Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ROODKAPJE199 - Roodkapje

Een sprookje (boek), 1956

Hoofdtekst

Met kleine huppelende pasjes lopen Hanneke en Janneke over het groene grindpad en zingen luid en vrolijk:
<p>"Onder moeders paraplu, Liepen eens twee kindjes ...."</p>
<p>Ja, daar lopen de twee dikke vriendjes, met Moeders paraplu in de hand. Ze hoeven haar niet op te steken, want het regent helemaal niet. Integendeel; de zon staat goudgeel en stralend aan de prachtige blauwe hemel. De koolmeesjes en schoenlappertjes fladderen lachend om hun hoofdjes en roepen: "Wat fijn, hè, al die zon! Dat doet ons vlindertjes goed." Maar Hanneke en Janneke horen hen niet; ze beginnen juist aan een nieuw coupletje:</p>
<p>"Toen kwam Jan de Wind er bij,
Die blies eerst heel zoetjes.
Toen al harder, harder maar,
De regen in hun snoetjes ...."</p>
<p>"Ik heb honger," zegt Janneke opeens. "Jij ook?" "Nou en of! Ik zou best heel dikke spekpannekoeken lusten en een groot glas limonade. Maar hoe komen we aan pannekoeken?" Nog vóór Janneke antwoord kan geven op die vraag, horen ze achter zich vlugge trippelpasjes.
<p>"Kijk eens!" roept Hanneke, terwijl ze omkijkt. "Kijk eens, wat een leuk meisje.... En wat ziet ze er schattig uit!" "Dag," zegt het meisje, als ze de vrindjes heeft ingehaald. "Ik ben Roodkapje. Wie ben jij? En jij?" Ik ben Janneke…. en dit is ….” "Hanneke," vult het meisje aan. "Waar ga je naar toe, Roodkapje?" "Ik ga naar mijn grootmoeder; die is ziek, weet je. Ze woont een heel eind het bos in en heeft niemand die voor haar zorgt. Ik ga haar medicijnen en eten brengen." Roodkapje heeft een rood manteltje aan en op haar blonde krullen draagt ze een aardig, rood kapje. Vol bewondering kijken Hanneke en Janneke haar aan. "Mogen we met je mee gaan? En zullen we vriendjes worden, Roodkapje?" "Nou, wat graag!” roept Roodkapje uit en gaat tussen het tweetal inlopen. "Zullen we dan met ons drietjes zingen?" "Ken jij dit liedje dan óók?" vraagt Janneke verwonderd. "Natuurlijk. Dat kennen toch àlle kinderen ...... " Wel, voor deze speciale gelegenheid zal Hanneke tòch de paraplu maar opsteken. Roodkapje mag haar vasthouden en de beide anderen slaan een arm om de schouders van het meisje. En daar stappen ze. “Je kunt er zo fijn op marcheren," vindt Janneke.</p>
<p>“ .... en ze riepen blij van hi ha hi, En ze riepen: Jan je krijgt hem nie',
't Is Moeders paraplu,
't Is Moedere paraplu….”</p>
<p>Maar wat is dàt? Wie komt daar zo hard aanvliegen? Het is de oudste vogel van het bos, de grote, wijze uil. Vlak boven hun hoofd houdt hij in en strijkt neer op een tak vlak boven hen. "Kinderen," zegt hij, terwijl hij ernstig zijn keel schraapt, "kinderen, ik kom jullie waarschuwen. Jullie moeten héél voor zichtig zijn, want er dreigt jullie een groot gevaar, hm, hm ...... Ik vloog daar juist naar huis en zag de schrik van het hele bos, de boze wolf, rondsluipen. Hij keek zó boosaardig en snuffelde zó wild in het rond, dat ik dacht: als hier geen mensenkinderen lopen mag ik een kanarie worden! Hm, hm," schraapt hij weer en gaat dan verder: "Ik heb toen een paar maal in het rond gevlogen en zie, daar zag ik jullie plotseling lopen. Je moet een andere weg nemen. Ik zal jullie een eindje wegbrengen. Jij gaat naar je grootmoeder, is het niet?" vraagt hij aan Roodkapje." Ja, meneer Uil. Maar hoe kunt u dat nu weten ?" "Ik ben de oudste en wijste van het hele bos en weet àlles !"</p>
