Hoofdtekst
Er was eens een klein meisje, dat met haar moeder aan de zoom van een dicht, donker bos woonde. Het kleine meisje was aardig en vriendelijk, en zo lief dat iedereen van haar hield. Maar wie het meest van haar hield dat was haar grootmoeder, die voor haar verjaardag een manteltje met capuchon van vuurrood fluweel voor haar had gemaakt. Het kind droeg het manteltje met capuchon altijd, en al spoedig noemde men haar Roodkapje.
De grootmoeder woonde helemaal alleen aan de andere kant van het bos. Op een morgen voelde grootmoeder zich, toen zij wakker werd, zwak en ziek en zij kon niet uit bed komen. "Roodkapje," zei de moeder van het meisje, "ik heb wat etenswaren in dit mandje gedaan, dan kun je die aan Oma brengen. Vlees, melk en eieren, dat is goed voor haar." "Fijn, Moeder," zei het meisje, en ze was al haast weg met haar mandje. "Ik zal de hele weg hard lopen." Kalm aan!" riep haar moeder. "Niet zo hard lopen, anders val je misschien en dan breken de eieren en de melkfles. "Dat is waar," antwoordde Roodkapje. "Ik zal voorzichtig lopen. Dag Moedertje." "Denk eraan," riep Moeder haar na. "Het is erg donker en stil in het bos, blijf dus op de paden en sta niet stil om met vreemden te praten." Nadat ze dat beloofd had wuifde Roodkapje naar haar moeder en ging het bos in.
Toen zij midden in het bos was kwam er een wolf achter een boom vandaan, en zei: “Dag Roodkapje. Wat heb je daar in je mandje?" "Allerlei lekkere dingen voor Oma." "Dat is aardig. Waar woont ze?" "Aan de rand van het bos." "O ja" zei de wolf. "Zeg, waarom pluk je niet even een bosje van die mooie bloemen voor je oma?" "Dat kon ik wel doen," zei Roodkapje met een glimlach. "Goed dat je me op het idee bracht. Dank je." "Niets te danken," zei de wolf, en verdween tussen de bomen.
Dat meisje zou ik wel lusten," dacht de wolf, en smakte met de lippen. "Maar ik denk dat ik eerst haar oma opeet en Roodkapje voor het dessert bewaar." Hij zette er de draf in, recht op grootmoeders huis af. Ondertussen stelde Roodkapje zich onder het bloemen plukken voor hoe blij oma er mee zou zijn.
Toen de wolf bij het huisje van grootmoeder aankwam klopte hij op de deur. “Wie is daar?" vroeg de oude dame. De wolf gaf antwoord met een hoge, piepende stem. “Ik ben het, Roodkapje, lieve Oma, ik heb een mand vol lekkere dingen voor u. Wilt u open doen?" “Ik voel me te slap om uit bed te komen. Met het touwtje kun je de deur open doen." De hongerige, wolf trok de deur open en liep gelijk door naar oma's slaapkamer!
Terwijl dit gebeurde had Roodkapje haar bloemen geplukt en nu vervolgde ze haar weg. Even later kwam zij een jager tegen. "Hallo, Roodkapje," zei hij. "Ik ben op jacht naar een heel gevaarlijke wolf. Heb je hem soms gezien?" "Nee," antwoordde zij. "Maar ik heb wel een aardige wolf gezien. Hij was zo beleefd en vriendelijk als het maar kon." Zij vertelde de jager dat zij op weg was naar het huis van haar grootmoeder. "Nou, prettige wandeling dan," zei hij, en gooide het geweer over zijn schouder.
Intussen was de wolf grootmoeder's slaapkamer binnengegaan. Verschrikt riep oma: jij bent Roodkapje niet! Wat moet je hier?" “Ik kom u opeten," verklaarde hij, en klapte zijn lange scherpe tanden op elkaar. De verschrikte oude dame vergat helemaal dat zij ziek was, zij sprong uit bed en sloot zichzelf in de kast. “Doe open!" schreeuwde de boze wolf, en sloeg op, de kastdeur. “Doe open -- hoor je me?”
