Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ESOPET14

Een sprookje (), 13e eeuw

Hoofdtekst

Wilen vant .i. aren .i. slecke
hi namse ende droechse op biden becke
die slecke sloet haer in die scelle
dat haer die aren daer ic af telle
in ghere manieren mochte daren
310 doe seide die wuwe toten aren
du dragest daer .i. diere gherechte
constuut ghereden te sinen rechte
doe seide die aren wiltuut mi wisen
ic gheue di van miere spisen
315 ia ic seide die wuwe nem dinen vloge
vliech op toten wolkinen hoghe
laet vallen die slecke int herde lant
ende dan vliech hare te hant
aldus sal breken hare scelle
320 dan nem die slecke bi den velle
op vloech die aren ende vant soe groet
die hitte dat hiere om bleef doet
ende die slecke viel opt lant
soe datse ghene wuwe vant
325 ende hiefse op te hant
ende sloechse in sinen tant
dus comt lachter ende scade
meneghen man bi quaden rade
oec es menech man soe quaet
330 die .i. andren gheuet raet
alsoe hiere best siet in
sijns selfs vrome ende sijn ghewin

Beschrijving

Een arend vangt een slak, maar hij kan hem niet opeten vanwege het slakhuis. Een wouw geeft de raad dat de arend heel hoog moet gaan vliegen en van die hoogte de slak naar beneden gooien. De arend volgt zijn raad op, maar sterft door de enorme hitte van de zon. De slak valt naar beneden, waar hij opgegeten wordt door de wouw.

Bron

handschrift UB Leiden Ltk. 191 (95r-103v)

Commentaar

13e eeuw
Voor een teksteditie zie Esopet. Ed. G. Stuiveling. Amsterdam 1965. Deel 2.
Zie ook: J.A. Schippers, Middelnederlandse fabels: studie van het genre, beschrijving van collecties, catalogus van afzonderlijke fabels. Nijmegen 1995. nr. 31. Arend, slak en kraai (wouw).
Brigitte Derendorf, `Anmerkungen zum mittelniederländischen Esopet'. In: R. Damme e.a. (red.), Franco-Saxonica. Münstersche Studien zur niederländischen und niederdeutschen Philologie. Jan Goossens zum 60. Geburtstag. Neumünster 1990. p. 285-308.

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:21