Hoofdtekst
Was er eens een aardig kind,
'n Allerliefst, blondlokkig meisje,
Dat door ieder werd bemind.
Altijd was ze lief en vriendlijk,
Altijd vroolijk, 't kleine ding;
Daarom was ze dan voorzeker
Ook haar Grootmoe's lieveling
Op haar zevenden verjaardag,
(Och, wat was het meisje blij!)
Kreeg ze van haar Grootmoe 'n mutsje
Vuurrood en van echte zij.
Snoezig stond haar 't roode kapje
Altijd zag men haar er mee,
Dus geen wonder, dat een ieder
Haar "Roodkapje" noemde, hè?
"Kom Roodkapje! Hoor eens, liefje",
Zei op zek'ren dag haar Moe,
"Breng dit mandje heel voorzichtig,
Naar je lieve Grootmoe toe
Wafels zijn er in en eiers,
En een flesch met lekk'ren wijn,
Ga nu gauw, mijn kind, dan kun je
Voor den avond hier weer zijn
Houd je niet op, zei Moe nog,
Pluk geen bloemen in het woud,
't Is daar immers vroeg reeds donker,
Neen, dat 's waarlijk niet vertrouwd."
't Meisje ging. Bij 't bosch gekomen,
Zag ze daar zoo'n bloemenpracht,
Dat ze eventjes ging plukken
En aan Moeders raad niet dacht
In een ommezientje had ze
Reeds een mooie ruiker klaar;
Maar ... wie doet haar eensklaps omzien?
Hé? Een wolf staat achter haar.
"Wel, Roodkapje", zegt hij vriendlijk,
"Ben je hier zoo alleen?
Heb je nog een eind te loopen?
Zeg me eens, waar moet je heen?"
"'k Ga naar Grootmoe", zegt het meisje,
"'k Breng haar wafels, eiers, wijn,
Even buiten 't bosch woont Grootje,
Een kwartiertje zal 't nog zijn."
"Zoo? Dat 's nog een aardig eindje,
Nu, ik groet je lieve kind."
'k Zal wel zorgen, denkt de leeperd,
Dat ik jou bij Grootmoe vind.
Haastig loopt Roodkapje verder
Soms wat angstig en bevreesd,
Als ze denkt aan moeders woorden
En aan 't griezelige beest.
Maar nog vlugger dan het meisje
Snelt de Wolf naar Grootmoe heen.
Dicht verscholen in 't geboomte
Staat haar huisje, heel alleen;
Eensklaps komt hij in de kamer,
't Oudje vindt hij slapend daar;
't Wreede dier valt op zijn prooi aan,
Slikt haar in met huid en haar.
Grootmoe's hagelwitte nachtmuts
Viel intusschen op den grond,
Waar de wolf haar, juist voordat hij
Zich te bed wou leggen, vond.
Gauw die nachtmuts opgeraapt en
Op zijn ruigen kop gezet,
En toen een, twee, drie de dekens
Opgeslagen, en in 't bed.
Pas ligt hij er in, of luister!
Klop, klop, klop, daar zal ze zijn;
't Klein Roodkapje, 't lekker hapje,
Met de wafels en den wijn.
"Grootmoe, 'k Heb wat ... Maar wat 's dat nu?
Foei, ik schrik er waarlijk van,
Wel, wat hebt u groote ooren!"
Wolf: "Ja, waar 'k best mee hooren kan"
Roodkapje: "En wat groote oogen, Grootmoe!"
Wolf: "Ja, daar kan ik best mee zien;"
Roodkapje: "En wat neus!"
Wolf: "Dat kan 'k mee ruiken,
Beter dan een hond misschien"
Roodkapje: "Maar uw mond dan, lieve Grootmoe,
Wat ik dien verschrikkelijk vind."
Wolf: "Ja, daar kan ik best mee eten"
En .... hij slikt haar in, 't arm kind
Na zoo'n maaltijd moest hij slapen
Hij ging liggen op den grond,
En hij snorkte zoo geweldig,
Dat men 't hoorde ver in 't rond.
Heel toevallig kwam gelukkig
Juist een jagerman voorbij
En het snorken en het snuiven
Van het ondier hoorde hij.
"Wat mag dat toch wezen?" dacht hij,
En hij hield 't geweer gereed,
Toen hij vlug de deur van 't huisje
Heel voorzichtig open deed
"Zoo? Ben jij daar, stoute rakker,
Zeker weer iets kwaads gedaan?"
En het geweer legt hij intusschen
Op den kop van 't roofdier aan.
Paf! De vensters dreunen, rinklen
Van den knal van 't jachtgeweer.
Kermend wil de wolf nog opstaan,
Maar... hij valt en... leeft niet meer.
Aanstonds neemt de kloeke jager
Mes en schaar ter hand en snijdt
Vlug den buik los van het ondier
Met een groote handigheid
Want hij hoopte, dat het oudje
Nog in leven wezen zou;
Maar.... Wat 's dat? Een vuurrood mutsje?
Dat is niet van d'oude vrouw.
Neen, dat is van 't lief Roodkapje;
Kijk, daar springt ze voor den dag,
En ook Grootmoe komt te voorschijn,
Och! Hij wist niet, wat hij zag.
Welk een vreugde in het huisje!
Meer, veel meer dan 'k zeggen kan:
Grootje en Roodkapje dankten
Duizend maal den jagersman.
Fluks deed nu de slimme jager
'n Aantal steenen, dik en zwaar
In den buik van 't dier en naaide
Toen de huid weer aan elkaar.
Samen sleepten zij het vrachtje
Naar den oever van het meer,
En tot ieders groote blijdschap
Zag me nooit den booswicht weer.
Onderwerp
ATU 0333 - Little Red Riding Hood   
AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   
Beschrijving
Bron
KB: KW Ki 6614
Collectie Roodkapje/Karsdorp
Motief
J21.5 - ”Do not leave the highway“:   
K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   
Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   
Q426 - Wolf cut open and filled with stones as punishment.   
B211.2.4 - Speaking wolf.   
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Roodkapje   