<p>Van dit verhaal is het drietal toch wel geschrokken; Hanneke ziet er helemaal wit van. "Wees maar niet bang, meisje, ik breng jullie op de goede weg. Kom maar mee," zegt de uil. Hij wipt van de boomtak af en hipt dan kwiek voor de kinderen uit. "Hm, hm!" zegt hij steeds maar. "Ik zou jullie wel helemaal willen brengen, maar mijn vrouw is ziek en nu moet ík de kleinkinderen van school halen. In ieder geval moeten jullie voorzichtig zijn. Hm ...." Hanneke is wel een beetje bang, maar Janneke slaat, als een echt grote man, zijn arm om haar schouder en zegt: "Niet bang zijn, Han! En jij ook niet, hoor Roodkapje. Ik zal goed op jullie passen." En warempel, de beide meisjes lachen al weer een beetje. "Zou de wolf ons hier niet kunnen vinden, meneer Uil?" wil Hanneke weten. "Dat denk ik niet, kinderen, dat denk ik niet. Hij is een heel andere kant uit. Maar nogmaals ...... wees voorzichtig. En nu......" de uil schraapt nòg eens, " ...... nu moet ik weer terug en meteen draait hij zich om. "Dank u wel, meneer Uil," roepen ze alle drie, "hartelijk bedankt." Maar hij is al bijna weg en ze horen hem een eind verder mompelen: "Al goed, hm, al goed!" "We moeten in elk geval maar niet meer zingen," vindt Janneke. "Dan kan de wolf ons tenminste niet horen! En laten we onze klompjes uitdoen." "Dan trek ik mijn schoenen uit, want daar zitten ijzertjes onder en dat maakt ook zo'n lawaai," zegt Roodkapje en ze doet het meteen. Daar gaat het drietal weer; ze zijn nu toch wel wat minder opgewekt. "Is het nog ver naar je grootmoeder?" vraagt Hanneke. "En zullen we tòch maar met je meegaan?" wil Janneke weten. "Het is nog wel een kwartier lopen als we flink doorstappen. He ja, gaan jullie mee, zeg. Alleen vind ik toch wel een beetje eng. En grootmoeder zal 't vast leuk vinden. Ze is erg lief, weet je." Dan zijn ze allemaal weer even stil, tot plotseling Hanneke Janneke aankijkt en zegt: “Ik krijg steeds meer honger. Oh, oh, wat heb een honger!" "In spekpannekoeken,” vult Janneke aan en moet dan toch even lachen. Het lijkt er niet erg op dat ze gauw iets te eten zullen krijgen. Maar misschien liggen er wel wat beukenootjes in het bos. Hij zal er stellig eens op letten. "Grootmoeder vindt het vast wel goed als we straks iets op haar fornuis bakken. O ja, dat vindt ze heus wel goed en moeder heeft me een heleboel meel en pudding en krentebrood meegegeven. Vast en zeker veel te veel voor grootmoeder alleen," zegt Roodkapje een beetje hoopvol. "En er zitten ook krenten in mijn mandje en ...... Goeie help!! Wat is dàt??"</p>
<p>Vanachter een grote, oude boom komt plotseling een lange, spitse snuit te voorschijn en terwijl de kinderen elkaar vastgrijpen horen ze een stem die zegt: "Lekkerrr...... krrrenten. Die lust ík ook wel. Waar gaan jullie naar toe, lieve kinderen?" Het is de wolf. Hij lacht heel vriendelijk tegen hen, maar zíj lachen niet; helemáál niet. Hun hartjes slaan als een dol geworden klokje., zó hard, dat je het bijna kunt horen. De wolf ziet wel hoe bang ze zijn en daarom zegt hij nog vriendelijker: "Waar gaan jullie naar toe? Het lijkt wel of jullie bang voor me zijn...... Wat raarrr, waarrrom zijn jullie bang voor me? Ik zal jullie geen kwaad doen hoorrr...... Hij lacht met een heel hoge stem.</p>
