Hoofdtekst
ROODKAPJE
Daar was eens een klein meisje, dat door haar moeder steeds “Roodkapje" genoemd werd, omdat ze altijd een rood mutsje droeg. Ze woonden buiten en aan de rand van een groot bos.
Op zekere dag moest ze naar haar grootmoeder, die aan de andere kant van het bos woonde en die ziek te bed lag. Moeder had in een mandje enige versterkende middelen en wat heerlijke versnaperingen gepakt en droeg Roodkapje op, deze naar haar arme, zieke grootmoeder te brengen. “Maar pas op," zei moeder, “flink doorlopen en je onderweg met niets en met niemand ophouden."
Welgemoed ging Roodkapje op weg. Ze kon echter de verleiding niet weerstaan nu en dan een vlinder na te lopen of wat bloemetjes te plukken. Opeens werd ze aangesproken door een wolf, die haar vroeg waar ze heen ging. Roodkapje was helemaal de raad van haar moeder vergeten en openhartig als ze was, vertelde ze de wolf heel beleefd, wat ze te doen had. Deze vroeg haar, waar haar grootmoeder woonde en openhartig legde Roodkapje hem dit uit. Ze vertelde ook, dat grootmoeder ziek te bed lag.
Vlug rende de lelijke wolf door het bos en klopte aan de deur. Op de vraag van grootmoeder, wie daar was, antwoordde hij met een fijn stemmetje: “Roodkapje.” “O, de deur is niet op slot", riep grootmoeder, “kom maar binnen." Dat deed de wolf; hij sprong op grootmoeder toe en slokte haar op. Met een nachtjapon van haar aan en haar nachtmuts op legde hij zich te bed.
Toen Roodkapje enige tijd later aanklopte, riep de wolf, terwijl hij de stem van grootmoeder nabootste, dat ze maar binnen moest komen en hij vroeg om een kusje. "Wat hebt U grote ogen", zei Roodkapje. "Dat is om je beter te kunnen zien", antwoordde de wolf. “En wat een grote oren!" "Dan kan ik je immers beter horen, lief kind", zei de wolf. "Wat vreemd", zei Roodkapje, "wat hebt U toch grote tanden." "Hu", grijnsde de wolf, "daarmede kan ik jouw goed opeten!” Hij sprong uit bed. Roodkapje gilde en schreeuwde van angst en holde weg.
Er liep juist een houthakker voorbij, die zijn bijl, zijn gereedschap, bij zich droeg. Op het gegil van Roodkapje haastte hij zich in het huisje. Hij begreep dadelijk, wat er aan de hand was. Hij hier onmiddellijk zijn bijl op en verpletterde de kop van den wolf. Dood viel de wolf ter aarde. Roodkapje vertelde nu den houthakker, waarvoor ze eigenlijk gekomen was en dat grootmoeder nu nergens te vinden was. De houthakker begreep terstond, wat er gebeurd moest zijn. Met zijn mes sneed hij de buik van den wolf open en nog levend kwam grootmoeder er uit te voorschijn.
De houthakker bracht voor alle zekerheid Roodkapje zelf naar haar moeder terug en toen deze hoorde, wat er gebeurd was, schrok ze eerst geweldig; toen wilde ze boos worden en haar dochtertje beknorren, omdat dit eigenlijk de raad van moeder in de wind geslagen had om zich niet op te houden en met niemand onderweg te spreken. Maar ze was eigenlijk veel te blij, dat alles nog zo goed afgelopen was, nam Roodkapje in haar armen, kuste haar vele malen en bedankte de houthakker vriendelijk voor zijn moedige redding.
Daar was eens een klein meisje, dat door haar moeder steeds “Roodkapje" genoemd werd, omdat ze altijd een rood mutsje droeg. Ze woonden buiten en aan de rand van een groot bos.
Op zekere dag moest ze naar haar grootmoeder, die aan de andere kant van het bos woonde en die ziek te bed lag. Moeder had in een mandje enige versterkende middelen en wat heerlijke versnaperingen gepakt en droeg Roodkapje op, deze naar haar arme, zieke grootmoeder te brengen. “Maar pas op," zei moeder, “flink doorlopen en je onderweg met niets en met niemand ophouden."
