Hoofdtekst
Roodkapje bij Moeder.
Er was eens een aardig klein meisje. Ze had een oude, lieve grootmoeder. Die hield veel van haar kleinkind. Dikwijls kwam ze op bezoek. Dan bracht ze altijd wat voor haar mee. Soms een appel, soms een lekkere koek. Ook wel eens een stuk speelgoed. Ze wist altijd iets te vinden, waar het kleine meisje blij mee was. Eens zag grootmoeder in een winkel een lapje rood fluweel. Ze dacht: "Dat moet ik kopen. Ik maak er een mutsje van. Wat zal dat aardig staan op het kleine krullekopje." Op haar jaardag kreeg het kleine meisje het rode kapje. Wat was ze er blij mee! Het liefst wou ze het alle dagen op hebben. Eens wou ze het zelfs mee naar bed nemen. Natuurlijk kon dat niet. Daar was het veel te mooi voor. Alleen als ze uitging, mocht het op. De mensen op straat zagen het kleine meisje met het rode kapje. Wat stond het haar lief! Ze wisten niet, hoe ze heette. Daarom noemden ze haar: het kleine meisje met het rode kapje. Maar die naam was veel te lang. Ze maakten er liever Roodkapje van. Dat klonk zo aardig. Ieder noemde haar nu zo. Roodkapje zag er heel lief uit. Ze leek wel een frisse rozeknop uit de tuin. Haar hartje was gelukkig ook lief. Altijd was ze vrolijk. Kibbelen met andere kinderen deed ze haast nooit. Ondeugend was ze zelden. Een ding was heel jammer. Roodkapje vergat dikwijls wat. Moeder kon haar moeilijk om een boodschap sturen. Altijd moest ze zeggen: “Kind, denk er om. Dadelijk terugkomen. Ik zit er op te wachten." En als dat nu maar geholpen had! Maar het gaf niets. Roodkapje beloofde wel altijd te doen wat Moeder vroeg. Natuurlijk. Ze hield zo veel van haar. Vrolijk huppelde ze weg. Ze wou regelrecht naar de winkel. En dan dadelijk met de boodschap naar huis. Maar och, er was op straat zo veel te zien. Soms waren er honden aan het vechten. Daar moest Roodkapje toch even naar kijken. Ze vergat, om naar de winkel te gaan. Soms kwam ze andere kinderen tegen. Daar ging ze mee spelen. Ze vergat helemaal, dat Moeder op haar zat te wachten. Zo kwam Roodkapje veel te laat met haar boodschap bij moeder. Die was dan soms heel verdrietig. En het kleine meisje had er echt spijt van. Ze dacht: “Ik zal in het vervolg wel beter oppassen." Maar ze paste niet beter op.
Naar Grootmoeder.
Op een dag zei de moeder van Roodkapje: “Kind, vandaag is grootmoe jarig. Ik kan niet naar haar toe. Dat is heel jammer. Ze is al in een hele tijd niet hier geweest. Ik ben erg bang, dat ze ziek geworden is. Ik heb wat wafels voor haar gebakken. Daar houdt ze veel van. Ik zal ook een fles bessensap aan haar sturen. Bessensap is goed voor zieke mensen. Jij mag het haar gaan brengen. Dat kun je best. Je bent al een grote meid. Grootmoe zal blij zijn, dat je komt.
Het is nog vroeg in de morgen. Daardoor is het licht in het bos. Anders zou ik je niet alleen durven laten gaan. Soms loopt er een wolf rond. Die eet kleine kinderen op. Als het licht is, durft hij ze geen kwaad te doen. Dan kunnen de grote mensen hem zien. Vooral voor mannen is hij erg bang. Loop vlug door, mijn kind. Blijf nergens staan. Ga niet van de grote weg af. Ga ook geen bloemen plukken. Je kunt een poosje bij grootmoe blijven. Die zal wel op de klok letten. Want voor het donker is, moet je weer terug zijn." Roodkapje danste van plezier. Ze mocht alleen naar grootmoe. Dat was nog nooit gebeurd. Wat zou grootmoe opkijken. Die zou haar zeker een heel grote meid vinden! Ze kleedde zich aan. Natuurlijk moest het rode kapje op. Toen stapte ze de deur uit. Aan haar arm droeg ze een klein mandje. Onder een witte doek zat een schaaltje met wafels. De kop van een fles bessensap keek boven de rand uit. Ze draaide zich nog eens om naar moeder. Die stond haar bij de deur na te kijken. Vrolijk zwaaide ze met haar handje: "Dag Moeder." "Dag kind. Denk er om, dat je vlug doorloopt. Niet van het grote pad gaan. Geen bloemen plukken. Niet spelen onderweg." "Ik ga regelrecht naar grootmoe, Moes."
Het hol van de wolf.
In het bos was een groot hol. Niemand kon het zien. Voor de ingang groeiden struiken met veel bladeren. In dat hol woonde de wolf. Als het dag was, lag hij daar te slapen. Maar in de nacht .... Dan kwam hij te voorschijn. Hij ging op roof uit. Liep er ergens een schaap in de wei -- hij had het gauw te pakken. Soms kroop hij in een kippenhok. Twaalf kippen waren maar een hapje voor zijn grote maag. Stond er ergens een hok met konijnen buiten -- de wolf brak het open. De konijnen werden allemaal opgeslokt. Eens was er een kleine jongen te laat buiten. De wolf had hem bijna te pakken. De jongen had heel hard geschreeuwd. Er waren grote mensen gekomen. Daar moest de wolf niets van hebben. Hij ging op de vlucht. Iedereen was kwaad op hem. De mensen wilden hem vangen. Dan kon hij zijn straf krijgen. Maar hij was veel te slim. Het lukte nooit. Overdag liet hij zich nooit zien. Dan lag hij verborgen in zijn hol. Daar kon niemand hem vinden. Hij lag er nu ook weer. Maar het kostte hem moeite, om er in te blijven. Hij kon helemaal niet slapen. Hij had veel te veel honger. Al een paar nachten had hij niets te pakken kunnen krijgen. Hij moest veel te voorzichtig zijn. Die nare mensen. Ze loerden nu ook al in de nacht op hem! Hij verlangde naar een flinke hap eten. Hij rammelde van de honger. Hij werd er al mager van. Hè, als hij nu eens zo'n lekker groot schaap had! Met zijn lange, rode tong likte hij langs zijn bek. Hij proefde het al. Wat zou dat smaken! Durfde hij maar uit het hol gaan. Dan zou hij misschien wel wat vinden. Die nare mensen ook. Als die maar niet in het bos waren. Voorzichtig loerde hij eens door de struiken. Gauw trok hij zijn kop weer terug. Daar in de verre waren een paar houthakkers aan het werk. Die hadden van die lelijke bijlen en messen bij zich. Hu, hij rilde al, al hij daaraan dacht. Neen, hij moest maar stil in zijn hol blijven. Daar buiten was het voor hem niet veilig.