Maar grootmoeder bleef veilig achter de gesloten deur. "Nou, ja, mompelde de wolf. "Ze was waarschijnlijk toch te taai om te eten." Op dat ogenblik keek hij uit het raam en zag Roodkapje naar het huis toe lopen. Vlug trok hij een van oma's flanellen nachtponnen aan en zette een kanten mutsje van haar op. Daarna sprong hij fluks in bed, trok de dekens op tot aan zijn nek en deed de bedgordijnen dicht.
Daar klopte Roodkapje op de deur. "Wie is daar?" riep de wolf, en hij probeerde zo goed mogelijk de stem van grootmoeder na te bootsen. "Ik ben het, Roodkapje, met een mandje lekkere dingen voor u." "Ik ben te ziek om uit bed te komen. Met het touwtje kun je de deur open trekken." In het huis gekomen voelde Roodkapje ineens dat er iets aan de hand was en ze liep gauw naar de slaapkamer.
Omdat ze zag dat de bedgordijnen dicht waren riep Roodkapje: "Grootmoeder, is alles goed met u?" “Ja, liefje," kraakte de stem van de wolf. "Ik voel me alleen wat slap." "Daar ben ik blij om, want ik kwam de jager tegen en die zei dat er een lelijke, gevaarlijke wolf in het bos rondloopt." "Ach onzin, kind. Er is geen lelijke, gevaarlijke wolf. Kom nu maar hier en doe de gordijnen open. Ik heb een verrassing voor je.”
Roodkapje schoof de gordijnen weg en daar zag zij de oren van de wolf onder het kanten mutsje uit komen. “O grootmoeder!" riep ze uit. "Wat hebt u grote oren!” "Dat is om je beter te kunnen horen," zei de wolf. “O grootmoeder, wat hebt u een grote ogen!” “Om je beter, te kunnen zien." "0 grootmoeder, wat hebt u grote tanden!” “Om je beter op te kunnen eten!" grauwde de wolf en sprong het bed uit. "Ik zei toch dat ik een verrassing had! Help!" gilde Roodkapje, toen zij de tanden naast haar oor als een schaar hoorde dichtklappen. "Het is de wolf! Help!"
Juist op dat moment verscheen de jager in de deuropening, zijn geweer in de aanslag. "Beweeg je niet," riep hij. "Ik zal je redden!" De wolf, die zag dat hij in gevaar verkeerde, probeerde het raam uit te springen, maar de jager vuurde. De wolf viel dood op de grond, met een kogel in zijn boze hart.
Grootmoeder!" riep Roodkapje. "Grootmoeder, waar bent u?" De deur van de kast ging open en daar stapte de lieve, oude dame eruit. “Je mag blij zijn dat ik je achterna gegaan ben, Roodkapje," zei de jager. “Eén minuut later en die beleefde, vriendelijke wolf waar je het over had zou je opgegeten hebben." “Het was verschrikkelijk," zei de grootmoeder. "Maar nu is alles weer goed."
De jager sleepte de wolf naar buiten; daar stroopte hij de huid er af om er een warm dek van te maken voor zijn kleine jongen. Terwijl hij aan het 'werk was aten Roodkapje en haar grootmoeder wat van het lekkers uit het mandje. "Goedendag," riep de jager na een poosje. “En, Roodkapje, als je ooit weer eens een wolf tegenkomt in het bos, wat doe je dan?" “Hard weglopen," lachte Roodkapje.
Toen Roodkapje thuis kwam en haar moeder vertelde wat er gebeurd was, drukte de goede vrouw haar tegen zich aan en barstte in tranen uit. “Wat ben ik blij dat jij en grootmoeder zijn gered. Beloof me, dat je nooit weer zulke domme dingen zult doen." “Dat beloof ik," zei Roodkapje. "Het spijt me dat ik van het pad af geweken ben en het spijt me dat ik met een vreemde gesproken heb. Ik zal nooit meer ongehoorzaam zijn, Moeder." En dat deed ze ook nooit meer -- geen enkel keertje.