<p>“Wij...... wij wandelen maar zo'n beetje," jokt Janneke er dan heel moedig op los. "Het...... het is zulk mooi weer, ziet u." Hij grijpt het mandje van Roodkaoies arm en met zenuwachtige vingers grabbelt hij naar het zakje krenten. De anderen begrijpen er niets van. “Hier ...... roept Janneke en gooit de volle zak naar de wolf, die op zes meter afstand naar hen staat te lachen. Janneke gooit zó ver, dat de krenten bijna voor de voeten van de wolf terecht komen. Deze snuffelt onmiddellijk naar de zak en likt met zijn lange, spitse tong langs zijn baard. "Vlug, kom mee," fluistert Janneke dan en trekt de beide meisjes opzij. "De boom in....., vlug!” Ze hebben niet voor niets zo dikwijls in het bos gespeeld en boompje geklommen; vóór de wolf het goed en wel in de gaten heeft zitten ze al op ’n tak.</p>
<p>Roodkapje zou het nare dier, dat nu zo verbaasd staat te kijken, graag hebben uitgelachen, maar ze durft niet. De wolf staat op het punt om verschrikkelijk boos te worden; zijn wenkbrauwen gaan omhoog en zijn voorhoofd rimpelt. Maar dan lijkt het wel of hij zich bedenkt, want heel vriendelijk zegt hij:
"Wat doen jullie toch mal! Jullie zijn toch niet bang voor me? Maar mijn lieve kindertjes...... dat is toch helemaal niet nodig! Kom er maar gauw uit, dan eten we met ons allen die lekkerrre krrrenten op." En weer likt hij met zijn lange tong zijn lippen af. Maar de lieve kindertjes zijn wel wijzer, ze komen er voor geen geld uit. Daar zitten ze, met kloppende hartjes en klapperende tanden. Met grote, verschrikte ogen vraagt Hanneke, “Jan……. Ja-an……. kan dat béést niet klimmen?” “Nee……. dat geloof ik niet. Nee, ècht niet,” zegt hij dan vastberaden. “Kom er nou uit,” roept de wolf nog eens en het klinkt al lang niet meer zo vriendelijk als eerst. Daarbij staat hij zó te likkebaarden, dat de kinderen er gewoon niet meer naar kunnen kijken. “Hoe komen we er ooit uit?” vraagt Roodkapje benepen. “Hij za; toch wel een keer weggaan straks…….” "Maar misschien is het dan al wel helemaal donker……. Oh……. ze dan plotseling, "misschien gaan we wel dood of breekt de tak af of komt er wind…… en……” "Hou toch op,” zegt Janneke, bijna boos. "Zit toch met zo te jammeren. Laat dat akelige beest nou alsjeblieft niet merken dat we bang zijn. Laten we ons flink houden. Er móét iets gebeuren en er zàl iets gebeuren. Laat me even goed nadenken......" Minutenlang is het doodstil; de wolf staat met opgeheven kop; af en toe komt er zo'n vreemd geluid diep uit zijn keel, dat het wel lijkt of hij gaat huilen. "Mijn arm gaat zo'n pijn doen. Ik kan me haast niet meer vasthouden," fluistert dan Hanneke heel zacht naar Janneke. Ja, de tak waaraan Hanneke zich vast moet houden is erg scherp en bovendien zijn haar armpjes maar heel kort. "Voorzichtig......" gilt eensklaps Janneke en...... gelukkig....., hij heeft haar nog juist kunnen grijpen. Veronderstel, dat ze....., nee....., ze moeten er niet aan denken! "Luister," zegt Janneke, als de eerste schrik voorbij is. Zijn ogen gaan zo waar stralen; hij legt een vinger op zijn mond en fluistert heel zacht: "Ik klim nog veel hoger in deze boom en roep dan dat ik mensen zie lopen. Jullie roepen dan Help! Help’ en dan vertel ok weer wáár ik ze zie lopen. Misschien gaat ie dàn wel weg om die mensen te besluipen en àls hij dat doet lopen hard weg." "Ja, ja," knikt het tweetal, maar zij kunnen niet lachen zoals Janneke. Veronderstel, dat de wolf het niet gelooft. "Nu niet meer naar mij kijken," fluistert Janneke nog en....., zo snel als een eekhoorn klimt hij naar boven. Hoe zachtjes Janneke ook praatte, de wolf heeft toch in de gaten dat ze iets bebabbelden. Janneke ziet het aan hem en roept daarom: "Laten we wat zingen, dan komt er misschien wel hulp, en wanneer de meisjes, eerst nog wat benepen, maar dan steeds luider zingen:</p>