Roodkapje en de wolf.
De honger bleef de wolf plagen. Hij kon het haast niet meer uithouden. Opeens spitste hij zijn oren. Dicht bij zijn hol hoorde hij een geluid. Misschien was dat iets voor zijn maag. Even kijken. Voorzichtig keek zijn kop tussen de struiken door. Ha, daar vlak bij hem zat een haasje. Dat knabbelde aan malse blaadjes. Het beestje dacht niet aan gevaar. De blaadjes waren op. Het haasje wou wegspringen. Hap! Voor het wist, wat er gebeurde, zat het al in de maag van de wolf. Die kroop meteen weer gauw in zijn hol terug. Was zijn honger nu wat minder geworden? Helemaal niet. Het was juist, of die nog erger werd. Het haasje was maar een heel klein hapje voor hem geweest. Hij wou nu nog meer hebben. Veel meer. Om meer te krijgen, zou hij zijn hol uit moeten gaan. Zou hij dat durven wagen? Hij loerde nog eens naar alle kanten. Hij zag, dat de houthakkers met hun werk klaar waren. Ze pakten hun gereedschap op. Ze zouden wel naar huis gaan. Dat vond de wolf heel prettig. Hij wachtte nog even. De houthakkers waren nu nergens meer te zien. Nu ging hij het wagen. Hij kon het in zijn hol niet langer uithouden. Zijn honger werd te groot. Hij sloop er even uit. Meteen kroop hij er gauw weer in terug. Daar ginder tussen de bomen was iets te zien. Hij moest eerst weten, wat dat was. Er was misschien wel gevaar. Heel voorzichtig stak hij zijn kop weer tussen de struiken door. Zo kon hij net alles zien. Hij zag eerst een rood kapje. Onder dat kapje liep een klein meisje. Ze droeg een mandje aan haar arm. De lange tong van de wolf kwam uit zijn bek. Zijn grote tanden waren bloot. Zijn ogen glansden van plezier. Daar kwam het heerlijkste hapje zo maar naar hem toegewandeld. Wat zou dat smaken. Dat was een beter maal voor hem dan dat kleine haasje. Als hij haar in zijn maag had, zou zijn honger wel over zijn. Nog eens keek hij naar alle kanten rond. Gelukkig. Er waren nergens grote mensen te zien. In het bos was alleen het kleine meisje. Dat kwam al dichter en dichter bij. De struiken gingen uiteen. De wolf kwam te voorschijn. Hij nam eerst een paar grote sprongen. Hij wou gauw bij het meisje zijn. Maar hij bedacht zich. Het meisje mocht niet van hem schrikken. Want dan ging ze roepen en schreeuwen. Dat zouden de grote mensen kunnen horen. Die kwamen dan om haar te helpen. Dat mocht niet. Daarom wandelde hij rustig op haar toe.
Roodkapje is een beetje dom.
Zingend liep Roodkapje door het bos. Ze was zo blij dat ze naar grootmoe mocht. Wat was het heerlijk. Aan alle kanten zongen de vogeltjes. Eekhoorns klommen tegen de bomen. Vrolijk vlogen de mooie vlinders rond. Hier en daar gloeiden bloemen. Die bloemen had ze wel graag willen plukken. Gelukkig dacht ze, aan wat Moeder had gezegd. Nee, ze ging geen bloemen plukken. Ook geen vlinders nalopen. Ze ging recht door naar grootmoe. Wel, wie kwam daar zo parmantig aangewandeld? Toen hij dicht bij haar was, schrok Roodkapje van hem. Hij had een grote, ruige kop. Zijn bek was heel groot. Daarin zaten scherpe tanden. Dat zou de wolf toch niet zijn? Het was de wolf wel. Nu stond hij vlak voor Roodkapje. Wat zou hij haar graag opslokken. Zijn rode tong kwam al weer even uit zijn bek van plezier. Hij durfde haar echter nog geen kwaad doen. Ze keek wat angstig. Ze zou gauw gaan schreeuwen en roepen. Toch moest hij dit lekkere hapje hebben. Zijn maag rammelde hoe langer hoe meer. Hij zou eerst heel vriendelijk tegen haar zijn. Zijn stem mocht niet hard klinken. Daarom fluisterde hij: “Mag jij alleen door het bossen wandelen? Dan moet je wel een heel grote meid zijn. Kleine meisjes mogen dat niet. Waar ga je naar toe, lief meisje?" “Ik ga naar grootmoe. Die is jarig." "Wel, dat is prettig. Wat heb je daar in dat mooie mandje?" "Lekkere wafels. Die heeft moeder voor haar gebakken. En dit is een fles bessensap. Ik mag alles naar grootmoe brengen. Ze is ook een beetje ziek." "Woont die lieve grootmoe hier ver vandaan?" "Niet zo heel ver. Weet je, waar die grote put is? Daar staan ook een paar hoge eiken. Achter die eiken staat een klein huisje. Dat is van grootmoe." De wolf vroeg nog veel meer. Het domme Roodkapje vertelde hem alles. Ze dacht niet meer, aan wat moeder gezegd had. Zo hoorde de wolf, dat grootmoe geen buren had en dat ze alleen in haar huisje woonde.
Nog dommer.