EINDE
De grootmoeder woonde helemaal alleen aan de andere kant van het bos. Op een morgen voelde grootmoeder zich, toen zij wakker werd, zwak en ziek en zij kon niet uit bed komen. "Roodkapje," zei de moeder van het meisje, "ik heb wat etenswaren in dit mandje gedaan, dan kun je die aan Oma brengen. Vlees, melk en eieren, dat is goed voor haar." "Fijn, Moeder," zei het meisje, en ze was al haast weg met haar mandje. "Ik zal de hele weg hard lopen." Kalm aan!" riep haar moeder. "Niet zo hard lopen, anders val je misschien en dan breken de eieren en de melkfles. "Dat is waar," antwoordde Roodkapje. "Ik zal voorzichtig lopen. Dag Moedertje." "Denk eraan," riep Moeder haar na. "Het is erg donker en stil in het bos, blijf dus op de paden en sta niet stil om met vreemden te praten." Nadat ze dat beloofd had wuifde Roodkapje naar haar moeder en ging het bos in.
Toen zij midden in het bos was kwam er een wolf achter een boom vandaan, en zei: “Dag Roodkapje. Wat heb je daar in je mandje?" "Allerlei lekkere dingen voor Oma." "Dat is aardig. Waar woont ze?" "Aan de rand van het bos." "O ja" zei de wolf. "Zeg, waarom pluk je niet even een bosje van die mooie bloemen voor je oma?" "Dat kon ik wel doen," zei Roodkapje met een glimlach. "Goed dat je me op het idee bracht. Dank je." "Niets te danken," zei de wolf, en verdween tussen de bomen.
Dat meisje zou ik wel lusten," dacht de wolf, en smakte met de lippen. "Maar ik denk dat ik eerst haar oma opeet en Roodkapje voor het dessert bewaar." Hij zette er de draf in, recht op grootmoeders huis af. Ondertussen stelde Roodkapje zich onder het bloemen plukken voor hoe blij oma er mee zou zijn.
Toen de wolf bij het huisje van grootmoeder aankwam klopte hij op de deur. “Wie is daar?" vroeg de oude dame. De wolf gaf antwoord met een hoge, piepende stem. “Ik ben het, Roodkapje, lieve Oma, ik heb een mand vol lekkere dingen voor u. Wilt u open doen?" “Ik voel me te slap om uit bed te komen. Met het touwtje kun je de deur open doen." De hongerige, wolf trok de deur open en liep gelijk door naar oma's slaapkamer!
Terwijl dit gebeurde had Roodkapje haar bloemen geplukt en nu vervolgde ze haar weg. Even later kwam zij een jager tegen. "Hallo, Roodkapje," zei hij. "Ik ben op jacht naar een heel gevaarlijke wolf. Heb je hem soms gezien?" "Nee," antwoordde zij. "Maar ik heb wel een aardige wolf gezien. Hij was zo beleefd en vriendelijk als het maar kon." Zij vertelde de jager dat zij op weg was naar het huis van haar grootmoeder. "Nou, prettige wandeling dan," zei hij, en gooide het geweer over zijn schouder.
Intussen was de wolf grootmoeder's slaapkamer binnengegaan. Verschrikt riep oma: jij bent Roodkapje niet! Wat moet je hier?" “Ik kom u opeten," verklaarde hij, en klapte zijn lange scherpe tanden op elkaar. De verschrikte oude dame vergat helemaal dat zij ziek was, zij sprong uit bed en sloot zichzelf in de kast. “Doe open!" schreeuwde de boze wolf, en sloeg op, de kastdeur. “Doe open -- hoor je me?”
Maar grootmoeder bleef veilig achter de gesloten deur. "Nou, ja, mompelde de wolf. "Ze was waarschijnlijk toch te taai om te eten." Op dat ogenblik keek hij uit het raam en zag Roodkapje naar het huis toe lopen. Vlug trok hij een van oma's flanellen nachtponnen aan en zette een kanten mutsje van haar op. Daarna sprong hij fluks in bed, trok de dekens op tot aan zijn nek en deed de bedgordijnen dicht.
Daar klopte Roodkapje op de deur. "Wie is daar?" riep de wolf, en hij probeerde zo goed mogelijk de stem van grootmoeder na te bootsen. "Ik ben het, Roodkapje, met een mandje lekkere dingen voor u." "Ik ben te ziek om uit bed te komen. Met het touwtje kun je de deur open trekken." In het huis gekomen voelde Roodkapje ineens dat er iets aan de hand was en ze liep gauw naar de slaapkamer.
