk met haar bloemenschat
Bij 't huisje -- Wel, de voordeur open!
Wat dat nu toch voor reden had!
Maar -- zonder schromen trad ze binnen,
Ze lei haar bloemen op het bed,
Daarnaast de taart en toen de wijnflesch,
Roodkapje lachte van de pret!
"Maar Grootje," riep ze toen verwonderd,
"Wat zijn uw oogen groot en vreemd!"
De Wolf zei, "'t zijn mijn brillenglazen,
Wanneer je 't mij niet kwalijk neemt!"
"En wat een groote, lange ooren!"
Sprak Roodkapje, "en die mond!...
Precies om kinders op te happen!"...
Dit deed de wolf dan ook terstond.
Hij liet haar door zijn keelgat glijden,
Precies zooals het oudje gleed,
En juist verdween haar rechtervoetje,
Toen men de voordeur opendeed.
Naar binnen liep Roodkapje's vader,
De knapste jager in 't het land,
't Geweer, met kogels volgeladen,
Droeg hij voorzichtig in de hand.
Zijn jachthond, een venijnig baasje,
Liep snuffelend al heen en weer,
Hij rook bepaald een wolvenluchtje
En ging verschrikkelijk te keer.
Zijn baas hield ook niet veel van wolven,
Hij overzag den toestand ras,
Begreep, dat in het wolvenmaagje
Het grootje met haar kleinkind was.
En daarom mikte hij behendig,
En schoot het ondier even aan,
Toen sneed hij hem voorzichtig open
En spoedig was de zaak gedaan.
Het tweetal werd eruit geholpen,
De maag met steenen aangevuld,
En daar het beest voor dood teneerlag,
Verdroeg het alles met geduld.
Toen naaide gauw de slimme jager
Den maag weer ferm en stevig dicht,
En vader, grootje en Roodkapje --
Ze lachten bij dit dwaas gezicht.
Maar 't duurde nog geen tien minuten,
Of 't ondier kwam al weer wat bij,
Hij rolde log en zwaar het bed uit
En schoof de meubels ruw opzij.
Daar kwam hij buiten om te drinken,
Hij liep zoo goed hij loopen kon
En heesch zich met de grootste moeite
Op 't randje van de regenton.
Maar door de zwaarte van de steenen,
Verloor het beest zijn evenwicht,
Hij viel al brullend naar beneden,
Men zegt, dat hij daar nog steeds ligt.
De drie, die op een kleinen afstand,
Dit schouwspel zagen, juichten luid,
Ze waren al hun leed vergeten
En 't werd een feestje tot besluit.
Het grootje had nog 't meest genoegen,
Ze was weer heelemaal hersteld
En heeft den jagersman aan tafel
't Verhaal in geur en kleur verteld.
Ze dronken alle drie een glaasje
Van 't edel, geurig druivennat;
Dat had de wolf nog laten liggen,
Toen hij de twee verslonden had.
En ook de taart was heel gebleven,
Ze smulden er terdegen aan
En toen het avond werd, zijn vader
En kind te saam naar huis gegaan.
Roodkapje had een les gekregen,
Die zij niet licht vergeten zou,
Ze was haar vader o, zoo dankbaar
En voelde diep, oprecht berouw.
Onderwerp
ATU 0333 - Little Red Riding Hood   
Beschrijving
Bron
KB: KW Ki 3885
Collectie Roodkapje/Karsdorp
Motief
B211.2.4 - Speaking wolf.   
K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   
Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   
Q426 - Wolf cut open and filled with stones as punishment.   
J21.5 - ”Do not leave the highway“:   
Naam Overig in Tekst
Roodkapje   
Grootje   
Wolf   