Op het laatst zei de wolf: "Je hebt geen bloemen voor je grootmoeder. Dat is jammer." Dat vond Roodkapje ook. Grootmoeder hield zo veel van bloemen. De wolf keek rond en zei: "Er staan er hier overal. Als ik jou was, ging ik ze plukken." Dat leek Roodkapje erg aardig. Ze zou meteen maar beginnen. De wolf was in zijn schik. Hij had een mooi plannetje gemaakt. Dat domme meisje zou nu lang onderweg blijven. In die tijd kon hij naar het huisje van haar grootmoeder gaan. Die was helemaal alleen! Hij kon wel dansen van plezier, als hij daaraan dacht. In eens had hij haast, om weg te komen. Hij zei Roodkapje vriendelijk goeden dag. Die zette nu haar mandje op de grond. Ze ging bloemen voor grootmoe plukken. Eerst bleef ze in de buurt van haar mandje. Maar daar stonden er niet veel. Een eind je verder zag ze er veel meer. Die wou ze ook hebben. Op een bloem zat een bonte vlinder. Wat was die mooi! Roodkapje wou hem pakken. Mis. De vlinder zat al weer op een andere bloem, een heel eind verder. Roodkapje holde de vlinder achterna. Die vloog al verder en verder. Het leek wel, of ze samen krijgertje speelden. Eindelijk vloog de vlinder hoog in de lucht, Roodkapje bleef staan. Ineens dacht ze aan haar mandje. Waar was het? Ze zag het nergens. Had ze het niet bij de dikke boom neer gezet? Nee, het stond er niet. Ze ging overal zoeken. Zonder mandje kon ze niet bij grootmoe komen. Nu eens hep ze de ene kant uit. Dan weer de andere. Zo zocht ze wel een uur lang. Toen vond ze het eindelijk terug. Van al dat zoeken was ze heel moe geworden. Ze moest even uitrusten, Naast haar mandje ging ze op de grond zitten. Bijna viel ze in slaap. Opeens dacht ze aan wat Moeder gezegd had. En aan wat ze zelf beloofd had. Dadelijk stond ze op. Met haar mandje aan de arm ging ze verder. Ze was niet meer zo vrolijk, als ze geweest was. Zingen deed ze helemaal niet meer. Ze was zo moe. En het was nog een heel eind naar het huisje van grootmoe. Ze kwam maar langzaam vooruit.
Arme grootmoe.
In die tijd was de wolf vlug voortgelopen. Waarheen? Naar het huisje van grootmoe. Hij wist immers, waar dat lag. Roodkapje had het hem verteld. Hij nam grote stappen. Hij rende door de struiken of sprong er over heen. Toch kwam hij niet zo heel vlug vooruit. Soms stond hij stil. Hij haalde zijn neus op. Hij rook grote mensen. Dan moest hij een omweg maken. Hij was bang voor hen. Daar waren eindelijk de eiken. Daar was ook de put. Hij was terecht. Achter de eiken stond het huisje. De wolf ging er op af. Hij probeerde de deur open te duwen. Die was gesloten. Maar hij wist zeker, dat de oude vrouw binnen was. Hij zou er wel in komen. Met zijn zware poot tikte hij op de deur: “Klop, klop. Klop, klop." Er kwam niemand. Dat kon ook niet. De oude vrouw was ziek. Daarom was ze vroeg naar bed gegaan. Het kloppen had ze niet gehoord. Dan maar wat harder: “Klop, klop. Klop, klop." Een zachte stem vroeg: “Wie klopt daar?" De wolf probeerde met een vriendelijke stem te zeggen: "Ik ben het, grootmoe. Roodkapje. Ik kom u wafels en bessensap brengen. Die heeft moeder voor u gegeven." "Kom er dan maar in, liefje." "Dat kan ik niet, grootmoe. De deur is gesloten." “O ja, dat is waar ook. Ik was het vergeten. Zie je dat kleine touwtje hangen? Trek daar maar aan. Dan zal de deur wel opengaan." De wolf deed, wat de oude vrouw zei. De deur ging open. Meteen was de wolf in de kamer. In een hoek van de kamer stond het bed. Daar lag de oude vrouw onder de dekens. Ze had haar nachtmuts op. De wolf sprong op haar toe. Ze schrok zo, dat ze niet eens kon schreeuwen. Met een hap slokte de wolf haar naar binnen. Op het bed bleef alleen de witte nachtmuts liggen.
Roodkapje komt.
Na een poosje kwam Roodkapje bij het kleine huisje. Ze was erg moe. Haar voeten deden ook pijn. Wat zou ze heerlijk bij grootmoe uitrusten! Dorst had ze ook. Misschien mocht ze wel een heel klein beetje bessensap hebben. Och, wat jammer. De deur was gesloten. Ze riep, zo hard ze kon. Maar er kwam geen antwoord. Ze zette haar mandje op de grond. Met beide handjes duwde ze tegen de deur. Die bleef dicht. Toen ging ze met haar rug tegen de deur staan. Ze duwde, zo hard ze kon. Het gaf niets. De deur bleef dicht. Roodkapje wist raad. Met haar kleine handje ging het op de deur: "Klop, klop. Klop, klop." Ze drukte haar oor tegen de deur. Gelukkig. Ze hoorde de stem van grootmoe. Maar wat klonk die hees. Grootmoe was zeker verkouden. "Wie is daar?" "Ik ben het, grootmoe. Ik kom wafels brengen. En een fles bessensap. Maar ik kan er niet in. De deur wil niet open." "Zie je dat kleine touwtje hangen?" "Ja, grootmoe." "Trek maar aan dat touwtje. Dan zal de deur wel open gaan." Roodkapje trok. De deur ging open. Ze pakte haar mandje op en ging de kamer binnen. "Dag grootmoe." "Dag kind. Ik ben een beetje ziek. Kom maar bij mijn bed." Roodkapje zette haar mandje op tafel. Toen ging ze naar de hoek, waar het bed stond. Het was daar al wat donker. Daardoor kon ze grootmoe niet zo goed zien. Alleen de witte nachtmuts zag ze duidelijk. Daar lag dus die arme, zieke grootmoe.
Arm Roodkapje.
