Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ROODKAPJE155

Een sprookje (boek), 1910

Hoofdtekst

Op een mooien zomer morgen zat ze weer op haar bankje met Sultan; ze streelde hem over de grooten kop en Sultan legde zijn snoet op haar schoot, net of hij zeggen wou: "ik houd van je, klein vrouwtje." Roodkapje babbelde druk tegen hem, en Sultan knipte met zijn oogen of zwaaide met zijn staart om te beduiden, dat hij haar best bestond.
Daar riep Moeder uit de achterdeur: "Roodkapje! kom eens hier!" Roodkapje sprong op en liep naar binnen. Moeder zat in de kamer met een mandje op haar schoot; Roodkapje keer er naar, nieuwsgierig wat er wel onder het witte servet zou zijn. "Kindje," zei moeder, "je weet wel, dat grootmoeder een beetje ziek is. Ik heb wafels voor haar gebakken daar houdt grootmoeder zooveel van. Maar ik kan ze niet brengen, want als vader thuis komt, moet het eten klaar zijn. Zou jij wel alleen naar grootmoeder durven gaan?" Roodkapje lachte en knikte blij. Waarom zou ze niet durven? Ze vond het juist prettig, alleen eene boodschap te doen, en vooral als 't zoo ver was; dan voelde ze zich groot.
"Maar," vroeg moeder, "weet je den weg wel goed?" "O ja moeder," antwoordde Roodkapje, "recht door het bosch, het breede pad." "Juist. Maar je moet goed doorstappen, en niet onderweg stilstaan of andere paadjes inloopen." Roodkapje beloofde gehoorzaam te zullen zijn; moeder hing haar het mandje aan den arm, en daar ging het kleine meisje dapper op weg. Even keerde ze zich nog om, en wuifde tegen moeder, die haar nakeek.
Het was warm, maar in t' bosch vond Roodkapje schaduw, daar speelde de zon maar eventjes tusschen de bladeren door, en tooverde lichtplekjes op het mos. In de boomen zongen de vogels, en het bosch rook zóó heerlijk als 't alleen maar in den zomer ruiken kan.
Roodkapje stapte flink door, zooals ze aan moeder beloofd had, en zachtjes zong ze mee met de vogeltjes en in de boomen. Na een poosje kwam ze op een open plek... ze bleef even staan. Wat groeien hier mooie bloemen! Daar moest ze een paar van meenemen voor grootmoeder. Ze zette haar mandje neer en plukte een paar bloemen tusschen het lange gras; toen ze opkeek, zag ze, dat aan de struiken ook mooie bloemen groeiden: groote witte en geelachtige trossen, die lekker roken! Ze liep er naar toe: hè wat waren die stelen taai! 't Kostte heel wat moeite, er een paar af te plukken.
Toen ze hare handjes vol had, ging ze op het gras zitten om een bouquetje te maken: daarbij dacht ze er heelemaal niet meer aan, dat ze moeder beloofd had, zich niet op te houden onderweg.
Na een poosje stond ze op om verder te gaan. Maar nu zag ze een paar kleine vlindertjes om haar hoofdje vliegen; ze buitelden over elkaar in de lucht. Waar zouden ze heengaan? Even zien... Roodkapje liep de vlindertjes na, een zijpad in; en alweer vergat ze, wat ze moeder beloofd had.
Intusschen was vader thuis gekomen, en moeder vertelde, dat Roodkapje alleen naar grootmoeder was gegaan. "'t Is wel een heel eind," zei ze, "maar Roodkapje weet den weg, en ze heeft me beloofd, recht door te zullen loopen." "Dan breng ik haar mee terug," zei vader; "ik moet toch daar in de buurt aan het werk."
In het bosch woonde een wolf. Hij had honger, want alle hazen en konijnen en eekhoorntjes waren hem dien dag te vlug af geweest, en de menschen hadden 's nachts hunne schuren en erven zoo goed afgesloten, dat hij geen schaap, ja nog niet eens een kip had kunnen stelen. Grommend liep hij door het bosch .... maar in eens stak hij zijn neus in de wind, en snoof!
Roodkapje was de kapelletjes nog een eind nageloopen, maar in eens waren ze weg. En toen ze terug wou gaan, zag ze drie paden, en wist ze niet meer, welk van die drie ze afgekomen was. Ze zou dàt paadje maar probeeren, ja, dat zou het goede wel zijn, dacht ze. Maar eerst nog een tak van die witte bloemen plukken! Terwijl ze hare armpjes uitrekte om hoog boven haar hoofd te plukken, kwam in eens de wolf om een dikken boom heen kijken.
