Hoofdtekst
In lang vervlogen tijden, was er een klein meisje, wiens geschiedenis ik hier wil vertellen. Zij was een allerliefst snoeperig ding. Zij had een rond, vriendelijk gezicht, en heldere blauwe oogen. Nooit keek zij kwaad en had steeds een vriendelijke lach om haar mond, waardoor men haar fijne witte tandjes kon zien.
Elken ochtend nadat haar moeder haar geroepen had en zijn zich had aangekleed kwam zij lachende en zingende naar beneden en hoorde men den geheelen dag haar lieflijk stemmetje. Het gebeurde ook wel een enkele keer, dat zij verdrietig was, als iets niet naar haar zin was of als zij pijn had, maar spoedig was dit al alweer over, en terwijl de traantjes haar nog in de oogen stonden, lachte zij alweer. Dat de ouders zulk een lief kind teer beminden, kunt gij zeker wel begrijpen, maar er was nog iemand en wel haar grootmoeder, die haar zeer lief had. Zij had van haar grootmoeder een lief kapje gekregen van rood fluweel en daar was zij zoo zeer mee ingenomen, dat zij het altijd droeg en hierdoor was zij overal, bij de menschen in het dorp ook zelfs bij hare ouders algemeen bekend onder den naam van Roodkapje.
Haar vader was jager en zij woonden in een dorp, dat dichtbij een bosch stond en haar grootmoeders huisje stond midden in het bosch. Wanneer Roodkapje haar grootmoeder wilde bezoeken moest zij altijd het bosch door. De weg daarheen was echter niet moeielijk, daar hij steeds recht liep en er bijna altijd menschen en ruiters den weg passeerden, en er geen gevaar was dat zij zou verdwalen.
Grootmoeder was ziek en daar Roodkapje's moeder het erg druk had, kon zij er zelf niet heen gaan om naar haar te informeeren. Zij had op zekeren dag wafels gebakken en zeide tot Roodkapje: "Kind! ga ga eens naar Grootmoeder kijken, en misschien heeft het goede mensch wel trek in een paar wafels, en ook zal zij blijde zijn je weder eens te zien". De moeder deed eenige van de versche wafelen in een hengselmandje en deed er ook een fleschje wijn voor de zieke vrouw bij. Roodkapje had zooals elk ander kind ook wel een gebrek heeft, en dit bestond hierin dat zij wel wat ongehoorzaam was en niet altijd deed wat moeder zeide en als zij dan knorren van moeder kreeg wist zij moeder spoedig weder tot bedaren te brengen en deze zeide: "Als zij maar grooter wordt, zal dit gebrek wel verdwijnen".
Roodkapje deed nu haar kapje op en toen zij gereed stond om weg te gaan, zei moeder nog tot haar: "Lief kind, loop steeds rechtuit den grooten weg en houd je onderweg nergens op, opdat gij weder vroeg thuiskomt". En reden had zij er wel voor, want in de omgeving hielden zich nog wel eens wolven op. Wel kwamen zij nooit op de groote wegen, daar zij bevreesd voor de jagers waren, maar reeds dikwijls hadden zij getracht menschen aan te vallen, die van den weg afgedwaald waren.
Roodkapje beloofde haar moeder, voorzichtig te zijn en haar raad goed op te volgen en ging toen het bosch in. Zij stapte goed door en was reeds een heel eind het bosch in, toen zij in de verte heerlijk mooie bloemen zag staan. Deze stonden echter niet aan den weg maar dieper het kreupelhout in. Gaarne zou ik wel wat van die bloemen plukken, om ze voor grootmoeder mee te nemen dacht zij, en de begeerte werd zoo groot dat zij geheel en al de belofte die zij aan haar moeder gedaan had, vergat en op de bloemen afging. Zij plukte de mooiste der bloemen af en wilde weder haar weg vervolgen, toen zij een eind verder nog mooiere zag staan, en ook van deze wilde zij eenige meenemen. Zij kwam op een smal paadje terecht, waar bessen groeiden en kon niet nalaten ook hiervan wat te plukken. In de meening dat zij weder op den grooten weg in het bosch zou komen, dwaalde zij ongemerkt al dieper het bosch in. Haar gedachten werden hier afgeleid, door het zingen der vogels en het dartele springen der eekhorentjes, dat zij het groote dier niet zag dat op haar aankwam. Toen het dichtbij haar was bemerkte zij het eerst een schrikte. Daar zij echter nooit een wolf gezien had (want deze was het) meende zij een groote hond voor zich te zien. Zij had echter wel spijt dat zij haar vaders herdershond Tiras niet bij zich had, dan behoefde zijn in het geheel niet bang te zijn, want deze zou haar wel voor kwaad beschermen, doch die was met haar vader op jacht. Roodkapje bleef nu besluiteloos staan en dorst het groote dier niet voorbij te gaan. De wolf wist echter dat er in den omtrek houthakkers aan het werk waren, en had daarom den moet niet Roodkapje in het bosch aan te vallen en wilde haar daarom dieper het bosch trachten in te lokken. Ik moet er hier echter nog bijvoegen dat dit vooral plaats vond in den tijd toen de beesten nog konden praten. De wolf zette nu een heel vriendelijk gezicht en sprak tot Roodkapje: "Dag lief kind, waar moet je met dat mandje heen". En Roodkapje vertelde hem nu gerust gesteld dat haar grootmoeder ziek was, en zij wafelen en wijn moest brengen.
De wolf vroeg haar: "Je Grootmoeder woont zeker in dat lieve witte huisje met de groene luiken, midden in het bosch?"