Dat dacht Roodkapje tenminste. Maar het was grootmoe niet. Het was de wolf. Die was in het bed van grootmoe gekropen. Haar witte nachtmuts had hij over zijn lelijke kop getrokken. Nu kon je die niet zo goed zien. Alleen zijn oren konden er niet in. Die waren te groot. Ze staken een eindje boven de muts uit. De dekens had hij tot aan zijn ogen opgetrokken. Hij zei: "Kom wat dichter bij me, liefje. Ik kan je niet zo goed zien. Het begint al wat donker te worden. En mijn ogen zijn niet zo best meer." Hij loerde even naar het kleine meisje. Och, wat verlangde hij naar dat lekkere hapje. Aan die oude vrouw had hij lang niet genoeg gehad. Roodkapje kwam vlak bij het bed staan. Wat zag grootmoe er vreemd uit. Roodkapje herkende haar bijna niet. Grootmoe moest wel heel ziek zijn. Ze zag de oren uit de nachtmuts steken. Verbaasd zei ze: "Grootmoe, wat hebt u lange oren." "Dat is om je beter te horen liefje." De kop van de wolf kwam een klein eindje boven de dekens. Toen zei Roodkapje: "Grootmoe, wat heeft u grote ogen." "Dat is om je beter te zien, liefje." Nu kwam de kop van de wolf helemaal boven de dekens. Verschrikt riep het meisje: “O grootmoe. Wat heeft u scherpe tanden.” "Dat is, om je beter op te kunnen eten." De wolf nam een grote sprong. Roodkapje kon zich niet bewegen van angst. Ze probeerde te roepen. De grote bek ging wijd open. Met een hap was het kleine meisje opgeslokt. Op de tafel stond het mandje met wafels er in. De slokop hapte ook nog maar even die heerlijke koeken op. Toen waggelde hij naar buiten. Op het bed lag alleen nog maar de witte muts van grootmoe. Op de grond lag het rode kapje van het kleine meisje.
De wolf krijgt zijn straf.
Nu had de slokop toch werkelijk genoeg gegeten. Zijn buik was dik en rond. Hij kon er haast niet van lopen. Na zo'n lekker maal wou hij wel wat uitrusten. Hij ging onder een eik liggen. Hè, wat was dat prettig. Hij strekte zijn grote poten recht uit. Zijn kop viel op zij. Even later snorkte hij. Hij sliep heel vast. Hij merkte niets van alles, wat er gebeurde. Dat was jammer voor hem. Nu zag hij niet, dat er twee mannen aan kwamen. Een jager en een houthakker. Toen de wolf door het bos liep dacht hij, dat niemand hem zag. Dat was mis geweest. Een jager had hem gezien. Maar hij was te ver van de wolf af. Daardoor kon hij hem niet dood schieten. De jager kwam in het bos een houthakker tegen. Hij vertelde hem, dat hij de wolf had zien lopen. Toen gingen de twee mannen hem samen zoeken. Ze kwamen ook in de buurt van het huisje. Ze wilden aan de oude vrouw gaan vragen, of die wolf soms had gezien. Wat schrokken ze, toen ze binnen kwamen! De vrouw was er niet. Ze zagen alleen de witte nachtmuts en het rode kapje liggen. Ze begrepen, dat de wolf hier geweest was. En dat die de oude vrouw en Roodkapje had opgegeten. Ze dachten, dat hij dan nog wel in de buurt zou zijn. Ze zochten vlak bij het huisje. Lang hoefden ze niet te zoeken. Ze hoorden een zwaar gesnork. Ze meenden, dat er wat onder een eikeboom lag. Voorzichtig slopen ze dichterbij. Daar lag de wolf. Hij was diep in slaap. Wat had dat beest al een kwaad gedaan! En nu had hij weer die oude vrouw en dat kleine meisje opgegeten. Daar moest de lelijkerd dan maar voor gestraft worden. De jager nam zijn geweer. Hij mikte even. Poef! De wolf was dood.
Het is feest.
Ja, nu was de wolf dood. Maar wat was dat? Zijn dikke buik ging op en neer. Zou er nog iemand leven? Vlug nam de houthakker zijn groot mes. Voorzichtig sneed hij de buik van de wolf open. En ja, daar hupte Roodkapje te voorschijn. Maar haar kapje had ze niet op. Hu, wat was het daar binnen donker geweest. Wat had ze een angst gehad! Ze was blij, dat ze weer in de frisse lucht stond. Toen kwam grootmoeder aan de beurt. Die moest door de mannen geholpen worden. Ze kon niet meer lopen. Ze was immers al een beetje ziek. Toen was ze zo erg van de wolf geschrokken. En nu had ze nog zo'n tijd in dat donkere hol gezeten. De twee mannen brachten haar naar het huisje. Ze legden haar op bed. Maar ze vonden toch, dat ze niet alleen moest blijven. Daarom ging de jager naar het dorp om een rijtuig. Daarmee zouden ze haar naar het huis van haar dochter brengen. Gelukkig stond de fles bessensap nog op tafel. Grootmoe kreeg er een glaasje van. Ze knapte er heus wat van op. Maar ze lag toch nog te trillen van angst. Roodkapje stond bij haar bed. Het kleine meisje schaamde zich. Ze begreep heel goed, dat alles een beetje haar schuld was. Had ze maar beter naar Moeder geluisterd. Wat zou die wel zeggen? Ja, Moeder zei niet veel. Ze zag wel, dat Roodkapje spijt had. Daarom wou ze niet boos op haar zijn. En ze was ook te blij om boos te zijn. Grootmoeder en Roodkapje waren immers toch nog gered. Ze was ook blij, dat de wolf dood was. Daar waren al de mensen van het dorp blij om. Die lelijkerd kon nu geen kwaad meer doen. Geen schapen en kippen stelen en -- geen kleine kinderen en oude mensen meer opeten. Daarom werd er overal feestgevierd. Alle mensen aten wafels en dronken bessensap.
En de kinderen zongen:
“De wolf is dood: de wolf is dood.
We krijgen nu geen pap.
We eten alle wafels op
En drinken bessensap."