Omdat ze zag dat de bedgordijnen dicht waren riep Roodkapje: "Grootmoeder, is alles goed met u?" “Ja, liefje," kraakte de stem van de wolf. "Ik voel me alleen wat slap." "Daar ben ik blij om, want ik kwam de jager tegen en die zei dat er een lelijke, gevaarlijke wolf in het bos rondloopt." "Ach onzin, kind. Er is geen lelijke, gevaarlijke wolf. Kom nu maar hier en doe de gordijnen open. Ik heb een verrassing voor je.”
Roodkapje schoof de gordijnen weg en daar zag zij de oren van de wolf onder het kanten mutsje uit komen. “O grootmoeder!" riep ze uit. "Wat hebt u grote oren!” "Dat is om je beter te kunnen horen," zei de wolf. “O grootmoeder, wat hebt u een grote ogen!” “Om je beter, te kunnen zien." "0 grootmoeder, wat hebt u grote tanden!” “Om je beter op te kunnen eten!" grauwde de wolf en sprong het bed uit. "Ik zei toch dat ik een verrassing had! Help!" gilde Roodkapje, toen zij de tanden naast haar oor als een schaar hoorde dichtklappen. "Het is de wolf! Help!"
Juist op dat moment verscheen de jager in de deuropening, zijn geweer in de aanslag. "Beweeg je niet," riep hij. "Ik zal je redden!" De wolf, die zag dat hij in gevaar verkeerde, probeerde het raam uit te springen, maar de jager vuurde. De wolf viel dood op de grond, met een kogel in zijn boze hart.
Grootmoeder!" riep Roodkapje. "Grootmoeder, waar bent u?" De deur van de kast ging open en daar stapte de lieve, oude dame eruit. “Je mag blij zijn dat ik je achterna gegaan ben, Roodkapje," zei de jager. “Eén minuut later en die beleefde, vriendelijke wolf waar je het over had zou je opgegeten hebben." “Het was verschrikkelijk," zei de grootmoeder. "Maar nu is alles weer goed."
De jager sleepte de wolf naar buiten; daar stroopte hij de huid er af om er een warm dek van te maken voor zijn kleine jongen. Terwijl hij aan het 'werk was aten Roodkapje en haar grootmoeder wat van het lekkers uit het mandje. "Goedendag," riep de jager na een poosje. “En, Roodkapje, als je ooit weer eens een wolf tegenkomt in het bos, wat doe je dan?" “Hard weglopen," lachte Roodkapje.
Toen Roodkapje thuis kwam en haar moeder vertelde wat er gebeurd was, drukte de goede vrouw haar tegen zich aan en barstte in tranen uit. “Wat ben ik blij dat jij en grootmoeder zijn gered. Beloof me, dat je nooit weer zulke domme dingen zult doen." “Dat beloof ik," zei Roodkapje. "Het spijt me dat ik van het pad af geweken ben en het spijt me dat ik met een vreemde gesproken heb. Ik zal nooit meer ongehoorzaam zijn, Moeder." En dat deed ze ook nooit meer -- geen enkel keertje.
EINDE
Onderwerp
ATU 0333 - Little Red Riding Hood   
AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   
Beschrijving
Ondanks de waarschuwing van moeder om onderweg naar grootmoeder niet met vreemden te spreken en op het pad te blijven, vertelt Roodkapje de wolf dat ze naar grootmoeder gaat en waargrootmoeder woont. Ze laat zich door de wolf verleiden om bloemen te plukken. Intussen gaat de wolf naar grootmoeders huis, klopt aan, doet de stem van Roodkapje na, mag binnenkomen, maar kan grootmoeder niets doen, want zij sluit zich op in een kast. De wolf trekt haar kleren aan en gaat in bed liggen. Roodkapje verbaast zich over de grote oren, ogen en tanden, waarop de wolf haar probeert op te eten. Een jager die Roodkapje heeft gevolgd, komt binnen en schiet de wolf dood. Roodkapje belooft nooit meer ongehoorzaam te zijn.
Bron
Roodkapje: een pop up boek van Hallmark. [S.l.]: Hallmark, [197-?]
KB: KW XKR 0951
Collectie Roodkapje/Karsdorp
KB: KW XKR 0951
Collectie Roodkapje/Karsdorp
Motief
J21.5 - ”Do not leave the highway“:   
Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   
K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   
B211.2.4 - Speaking wolf.   
Naam Overig in Tekst
Roodkapje   
Datum Invoer
2019-02-25