<p>"Onder moeders paraplu,
Liepen eens twee kindjes,
Hanneke en Janneke,
Dat waren dikke vrindjes….., dan hebben ze de wolf zo prachtig misleid, dat ze er haast pleizier in krijgen en als Janneke vanaf zijn hoge plaats brult:</p>
<p>“En ze riepen blij van Hi Ha Hi,
En ze riepen wolf je krijgt ons nie....."
dan lachen ze ondanks alles toch heel hartelijk. Wat gáát de wolf te keer.</p>
<p>"Bij alle beukenoten, wat is dit moeilijk," horen ze hem mopperen. "Dekselse rakkers dat jullie, zijn.” En dan heel vriendelijk: "Kom nou toch naarrr beneden. Hier liggen nog krrrenten......" Maar ze doen gewoon alsof ze het niet horen en zingen luid verder: "......En ze riepen wolf, je krijgt ons nie....., tot plotseling Janneke zó hard gilt, dat ze haast uit de boom tuimelen van schrik:</p>
<p>"Hanneke! Hanneke! Daar komen mensen. Twee héle dikke. We moeten om hulp roepen." Onmiddellijk roepen ze alle drie: "Help. Hel-lep" en plotseling ..... daar draait me die wolf zich met een vaart om, dat hij er gewoon van op zijn neus valt. “Daarrr ...... daarrr zijn mensen....., mensen!” horen ze hem zeggen, terwijl zijn lange, spitse tong nu zo heftig langs zijn lippen gaat, dat zijn kin er helemaal vochtig van wordt. "Daar gaat ie ...... daar gaat ie ...... " fluistert het drietal ademloos en als ratten zo snel laten zij zich langs de boomstam omlaag zakken.</p>
<p>Hanneke verliest daarbij een van haar klompjes en dat vindt Janneke terug....., vlak voor een konijnenhol. “Wat moet dat allemaal?" klinkt opeens een krakerig, oud stemmetje en daar steekt een spierwit kopje naar buiten. "Oh, meneer Konijn," zegt Hanneke verschrikt. "Ik kon het niet helpen, maar ik verloor in de haast mijn klompje en dat is toen vlak voor uw huis gevallen…..” "Bent u erg geschrokken?" vraagt Janneke bedeesd, want erg vriendelijk kijkt het konijn zeker niet. "Jullie mensenkinderen zijn ook altijd zo onvoorzichtig. Kijk me daar toch mijn voordeur eens aan. Ik had hem juist vanmorgen helemaal gerepareerd. Natuurlijk hadden een paar wilde mensen gisteren de hele ingang platgetrapt. Nu kan ik wéér opnieuw beginnen," moppert het beestje boos. Nee, erg gelukkig is het drietal niet vanmiddag. "We zullen u wel helpen, meneer Konijn," biedt Janneke aan en Roodkapje lacht eens heel vriendelijk tegen het knorrige, oude dier en zegt: "We konden het echt met helpen weet u. want de wolf zat achter ons aan en daar moesten we voor vluchten. We zijn in die boom daar geklommen en hij stond beneden zijn baard te likken. Oh, we zijn toch zo vreselijk bang geweest. Ik heb het er nòg koud van. En toen ie wegging zijn we haastig uit de boom geklommen toen, nou, toen gebeurde het. Wees alstublieft niet boos op ons, meneer Konijn en laten we u helpen om uw voordeur weer op te bouwen." De kleine kraaloogjes van het konijn rollen van Roodkapje naar Hanneke en van Hanneke weer naar Janneke. Nee, deze mensenkinderen zien er toch niet naar uit, dat ze met opzet zijn huis zouden kapot maken. Heel langzaam en bijna onmerkbaar veranderen die kleine oogjes; er gaat een wenkbrauwtje omhoog en....., warempel....., het konijn glimlacht.