Er was eens een aardig klein meisje. Ze had een oude, lieve grootmoeder. Die hield veel van haar kleinkind. Dikwijls kwam ze op bezoek. Dan bracht ze altijd wat voor haar mee. Soms een appel, soms een lekkere koek. Ook wel eens een stuk speelgoed. Ze wist altijd iets te vinden, waar het kleine meisje blij mee was. Eens zag grootmoeder in een winkel een lapje rood fluweel. Ze dacht: "Dat moet ik kopen. Ik maak er een mutsje van. Wat zal dat aardig staan op het kleine krullekopje." Op haar jaardag kreeg het kleine meisje het rode kapje. Wat was ze er blij mee! Het liefst wou ze het alle dagen op hebben. Eens wou ze het zelfs mee naar bed nemen. Natuurlijk kon dat niet. Daar was het veel te mooi voor. Alleen als ze uitging, mocht het op. De mensen op straat zagen het kleine meisje met het rode kapje. Wat stond het haar lief! Ze wisten niet, hoe ze heette. Daarom noemden ze haar: het kleine meisje met het rode kapje. Maar die naam was veel te lang. Ze maakten er liever Roodkapje van. Dat klonk zo aardig. Ieder noemde haar nu zo. Roodkapje zag er heel lief uit. Ze leek wel een frisse rozeknop uit de tuin. Haar hartje was gelukkig ook lief. Altijd was ze vrolijk. Kibbelen met andere kinderen deed ze haast nooit. Ondeugend was ze zelden. Een ding was heel jammer. Roodkapje vergat dikwijls wat. Moeder kon haar moeilijk om een boodschap sturen. Altijd moest ze zeggen: “Kind, denk er om. Dadelijk terugkomen. Ik zit er op te wachten." En als dat nu maar geholpen had! Maar het gaf niets. Roodkapje beloofde wel altijd te doen wat Moeder vroeg. Natuurlijk. Ze hield zo veel van haar. Vrolijk huppelde ze weg. Ze wou regelrecht naar de winkel. En dan dadelijk met de boodschap naar huis. Maar och, er was op straat zo veel te zien. Soms waren er honden aan het vechten. Daar moest Roodkapje toch even naar kijken. Ze vergat, om naar de winkel te gaan. Soms kwam ze andere kinderen tegen. Daar ging ze mee spelen. Ze vergat helemaal, dat Moeder op haar zat te wachten. Zo kwam Roodkapje veel te laat met haar boodschap bij moeder. Die was dan soms heel verdrietig. En het kleine meisje had er echt spijt van. Ze dacht: “Ik zal in het vervolg wel beter oppassen." Maar ze paste niet beter op.
Naar Grootmoeder.
Op een dag zei de moeder van Roodkapje: “Kind, vandaag is grootmoe jarig. Ik kan niet naar haar toe. Dat is heel jammer. Ze is al in een hele tijd niet hier geweest. Ik ben erg bang, dat ze ziek geworden is. Ik heb wat wafels voor haar gebakken. Daar houdt ze veel van. Ik zal ook een fles bessensap aan haar sturen. Bessensap is goed voor zieke mensen. Jij mag het haar gaan brengen. Dat kun je best. Je bent al een grote meid. Grootmoe zal blij zijn, dat je komt.
Het is nog vroeg in de morgen. Daardoor is het licht in het bos. Anders zou ik je niet alleen durven laten gaan. Soms loopt er een wolf rond. Die eet kleine kinderen op. Als het licht is, durft hij ze geen kwaad te doen. Dan kunnen de grote mensen hem zien. Vooral voor mannen is hij erg bang. Loop vlug door, mijn kind. Blijf nergens staan. Ga niet van de grote weg af. Ga ook geen bloemen plukken. Je kunt een poosje bij grootmoe blijven. Die zal wel op de klok letten. Want voor het donker is, moet je weer terug zijn." Roodkapje danste van plezier. Ze mocht alleen naar grootmoe. Dat was nog nooit gebeurd. Wat zou grootmoe opkijken. Die zou haar zeker een heel grote meid vinden! Ze kleedde zich aan. Natuurlijk moest het rode kapje op. Toen stapte ze de deur uit. Aan haar arm droeg ze een klein mandje. Onder een witte doek zat een schaaltje met wafels. De kop van een fles bessensap keek boven de rand uit. Ze draaide zich nog eens om naar moeder. Die stond haar bij de deur na te kijken. Vrolijk zwaaide ze met haar handje: "Dag Moeder." "Dag kind. Denk er om, dat je vlug doorloopt. Niet van het grote pad gaan. Geen bloemen plukken. Niet spelen onderweg." "Ik ga regelrecht naar grootmoe, Moes."
Het hol van de wolf.
In het bos was een groot hol. Niemand kon het zien. Voor de ingang groeiden struiken met veel bladeren. In dat hol woonde de wolf. Als het dag was, lag hij daar te slapen. Maar in de nacht .... Dan kwam hij te voorschijn. Hij ging op roof uit. Liep er ergens een schaap in de wei -- hij had het gauw te pakken. Soms kroop hij in een kippenhok. Twaalf kippen waren maar een hapje voor zijn grote maag. Stond er ergens een hok met konijnen buiten -- de wolf brak het open. De konijnen werden allemaal opgeslokt. Eens was er een kleine jongen te laat buiten. De wolf had hem bijna te pakken. De jongen had heel hard geschreeuwd. Er waren grote mensen gekomen. Daar moest de wolf niets van hebben. Hij ging op de vlucht. Iedereen was kwaad op hem. De mensen wilden hem vangen. Dan kon hij zijn straf krijgen. Maar hij was veel te slim. Het lukte nooit. Overdag liet hij zich nooit zien. Dan lag hij verborgen in zijn hol. Daar kon niemand hem vinden. Hij lag er nu ook weer. Maar het kostte hem moeite, om er in te blijven. Hij kon helemaal niet slapen. Hij had veel te veel honger. Al een paar nachten had hij niets te pakken kunnen krijgen. Hij moest veel te voorzichtig zijn. Die nare mensen. Ze loerden nu ook al in de nacht op hem! Hij verlangde naar een flinke hap eten. Hij rammelde van de honger. Hij werd er al mager van. Hè, als hij nu eens zo'n lekker groot schaap had! Met zijn lange, rode tong likte hij langs zijn bek. Hij proefde het al. Wat zou dat smaken! Durfde hij maar uit het hol gaan. Dan zou hij misschien wel wat vinden. Die nare mensen ook. Als die maar niet in het bos waren. Voorzichtig loerde hij eens door de struiken. Gauw trok hij zijn kop weer terug. Daar in de verre waren een paar houthakkers aan het werk. Die hadden van die lelijke bijlen en messen bij zich. Hu, hij rilde al, al hij daaraan dacht. Neen, hij moest maar stil in zijn hol blijven. Daar buiten was het voor hem niet veilig.
Roodkapje en de wolf.