"Ja, daar woont zij" antwoordde Roodkapje, "zoudt gij mij even den weg willen wijzen, hoe ik er komen moet, want ik weet niet waar ik hier ben".
"Als je dit paadje af gaat, dan kom je weer op den grooten weg en vlak bij je Grootmoedershuisje" zeide de wolf.
"Vriendelijk bedankt" sprak Roodkapje, "en lachende huppelde zij het paadje langs en kwam toen weder op den goeden weg en zag reeds in de verte het roode dak van grootmoeders huis door de boomen schemeren."
Keeren wij nu tot den wolf terug. Die was zoo vlug als hij kon door het kreupelwoud gegaan en was spoedig bij het huisje van de grootmoeder, terwijl Roodkapje nog op het smalle pad liep. Hij klopte aan de deur, en grootmoeder die in bed lag riep: "Wie is daar". De wolf veranderde zijn stem en riep zoo zacht hij kon: "Grootmoeder, ik ben het Roodkapje". Als je op de klink drukt" riep de vrouw "gaat de deur vanzelf open." De wolf richtte de klink van de deur op en deze sprong open, trad het huis binnen en voordat de grootmoeder eenig geluid kon geven was hij op het bed gesprongen en had de oude vrouw opgeslokt.
Hij trok nu de kleederen van de vrouw aan, zette haar muts op en ging in bed liggen.
Roodkapje had onderweg nog wat bloemen geplukt en toen zij zag dat het al laat werd, versnelde zij haar stap en kwam toen heel spoedig bij de woning harer grootmoeder. Toen zij de deur zag open staan, verwonderde haar dit wel maar ze ging toch lustig even als altijd naar binnen.
"Goedendag Grootmoeder!" zei Roodkapje.
Nu hoorde zij wel eenig geluid uit bed komen, maar niets gelijkende op de stem der oude vrouw.
Nu werd zij wel eenigszins angstig en ging wat dichter bij het bed en zeide toen: "Grootmoeder! hoe gaat het met u? Hier zijn wat wafels en wijn van moeder".
Nu zag zij een paar groote glinsterende oogen en riep zij: "Lieve Grootmoeder, wat zijn uw oogen vandaag groot."
"Dan kan ik je beter zien" sprak de wolf.
"En ook uw handen vind ik zoo erg grof" sprak de kleine meid.
"Dan kan ik je beter pakken" sprak hij met eenigszins fijne stem, maar begon reeds te hunkeren naar dit lekkere hapje.
"Uw ooren zijn ook zoo vreeselijk groot" was weder de vraag.
"Daar kan ik je lieve stem beter mee hooren" kreeg zij ten antwoord.
"Kom maar wat dichterbij en zet het mandje met wafelen maar op tafel."
"Grootmoeder, wat is uw mond toch groot" zeide het argelooze kind terwijl zij haar mandje neerzette.
"Dat is om je spoediger te kunnen opeten" sprak de wolf.
Terwijl hij dit sprak, wilde hij zich oprichten om op haar te springen en nu zag Roodkapje eerst dat het de wolf was. Zij begon luidkeels te roepen en om hulp te schreeuwen terwijl zij naar de deur vloog en toen de wolf haar wilde bespringen, vloog er van de straat een groote hond naar binnen die de wolf bij de keel pakte. Een oogenblik later verscheen er ook een jager, die met een enkel schot tusschen zijn oogen het ondier doodde. Wie beschrijft Roodkapjes blijdschap en verbazing toen zij haar vader zag, en vol blijdschap viel zij hem om de hals. De jager sneed met zijn groot jachtmes nu de buik van het ondier open en tot groote vreugde van vader en dochter kwam de oude vrouw springlevend te voorschijn alleen was zij eenigszins buiten haar zelve van de schrik.
De jager vertelde nu dat hij in het bosch van de houthakkers had gehoord dat de wolf er was, en was toen zijn spoor gevolgd. Tiras was zoo aan het huilen en blaffen gegaan, dat de man begreep dat er iets gebeurd moest zijn en de hond liep toen recht op het huisje aan, gevolgd door den jager, waar hij gelukkig nog juist vroeg genoeg aankwam. Toen zij eenigszins van de schrik bekomen was, vroeg zij haar vader vergiffenis dat zij ongehoorzaam was geweest, en nu gingen zij samen naar huis, en toen de moeder alles hoorde, was zij hevig verschrikt en omhelsde en liefkoosde Roodkapje en ook de goede Tiras, wiens schuld het was dat de jager nog op tijd was gekomen, kreeg zijn deel van de liefkoozingen en nu beloofde Roodkapje onder tranen, dat zij nooit meer ongehoorzaam zou zijn.
Onderwerp
ATU 0333 - Little Red Riding Hood   
AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   
Beschrijving
Bron
KB: KW Ki 2748
Collectie Roodkapje/Karsdorp
Motief
B211.2.4 - Speaking wolf.   
J21.5 - ”Do not leave the highway“:   
K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   
Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   
Commentaar
Ills J.D.
Bevat Roodkapje; De arme en de rijke; De hemelsche bruiloft; De oude Sultan; Doornroosje; Het ganzenmeisje; De visscher en zijn vrouw; Het meisje zonder handen; Stroohalm, Kooltje en Boontje; Vrouw Holle; Landloopersvolk; De wijze Elza; Prins Lijsterbaard; De zes zwanen; De sterrendaalders; De wijze Hans
Naam Overig in Tekst
Roodkapje   
Tiras   