Ja, dat was het lekkere boutje, dat hij geroken had! hij likte zijn baard af, maar bleef nog even stilletjes kijken, tot Roodkapje met hare bloemen op den grond ging zitten. Toen in eens, zag ze den ruigen kop van den wolf vlak bij haar gezicht. Ze schrikte een beetje, maar niet heel erg, want de wolf deed zijn best vriendelijk te kijken: daarom vond Roodkapje, dat hij op Sultan leek. "Zoo meisje, wat die je hier?" vroeg de wolf met zijn bromstem. Daar schrikte Roodkapje van, maar ze wou niet bang zijn, dus zei ze: "ik moet naar grootmoeder wafels brengen. Grootmoeder is ziek, weet je. Maar ik ben een beetje verdwaald." "Zoo," zei de wolf, en hij rook eens aan de wafels. 'n Flauw kostje, dacht hij: nee, dat meisje en haar grootmoeder, dat lijkt me beter! "Waar woont je grootmoeder?" vroeg hij. "In het witte huisje aan de anderen kant van het bosch." "O ja, dat weet ik wel," zei de wolf. "Als je dat pad inloopt, kom je er gauw." "Dank je wel," zei Roodkapje. Meteen nam ze haar mandje op en liep het pad in, dat de wolf haar gewezen had. Maar, dacht ze, als ik er toch gauw zal zijn, kan ik nog wel wat bloemen plukken. En zoo kwam ze maar langzaam vooruit.
De wolf kroop onder de struiken door, en toen Roodkapje hem niet meer zien kon, zette hij 't op een loopen. Zijn buik schoof haast over den grond, de roode tong hing hem uit den bek, en zijn staart stak recht achteruit: zóó holde de wolf. Al heel gauw was hij bij het huisje van Roodkapje's grootmoeder. Zachtjes klopte hij op de deur. Maar er kwam geen antwoord, want grootmoeder was 's morgens veel beter, en toe zij de zon zoo mooi zag schijnen, was ze uitgegaan. Toen de wolf nog eens geklopt had en alles stil bleef, trok hij eens aan het touw, dat naast de deur hing. En werkelijk, de deur ging open. Hij stormde naar binnen, maar het bed was leeg, en hoe hij ook rondkeek en snoof, er was niets te eten. Wat viel dat den wolf tegen! Maar hij wist raad: Roodkapje zou hij tòch krijgen. Hij nam de muts van grootmoeder, die met den bril op een stoel voor het bed lag, en zette die op zijn ruigen kop. Den bril zette hij op zijn neus, sprong in bed, en kroop onder de dekens.
Na een poos klopte Roodkapje op de deur. "Wie is daar?" riep de wolf met een beverig, zwak stemmetje. "Ik! Roodkapje!" riep Roodkapje voor de deur. "O kind," riep de wolf weer, "trek dan maar aan het touw, dan gaat de deur vanzelf open." Roodkapje deed het, en kwam zachtjes de kamer binnen. "Dag grootmoeder, ik heb wafels voor u meegebracht," zei ze, en toen er geen antwoord kwam, keek ze voorzichtig om den hoek van het bedgordijn. "Grootmoeder," zei ze met een angstig stemmetje, "wat hebt u groote ooren!" "Dat is om beter te kunnen hooren," zei de wolf met zijn gewone bromstem. "En grootmoeder," zei Roodkapje nog angstiger, "wat hebt u groote oogen!" "Dat is om beter te kunnen zien," zei de wolf, en hij keek Roodkapje zóó boos aan, dat ze er bang voor werd. "Grootmoeder," zei ze bijna schreiend, "wat hebt u groote tanden!" "Dat is om jou te kunnen opeten!" gromde de wolf. Meteen sprong hij op Roodkapje af. Ze gaf een schreeuw van angst.
Maar op hetzelfde ogenblik viel de wolf neer, en voelde Roodkapje zich opgepakt door een paar stevige armen. Ze hoorde vaders stem zachte, sussende woordjes in haar oor zeggen, en nog angstig, greep ze zich vast aan vaders hals. Op zijn schoot moest ze eerst een goed uithuilen; toen keek ze om zich heen. Op den grond lag de vreeselijke wolf dood naast vaders bijl; en vlak bij haar zag ze Sultan, den goeden Sultan, die haar blij aankeek.
Vader kuste zijn kleine meisje, en vertelde, dat hij aan het houthakken was geweest in de buurt. In eens hoorde hij Roodkapje schreeuwen, en was net bijtijds gekomen om den wolf met zijn bijl dood te slaan. Toen vertelde Roodkapje, hoe de wolf in grootmoeders bed had gelegen en haar eerst met zijne vreeselijke stem aan het schrikken had gemaakt.
"Waar zou grootmoeder zijn?" vroeg vader ongerust; "de wolf zal haar toch geen kwaad gedaan hebben!"
Verschrikt sprong Roodkapje van vaders schoot en liep naar het raam. En kijk, daar kwam grootmoeder juist aan; ze liep langzaam, want ze was moe geworden van 't buiten loopen, maar toen ze Roodkapje zag, knikte ze met een vroolijk lachje.
Roodkapje holde haar tegemoet, en met haar handje in grootmoeders hand vertelde ze van den wolf.
"Maar de wafels zijn er nog voor u," zei ze toen het heele verhaal gedaan was.
Grootmoeder kuste Roodkapje wel zes keer. Thuis pakte zij de wafels uit, en deed een zakje lekkere koekjes in Roodkapjes mandje.
Met vader en Sultan ging Roodkapje naar huis. Wat schrikte moeder, toen zij hoorde, wat er gebeurd was! ze huilde en lachte tegelijk, en kon haar kleine meisje niet genoeg aankijken.
Maar 's avonds, toen Roodkapje was uitgekleed, en op de knieën voor haar bedje lag, toen moest ze nog iets aan moeder zeggen. Weet je wat dat was? Ze moest vertellen, dat alles gekomen was, doordat ze niet gedaan had, wat ze moeder had beloofd, en pas toen moeder dat wist, en haar een zoen had gegeven, kon ze gerust gaan slapen.