De honger bleef de wolf plagen. Hij kon het haast niet meer uithouden. Opeens spitste hij zijn oren. Dicht bij zijn hol hoorde hij een geluid. Misschien was dat iets voor zijn maag. Even kijken. Voorzichtig keek zijn kop tussen de struiken door. Ha, daar vlak bij hem zat een haasje. Dat knabbelde aan malse blaadjes. Het beestje dacht niet aan gevaar. De blaadjes waren op. Het haasje wou wegspringen. Hap! Voor het wist, wat er gebeurde, zat het al in de maag van de wolf. Die kroop meteen weer gauw in zijn hol terug. Was zijn honger nu wat minder geworden? Helemaal niet. Het was juist, of die nog erger werd. Het haasje was maar een heel klein hapje voor hem geweest. Hij wou nu nog meer hebben. Veel meer. Om meer te krijgen, zou hij zijn hol uit moeten gaan. Zou hij dat durven wagen? Hij loerde nog eens naar alle kanten. Hij zag, dat de houthakkers met hun werk klaar waren. Ze pakten hun gereedschap op. Ze zouden wel naar huis gaan. Dat vond de wolf heel prettig. Hij wachtte nog even. De houthakkers waren nu nergens meer te zien. Nu ging hij het wagen. Hij kon het in zijn hol niet langer uithouden. Zijn honger werd te groot. Hij sloop er even uit. Meteen kroop hij er gauw weer in terug. Daar ginder tussen de bomen was iets te zien. Hij moest eerst weten, wat dat was. Er was misschien wel gevaar. Heel voorzichtig stak hij zijn kop weer tussen de struiken door. Zo kon hij net alles zien. Hij zag eerst een rood kapje. Onder dat kapje liep een klein meisje. Ze droeg een mandje aan haar arm. De lange tong van de wolf kwam uit zijn bek. Zijn grote tanden waren bloot. Zijn ogen glansden van plezier. Daar kwam het heerlijkste hapje zo maar naar hem toegewandeld. Wat zou dat smaken. Dat was een beter maal voor hem dan dat kleine haasje. Als hij haar in zijn maag had, zou zijn honger wel over zijn. Nog eens keek hij naar alle kanten rond. Gelukkig. Er waren nergens grote mensen te zien. In het bos was alleen het kleine meisje. Dat kwam al dichter en dichter bij. De struiken gingen uiteen. De wolf kwam te voorschijn. Hij nam eerst een paar grote sprongen. Hij wou gauw bij het meisje zijn. Maar hij bedacht zich. Het meisje mocht niet van hem schrikken. Want dan ging ze roepen en schreeuwen. Dat zouden de grote mensen kunnen horen. Die kwamen dan om haar te helpen. Dat mocht niet. Daarom wandelde hij rustig op haar toe.
Roodkapje is een beetje dom.
Zingend liep Roodkapje door het bos. Ze was zo blij dat ze naar grootmoe mocht. Wat was het heerlijk. Aan alle kanten zongen de vogeltjes. Eekhoorns klommen tegen de bomen. Vrolijk vlogen de mooie vlinders rond. Hier en daar gloeiden bloemen. Die bloemen had ze wel graag willen plukken. Gelukkig dacht ze, aan wat Moeder had gezegd. Nee, ze ging geen bloemen plukken. Ook geen vlinders nalopen. Ze ging recht door naar grootmoe. Wel, wie kwam daar zo parmantig aangewandeld? Toen hij dicht bij haar was, schrok Roodkapje van hem. Hij had een grote, ruige kop. Zijn bek was heel groot. Daarin zaten scherpe tanden. Dat zou de wolf toch niet zijn? Het was de wolf wel. Nu stond hij vlak voor Roodkapje. Wat zou hij haar graag opslokken. Zijn rode tong kwam al weer even uit zijn bek van plezier. Hij durfde haar echter nog geen kwaad doen. Ze keek wat angstig. Ze zou gauw gaan schreeuwen en roepen. Toch moest hij dit lekkere hapje hebben. Zijn maag rammelde hoe langer hoe meer. Hij zou eerst heel vriendelijk tegen haar zijn. Zijn stem mocht niet hard klinken. Daarom fluisterde hij: “Mag jij alleen door het bossen wandelen? Dan moet je wel een heel grote meid zijn. Kleine meisjes mogen dat niet. Waar ga je naar toe, lief meisje?" “Ik ga naar grootmoe. Die is jarig." "Wel, dat is prettig. Wat heb je daar in dat mooie mandje?" "Lekkere wafels. Die heeft moeder voor haar gebakken. En dit is een fles bessensap. Ik mag alles naar grootmoe brengen. Ze is ook een beetje ziek." "Woont die lieve grootmoe hier ver vandaan?" "Niet zo heel ver. Weet je, waar die grote put is? Daar staan ook een paar hoge eiken. Achter die eiken staat een klein huisje. Dat is van grootmoe." De wolf vroeg nog veel meer. Het domme Roodkapje vertelde hem alles. Ze dacht niet meer, aan wat moeder gezegd had. Zo hoorde de wolf, dat grootmoe geen buren had en dat ze alleen in haar huisje woonde.
Nog dommer.
Op het laatst zei de wolf: "Je hebt geen bloemen voor je grootmoeder. Dat is jammer." Dat vond Roodkapje ook. Grootmoeder hield zo veel van bloemen. De wolf keek rond en zei: "Er staan er hier overal. Als ik jou was, ging ik ze plukken." Dat leek Roodkapje erg aardig. Ze zou meteen maar beginnen. De wolf was in zijn schik. Hij had een mooi plannetje gemaakt. Dat domme meisje zou nu lang onderweg blijven. In die tijd kon hij naar het huisje van haar grootmoeder gaan. Die was helemaal alleen! Hij kon wel dansen van plezier, als hij daaraan dacht. In eens had hij haast, om weg te komen. Hij zei Roodkapje vriendelijk goeden dag. Die zette nu haar mandje op de grond. Ze ging bloemen voor grootmoe plukken. Eerst bleef ze in de buurt van haar mandje. Maar daar stonden er niet veel. Een eind je verder zag ze er veel meer. Die wou ze ook hebben. Op een bloem zat een bonte vlinder. Wat was die mooi! Roodkapje wou hem pakken. Mis. De vlinder zat al weer op een andere bloem, een heel eind verder. Roodkapje holde de vlinder achterna. Die vloog al verder en verder. Het leek wel, of ze samen krijgertje speelden. Eindelijk vloog de vlinder hoog in de lucht, Roodkapje bleef staan. Ineens dacht ze aan haar mandje. Waar was het? Ze zag het nergens. Had ze het niet bij de dikke boom neer gezet? Nee, het stond er niet. Ze ging overal zoeken. Zonder mandje kon ze niet bij grootmoe komen. Nu eens hep ze de ene kant uit. Dan weer de andere. Zo zocht ze wel een uur lang. Toen vond ze het eindelijk terug. Van al dat zoeken was ze heel moe geworden. Ze moest even uitrusten, Naast haar mandje ging ze op de grond zitten. Bijna viel ze in slaap. Opeens dacht ze aan wat Moeder gezegd had. En aan wat ze zelf beloofd had. Dadelijk stond ze op. Met haar mandje aan de arm ging ze verder. Ze was niet meer zo vrolijk, als ze geweest was. Zingen deed ze helemaal niet meer. Ze was zo moe. En het was nog een heel eind naar het huisje van grootmoe. Ze kwam maar langzaam vooruit.