Welgemoed ging Roodkapje op weg. Ze kon echter de verleiding niet weerstaan nu en dan een vlinder na te lopen of wat bloemetjes te plukken. Opeens werd ze aangesproken door een wolf, die haar vroeg waar ze heen ging. Roodkapje was helemaal de raad van haar moeder vergeten en openhartig als ze was, vertelde ze de wolf heel beleefd, wat ze te doen had. Deze vroeg haar, waar haar grootmoeder woonde en openhartig legde Roodkapje hem dit uit. Ze vertelde ook, dat grootmoeder ziek te bed lag.
Vlug rende de lelijke wolf door het bos en klopte aan de deur. Op de vraag van grootmoeder, wie daar was, antwoordde hij met een fijn stemmetje: “Roodkapje.” “O, de deur is niet op slot", riep grootmoeder, “kom maar binnen." Dat deed de wolf; hij sprong op grootmoeder toe en slokte haar op. Met een nachtjapon van haar aan en haar nachtmuts op legde hij zich te bed.
Toen Roodkapje enige tijd later aanklopte, riep de wolf, terwijl hij de stem van grootmoeder nabootste, dat ze maar binnen moest komen en hij vroeg om een kusje. "Wat hebt U grote ogen", zei Roodkapje. "Dat is om je beter te kunnen zien", antwoordde de wolf. “En wat een grote oren!" "Dan kan ik je immers beter horen, lief kind", zei de wolf. "Wat vreemd", zei Roodkapje, "wat hebt U toch grote tanden." "Hu", grijnsde de wolf, "daarmede kan ik jouw goed opeten!” Hij sprong uit bed. Roodkapje gilde en schreeuwde van angst en holde weg.
Er liep juist een houthakker voorbij, die zijn bijl, zijn gereedschap, bij zich droeg. Op het gegil van Roodkapje haastte hij zich in het huisje. Hij begreep dadelijk, wat er aan de hand was. Hij hier onmiddellijk zijn bijl op en verpletterde de kop van den wolf. Dood viel de wolf ter aarde. Roodkapje vertelde nu den houthakker, waarvoor ze eigenlijk gekomen was en dat grootmoeder nu nergens te vinden was. De houthakker begreep terstond, wat er gebeurd moest zijn. Met zijn mes sneed hij de buik van den wolf open en nog levend kwam grootmoeder er uit te voorschijn.
De houthakker bracht voor alle zekerheid Roodkapje zelf naar haar moeder terug en toen deze hoorde, wat er gebeurd was, schrok ze eerst geweldig; toen wilde ze boos worden en haar dochtertje beknorren, omdat dit eigenlijk de raad van moeder in de wind geslagen had om zich niet op te houden en met niemand onderweg te spreken. Maar ze was eigenlijk veel te blij, dat alles nog zo goed afgelopen was, nam Roodkapje in haar armen, kuste haar vele malen en bedankte de houthakker vriendelijk voor zijn moedige redding.
Onderwerp
ATU 0333 - Little Red Riding Hood   
AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   
Beschrijving
Onderweg naar grootmoeder ontmoet Roodkapje de wolf, en vertelt waar ze naar toe gaat en waar grootmoeder woont. De wolf gaat naar grootmoeders huis, klopt aan, doet de stem van Roodkapje na, mag binnenkomen, eet grootmoeder op en gaat met haar kleren aan in bed liggen. Als Roodkapje aanklopt doet hij de stem van grootmoeder na, Roodkapje merkt op dathaar ogen en oren groot zijn, en na de opmerking dat haar tanden zo groot zijn, wil de wolf haar pakken, maar Roodkapje weet te vluchten. Een houthakker hoort haar, slaat met zijn bijl de kop van de wolf in, snijdt zijn buik open en bevrijdt grootmoeder. Moeder is boos omdat Roodkapje ongehoorzaam is geweest, maar blij dat het goed is afgelopen.
Bron
Roodkapje Rood kapje. [S.l.]: [s.n.], [193-?]
KB: KW XKZ 0531
Collectie Roodkapje/Karsdorp
KB: KW XKZ 0531
Collectie Roodkapje/Karsdorp
Motief
B211.2.4 - Speaking wolf.   
Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   
J21.5 - ”Do not leave the highway“:   
K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   
Naam Overig in Tekst
Roodkapje   
Datum Invoer
2019-02-11