Onderwerp

ATU 0333 - Little Red Riding Hood    ATU 0333 - Little Red Riding Hood   

AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)    AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   

Beschrijving

Roodkapje gaat met een mandje naar grootmoeder, krijgt de waarschuwing niet te treuzelen, maar Roodkapje gaat toch bloemen plukken en de vlinders achterna. In het bos ontmoet ze de wolf, vertelt dat ze naar grootmoeder gaat en waar ze woont. De wolf gaat naar grootmoeders huis, vindt haar niet, gaat in haar bed liggen, doet de stem van grootmoeder na als Roodkapje komt. Roodkapje verbaast zich over de grote oren, ogen en tanden van grootmoeder, waarop de wolf haar wil opeten. Op dat moment komt haar vader binnen en slaat de wolf dood. Roodkapje vertelt dat ze ongehoorzaam is geweest.

Bron

Anna Maria van Gogh-Kaulbach. Roodkapje. Amsterdam: Allert de Lange, [1910]
KB: KW Ki 6002
Collectie Roodkapje/Karsdorp

Motief

B211.2.4 - Speaking wolf.    B211.2.4 - Speaking wolf.   

J21.5 - ”Do not leave the highway“:    J21.5 - ”Do not leave the highway“:   

K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.    K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   

Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.    Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   

Commentaar

Naar Grimm

Naam Overig in Tekst

Roodkapje    Roodkapje   

Sultan    Sultan   

Datum Invoer

2019-03-13