Arme grootmoe.
In die tijd was de wolf vlug voortgelopen. Waarheen? Naar het huisje van grootmoe. Hij wist immers, waar dat lag. Roodkapje had het hem verteld. Hij nam grote stappen. Hij rende door de struiken of sprong er over heen. Toch kwam hij niet zo heel vlug vooruit. Soms stond hij stil. Hij haalde zijn neus op. Hij rook grote mensen. Dan moest hij een omweg maken. Hij was bang voor hen. Daar waren eindelijk de eiken. Daar was ook de put. Hij was terecht. Achter de eiken stond het huisje. De wolf ging er op af. Hij probeerde de deur open te duwen. Die was gesloten. Maar hij wist zeker, dat de oude vrouw binnen was. Hij zou er wel in komen. Met zijn zware poot tikte hij op de deur: “Klop, klop. Klop, klop." Er kwam niemand. Dat kon ook niet. De oude vrouw was ziek. Daarom was ze vroeg naar bed gegaan. Het kloppen had ze niet gehoord. Dan maar wat harder: “Klop, klop. Klop, klop." Een zachte stem vroeg: “Wie klopt daar?" De wolf probeerde met een vriendelijke stem te zeggen: "Ik ben het, grootmoe. Roodkapje. Ik kom u wafels en bessensap brengen. Die heeft moeder voor u gegeven." "Kom er dan maar in, liefje." "Dat kan ik niet, grootmoe. De deur is gesloten." “O ja, dat is waar ook. Ik was het vergeten. Zie je dat kleine touwtje hangen? Trek daar maar aan. Dan zal de deur wel opengaan." De wolf deed, wat de oude vrouw zei. De deur ging open. Meteen was de wolf in de kamer. In een hoek van de kamer stond het bed. Daar lag de oude vrouw onder de dekens. Ze had haar nachtmuts op. De wolf sprong op haar toe. Ze schrok zo, dat ze niet eens kon schreeuwen. Met een hap slokte de wolf haar naar binnen. Op het bed bleef alleen de witte nachtmuts liggen.
Roodkapje komt.
Na een poosje kwam Roodkapje bij het kleine huisje. Ze was erg moe. Haar voeten deden ook pijn. Wat zou ze heerlijk bij grootmoe uitrusten! Dorst had ze ook. Misschien mocht ze wel een heel klein beetje bessensap hebben. Och, wat jammer. De deur was gesloten. Ze riep, zo hard ze kon. Maar er kwam geen antwoord. Ze zette haar mandje op de grond. Met beide handjes duwde ze tegen de deur. Die bleef dicht. Toen ging ze met haar rug tegen de deur staan. Ze duwde, zo hard ze kon. Het gaf niets. De deur bleef dicht. Roodkapje wist raad. Met haar kleine handje ging het op de deur: "Klop, klop. Klop, klop." Ze drukte haar oor tegen de deur. Gelukkig. Ze hoorde de stem van grootmoe. Maar wat klonk die hees. Grootmoe was zeker verkouden. "Wie is daar?" "Ik ben het, grootmoe. Ik kom wafels brengen. En een fles bessensap. Maar ik kan er niet in. De deur wil niet open." "Zie je dat kleine touwtje hangen?" "Ja, grootmoe." "Trek maar aan dat touwtje. Dan zal de deur wel open gaan." Roodkapje trok. De deur ging open. Ze pakte haar mandje op en ging de kamer binnen. "Dag grootmoe." "Dag kind. Ik ben een beetje ziek. Kom maar bij mijn bed." Roodkapje zette haar mandje op tafel. Toen ging ze naar de hoek, waar het bed stond. Het was daar al wat donker. Daardoor kon ze grootmoe niet zo goed zien. Alleen de witte nachtmuts zag ze duidelijk. Daar lag dus die arme, zieke grootmoe.
Arm Roodkapje.
Dat dacht Roodkapje tenminste. Maar het was grootmoe niet. Het was de wolf. Die was in het bed van grootmoe gekropen. Haar witte nachtmuts had hij over zijn lelijke kop getrokken. Nu kon je die niet zo goed zien. Alleen zijn oren konden er niet in. Die waren te groot. Ze staken een eindje boven de muts uit. De dekens had hij tot aan zijn ogen opgetrokken. Hij zei: "Kom wat dichter bij me, liefje. Ik kan je niet zo goed zien. Het begint al wat donker te worden. En mijn ogen zijn niet zo best meer." Hij loerde even naar het kleine meisje. Och, wat verlangde hij naar dat lekkere hapje. Aan die oude vrouw had hij lang niet genoeg gehad. Roodkapje kwam vlak bij het bed staan. Wat zag grootmoe er vreemd uit. Roodkapje herkende haar bijna niet. Grootmoe moest wel heel ziek zijn. Ze zag de oren uit de nachtmuts steken. Verbaasd zei ze: "Grootmoe, wat hebt u lange oren." "Dat is om je beter te horen liefje." De kop van de wolf kwam een klein eindje boven de dekens. Toen zei Roodkapje: "Grootmoe, wat heeft u grote ogen." "Dat is om je beter te zien, liefje." Nu kwam de kop van de wolf helemaal boven de dekens. Verschrikt riep het meisje: “O grootmoe. Wat heeft u scherpe tanden.” "Dat is, om je beter op te kunnen eten." De wolf nam een grote sprong. Roodkapje kon zich niet bewegen van angst. Ze probeerde te roepen. De grote bek ging wijd open. Met een hap was het kleine meisje opgeslokt. Op de tafel stond het mandje met wafels er in. De slokop hapte ook nog maar even die heerlijke koeken op. Toen waggelde hij naar buiten. Op het bed lag alleen nog maar de witte muts van grootmoe. Op de grond lag het rode kapje van het kleine meisje.
