Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ROODKAPJE101

Een sprookje (boek), 1920

Hoofdtekst

Er was eens een lief klein meisje, dat met haar verjaardag van haar grootmoeder een rood fluweelen kapje ten geschenke ontving. Dit kapje beviel het meisje zoo goed en 't stond haar ook zoo aardig, dat zy niets anders meer wilde opzetten. En omdat zy nu altyd met dit kapje rondliep, noemden de mensen haar "Roodkapje."
Eens zeide de moeder tot Roodkapje: "Hoor eens kind, Grootmoeder is ziek, je moet eens naar haar toegaan. Ik heb wafelen gebakken en hier is een flesch wyn. Pak alles netjes in je mandje en breng 't naar Grootmoeder. Pas goed op, dat je onderweg niets gebeurt, je weet, je moet door 't groote bosch." Roodkapje beloofde zicht door niets te zullen laten ophouden.
Zy was nog niet lang onderweg, toen zy plotseling een wolf zag aankomen. Daar een braaf kind voor niets behoeft te vreezen, liet Roodkapje 't wilde dier rustig naar zich toekomen.
De wolf zeide: "Goeden morgen Roodkapje, waar ga je zoo vroeg naar toe?" Roodkapje beantwoordde vriendelyk den groet en vertelde zeer vertrouwelyk: "Ik ga naar Grootmoeder en breng haar iets versterkends, want zy is ziek." "Waar woont je Grootmoeder dan?" vroeg de wolf. "In een eenzaam huisje, diep in 't bosch" zei het meisje. Misschien hebt u 't wel eens gezien, er staan drie groote beukenboomen voor en er achter is een mooi bloementuintje. "Ja, ja, dat huisje ken ik" knikte de wolf. Hy vroeg Roodkapje alles zoo precies omdat hy er wilde heen gaan en de Grootmoeder opeten. "Als ik de oude vrouw verorberd heb, dacht hy by zich zelf, dan eet ik dat aardige kleine meisje voor dessert op."
Roodkapje vermoedde niets van de vaslchheid van den wolf en babbelde zonder aan iets te denken, met hem verder. "Kyk eens, wat een mooie, kleurige bloemen hier groeien" riep de wolf na een poosje. Je moet er wat van plukken, je grootmoeder zal graag een mooi ruikertje willen hebben. Aardbeien zyn hier ook veel te vinden en die hebben alle zieken graag. En dan die geneeskrachtige planten, die mag je niet zoo maar voorby loopen. Ziet eens hier, wolfsmelk en daar wolfshuid, die kunnen je Grootmoeder goed doen."
"Je hebt gelyk, lieve wolf, ik zal de planten meenemen", zeide het goede kind dankbaar. "Een paar bloemen zyn spoedig geplukt en voor de aardbeien heb ik nog plaats in myn mandje." Zy knielde op het mos en begon vlytig planten, bloemen en aardbeien te verzamelen.
De wolf lachte spottend in zich zelf en nam vlug afscheid van haar. Hy had Roodkapje alleen willen ophouden, opdat hy vroeger dan zy by Grootmoeder zou komen en ongestoord zyn plan zou kunnen te uitvoer brengen.
Wel vond hy het huisje van de oude vrouw gesloten, maar hy was zoo slim, dat hy er toch wel in kwam. Hy klopte beleefd aan en toen de Grootmoeder riep: "wie is daar?" zeide hy met veranderde stem: "ik ben 't, Roodkapje, ik breng u myn wafelen."
"O, kom maar binnen", klonk 't vriendelyk van binnen. "Den sleutel vindt je onder de stroomat voor de deur." De wolf haalde de sleutel te voorschyn, maakte open en sprong in de kamer. Eer de vrouw wist wat er gebeurde had hy haar met huid en haar verslonden.
Toen nam de booswicht haar kleederen van den stoel en trok ze aan, zette de groote muts en den bril op, en ging in bed liggen. De groene gordynen trok hy vast dicht, opdat het goed donker in de kamer zou zyn. Aldus wachtte hy Roodkapje af.
Het duurde niet lang of daar kwam het kleine meisje. Verwonderd schudde zy haar hoofdje, toen zy de deur niet gesloten vond, want Grootmoeder was toch altyd bang en voorzichtig. Een beetje angstig ging Roodkapje de kamer binnen en deed dadelyk de gordynen van Grootmoeders bed open.
"Wat schrok zy, toen zy in het bed keek." Wat was dat? Zou de ziekte haar goede Grootmoeder zoo veranderd hebben? Bevende van angst vroeg zy eindelyk:
"Grootmoeder, Grootmoeder, wat hebt ge toch groote oogen?" Weder veranderde de wolf zyn stem en antwoordde: "Dat is om je goed te kunnen zien, myn lieveling." "En waarom hebt ge dan zoo'n grooten neus?" vroeg Roodkapje verder. "Om je te kunnen ruiken, als je komt", antwoordde de wolf. "En waarom hebt U zoon, groote mond?" "Om je beter te kunnen opeten," schreeuwde de wolf, sprong uit bed en at 't arme kind op.
Nu was de booswicht zoo vol, dat hy zich niet meer bewegen kon. Hy gaapte en besloot maar weer naar bed te gaan en goed uit te slapen, spoedig snurkte hy zoo hard, dat men hem in de verte hooren kon.
Daar kwam toevallig een jager het huis voorby, hoorde dat gesnurk en dacht: "Zoo erg kan toch die zieke vrouw niet snurken, ik moet toch eens zien, wie daar binnen is. Hy trad binnen en zag meteen den wolf in 't bed van de Grootmoeder liggen." "O zoo, je hebt zeker die arme vrouw opgegeten, jy deugniet, wacht maar ik zal je leeren." Hy gaf den wolf met den kolf van zijn geweer een paar flinke slagen op den kop: daarna nam hy zyn mes en sneed 't dier voorzichtig den buik open. Tot zyn verwondering kwam 't eerst een rood kapje te voorschyn, toen sprong er vroolyk een klein meisje uit en riep: "Dank u wel, lieve jager, dat ge ons bevryd hebt, het was daar binnen zeer benauwd en donker." Nu kwam ook de Grootmoeder er uit en dankte den jager voor hare redding.
"War moeten wy nu met den stouten wolf doen?" vroeg Roodkapje. "Dien gaan wy nog een poets bakken" zei de jager. Snel haalden zy alle drie groote steenen, zooveel ze maar dragen konden en vulden daarmede den buik van den wolf. De Grootmoeder naaide hem weer dicht, zy verschuilden zich en wachtten af, wat er nu gebeuren zou. Toen de wolf wakker werd, stond hy op en wilde weggaan. Daar voelde hy de zwaare steenen, waggelde heen en weer en bromde. "Ach, wat zyn die Grootmoeder en Roodkapje zwaar". Daar hy ergen dorst had, sleepte hy zich naar de bron. Nauwelyks had hy zich een weinig voorovergebogen, of daar gleden de steenen in zyn lyf naar voren en kregen het overwicht. Hy stortte diep in de bron en moest erbarmelyk verdrinken.
De jager, de Grootmoeder en Roodkapje hadden alles gezien en verheugden zich zeer. Zy gingen aan Grootmoeders tafel zitten, dronken den wyn, aten den wafelen en waren vroolyk er by.

