Hoofdtekst
Da was in Genderen, daar woonde iemand die wolven kon. Dat zak oe vertellen. Hij had verkering met een meiske ok uit Genderen. Op een avond gingen ze buiten, onderweg. Hij zegt tegen haar: "Ga maar door, ik moet eerst een plasje doen". Zij liep een ientje door en ze wachtte op 'm. Nou had zij een zakdoekje in d'r hand met een rood randje d'r om. Daar was opeens een grote hond voor d'r en die greep da zakdoe1ge uit d'r hand. Da meiske was erg geschrokken. Even later kwam hij d'r an. Ze zei: "Heb gij die hond ok gezien?" Maar hij zei: "Nee, dat zal goe wel verbeeld hebbe" . Ze zei: "Hij heb m'n zakdoek mee!" Toen gingen ze weer verder, maar toen ze bij de mensen binnenkwamen in het licht van de lamp, ze hadden toen even zitten práten en zij lachte ergens om en hij lachte mee. Toen zag da meiske de rooie drade van d'r zakdoek tussen z'n tande zitten. Ze heb de verkering maar gauw uitgemaakt!
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
SINSAG 0804 - Werwolf nimmt viele Gestalten an.   
Beschrijving
Een meisje ging uit met een jongen. Zij werd alleen gelaten en aangevallen door een hond. Die hond beet haar zakdoek, later toen zij de jongen weer tegenkwam had hij stukjes zakdoek tussen zijn tanden zitten.
Bron
Kooijman, Henk: Volksverhalen uit het grensgebied van Zuid-Holland, Utrecht, Gelderland en Noord-Brabant. Amsterdam 1988. p. 257-258.
Motief
D113.1.1 - Werwolf.   
H64.1 - Recognition of disenchanted person by thread in his teeth.   
Naam Locatie in Tekst
Genderen   
Plaats van Handelen
Genderen   