De wolf krijgt zijn straf.
Nu had de slokop toch werkelijk genoeg gegeten. Zijn buik was dik en rond. Hij kon er haast niet van lopen. Na zo'n lekker maal wou hij wel wat uitrusten. Hij ging onder een eik liggen. Hè, wat was dat prettig. Hij strekte zijn grote poten recht uit. Zijn kop viel op zij. Even later snorkte hij. Hij sliep heel vast. Hij merkte niets van alles, wat er gebeurde. Dat was jammer voor hem. Nu zag hij niet, dat er twee mannen aan kwamen. Een jager en een houthakker. Toen de wolf door het bos liep dacht hij, dat niemand hem zag. Dat was mis geweest. Een jager had hem gezien. Maar hij was te ver van de wolf af. Daardoor kon hij hem niet dood schieten. De jager kwam in het bos een houthakker tegen. Hij vertelde hem, dat hij de wolf had zien lopen. Toen gingen de twee mannen hem samen zoeken. Ze kwamen ook in de buurt van het huisje. Ze wilden aan de oude vrouw gaan vragen, of die wolf soms had gezien. Wat schrokken ze, toen ze binnen kwamen! De vrouw was er niet. Ze zagen alleen de witte nachtmuts en het rode kapje liggen. Ze begrepen, dat de wolf hier geweest was. En dat die de oude vrouw en Roodkapje had opgegeten. Ze dachten, dat hij dan nog wel in de buurt zou zijn. Ze zochten vlak bij het huisje. Lang hoefden ze niet te zoeken. Ze hoorden een zwaar gesnork. Ze meenden, dat er wat onder een eikeboom lag. Voorzichtig slopen ze dichterbij. Daar lag de wolf. Hij was diep in slaap. Wat had dat beest al een kwaad gedaan! En nu had hij weer die oude vrouw en dat kleine meisje opgegeten. Daar moest de lelijkerd dan maar voor gestraft worden. De jager nam zijn geweer. Hij mikte even. Poef! De wolf was dood.
Het is feest.
Ja, nu was de wolf dood. Maar wat was dat? Zijn dikke buik ging op en neer. Zou er nog iemand leven? Vlug nam de houthakker zijn groot mes. Voorzichtig sneed hij de buik van de wolf open. En ja, daar hupte Roodkapje te voorschijn. Maar haar kapje had ze niet op. Hu, wat was het daar binnen donker geweest. Wat had ze een angst gehad! Ze was blij, dat ze weer in de frisse lucht stond. Toen kwam grootmoeder aan de beurt. Die moest door de mannen geholpen worden. Ze kon niet meer lopen. Ze was immers al een beetje ziek. Toen was ze zo erg van de wolf geschrokken. En nu had ze nog zo'n tijd in dat donkere hol gezeten. De twee mannen brachten haar naar het huisje. Ze legden haar op bed. Maar ze vonden toch, dat ze niet alleen moest blijven. Daarom ging de jager naar het dorp om een rijtuig. Daarmee zouden ze haar naar het huis van haar dochter brengen. Gelukkig stond de fles bessensap nog op tafel. Grootmoe kreeg er een glaasje van. Ze knapte er heus wat van op. Maar ze lag toch nog te trillen van angst. Roodkapje stond bij haar bed. Het kleine meisje schaamde zich. Ze begreep heel goed, dat alles een beetje haar schuld was. Had ze maar beter naar Moeder geluisterd. Wat zou die wel zeggen? Ja, Moeder zei niet veel. Ze zag wel, dat Roodkapje spijt had. Daarom wou ze niet boos op haar zijn. En ze was ook te blij om boos te zijn. Grootmoeder en Roodkapje waren immers toch nog gered. Ze was ook blij, dat de wolf dood was. Daar waren al de mensen van het dorp blij om. Die lelijkerd kon nu geen kwaad meer doen. Geen schapen en kippen stelen en -- geen kleine kinderen en oude mensen meer opeten. Daarom werd er overal feestgevierd. Alle mensen aten wafels en dronken bessensap.
En de kinderen zongen:
“De wolf is dood: de wolf is dood.
We krijgen nu geen pap.
We eten alle wafels op
En drinken bessensap."
Onderwerp
ATU 0333 - Little Red Riding Hood   
AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   
Beschrijving
Roodkapje vergeet vaak wat moeder heeft gevraagd, ook dat in het bos een wolf loopt die kleine kinderen opeet. Ze belooft moeder om regelrecht naar grootmoeder te gaan, maar onderweg vertelt ze de wolf dat ze naar grootmoeder gaat, waar die woont, en laat zich door de wolf verleiden om bloemen te plukken. De wolf gaat naar grootmoeders huis, klopt aan, doet de stem van Roodkapje na, komt binnen, eet grootmoeder op, zet haar nachtmuts op en gaat in haar bed liggen. Roodkapje verbaast zich over de lange oren, grote ogen en scherpe tanden van grootmoeder, waarna de wolf haar opeet. Een jager en houthakker die op zoek zijn naar de wolf, vinden hem slapend. De jager schiet hem dood, de houthakker snijdt zijn buik open, waar Roodkapje en grootmoeder uit komen. Moeder straft Roodkapje niet, ze ziet dat ze spijt heeft, en ze zijn gered. Het hele dorp viert dat de wolf dood is.
Bron
Angenita C. Klooster. Roodkapje. Alkmaar: Kluitman, [1950]
KB: KW Kluitman 43
Collectie Roodkapje/Karsdorp
KB: KW Kluitman 43
Collectie Roodkapje/Karsdorp
Motief
J21.5 - ”Do not leave the highway“:   
K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   
B211.2.4 - Speaking wolf.   
Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   
Commentaar
Naar Grimm
Ills Nans van Leeuwen
Ills Nans van Leeuwen
Naam Overig in Tekst
Roodkapje   
Datum Invoer
2019-03-18