Onderwerp

ATU 0333 - Little Red Riding Hood    ATU 0333 - Little Red Riding Hood   

AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)    AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   

Beschrijving

Moeder van Roodkapje waarschuwt haar om onderweg naar grootmoeder zich niet te laten ophouden. Als de wolf haar aanspreekt vertelt ze dat ze naar grootmoeder gaat en waar die woont. Ze laat zich verleiden om bloemen, aardbeien en geneeskrachtige kruiden te plukken. Ondertussen gaat de wolf naar grootmoeders huis, doet de stem van Roodkapje na, krijgt te horen waar de sleutel ligt, eet grootmoeder op en gaat in haar kleren, en met muts en bril, in bed liggen. Roodkapje vindt grootmoeder heel anders, en zegt dat ze grote ogen, neus en mond heeft, waarop de wolf haar opeet. De wolf gaat weer slapen, snurkt zo hard dat een jager gaat kijken, die slaat de wolf op zijn kop en snijdt zijn buik open, waar Roodkapje en grootmoeder uit komen. Ze vullen de buik met stenen, en na dichtnaaien wachten ze af wat er gaat gebeuren als de wolf wakker wordt. De wolf waggelt naar de bron om te drinken, de stenen rollen naar voren,de wolf valt in de bron en verdrinkt.

Bron

Roodkapje. [S.l.]: [s.n.], [192-?]. Naar Grimm
KB: KW XKW 3125
Collectie Roodkapje/Karsdorp

Motief

J21.5 - ”Do not leave the highway“:    J21.5 - ”Do not leave the highway“:   

B211.2.4 - Speaking wolf.    B211.2.4 - Speaking wolf.   

K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.    K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   

Q426 - Wolf cut open and filled with stones as punishment.    Q426 - Wolf cut open and filled with stones as punishment.   

Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.    Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   

Commentaar

Naar Grimm

Naam Overig in Tekst

Roodkapje    Roodkapje   

Datum Invoer

2019-02-18