"Nou," zegt hij met zijn kraakstemmetje, "Ik zal het jullie dan maar vergeven. Maar helpen? Niks hoor! Dacht je nu heus, dat mensen weten hoe wij konijnen onze huizen bouwen? Wàt zeg ik? Huizen? Hólen zijn het. Lange, donkere gangen, waar jullie mensen geen begrip van hebben." Er klinkt haast minachting in zijn stem wanneer hij "jullie mensen" zegt en daarom vraagt Janneke: "Waarom praat u toch over ons alsof wij alleen maar verkeerde dingen doen? Dan kunnen wij ook wel zeggen, dat jullie konijnen helemaal niets begrijpen van mensenhuizen bouwen. En we bedoelen het toch goed als we zeggen, dat we willen helpen maken wat we vernield hebben?" “Ja, ja, nee, nee, misschien is dat ook wel zo. Misschien heb je wel gelijk. Maar jullie moeten goed begrijpen, dat wij hele dagen aan onze holen bouwen en dat dit heel zwaar werk is. En altijd komen er weer mensen of mensenkinderen die, als ze onze holen ontdekken, er in gaan trappen. of ze weer met zand dichtgooien. En dat is heel vervelend. Op die manier kunnen wij wel aan de gang blijven. Maar goed, ik begrijp jullie wel. Wees maar niet boos op me. Ik ben het ook niet meer op jullie. Willen jullie een. paar beukenootjes? Ze zijn vers; mijn dochtertje heeft juist een mandjevol gezocht vanmorgen.” Meteen gaat het kopje weer naar binnen.</p>
<p>De drie vriendjes kijken elkaar eens aan en schieten dan, ondanks alles in de lach. Wat een vreemd beest is dit. Eerst mopperen, dan lachen, dan weer mopperen en nu dit. Maar veel tijd om te lachen hebben ze niet, want daar komt het konijn al weer terug. Achter hem huppelt een heel jong konijntje. “Dit is mijn dochter! Flapje, geef jij deze kinderen eens een handje beukenootjes," zegt hij tegen haar. “Oh, wat een liefje," fluistert Roodkapje verrukt, maar ze zegt het niet zacht genoeg, want het konijn heeft het wel verstaan en zegt trots: "Ik heb nog veel meer van dit grut. Flap, haal je zusjes en Broertjes eens. Zeg dat ze hun oren opstrijken en hier komen."</p>
<p>En weg is Flapje. In de haast heeft ze de beukenootjes weer meegenomen. Eigenlijk wel jammer, want het drietal krijgt steeds meer honger. Maar het duurt niet lang of...... één, twee, drie, vier, zes, negen, elf....., nu zijn ze er allemaal.
Wat een schattige familie. Ze zijn de wolf en alle narigheid plotseling vergeten.</p>
<p>"Wat enig," roept Hanneke verrukt uit. "En ...... en hebben ze allemaal een naam?" "Natuurlijk, wacht dacht je dan?" zegt de vader trots. "Vertellen jullie maar eens hoe je heet." Uit zoveel stemmetjes tegelijk kunnen ze heus niet wijs worden. Flipjes, Flapjes, Flopjes, Wipp, Wapp, Wopp, nee, dat kunnen ze niet allemaal meer volgen.</p>
<p>"En wij zijn Hanneke en Janneke. En dit is Roodkapje," zegt Janneke dan.
Het oude konijn lacht nu werkelijk helemaal; zijn lippen raken wel haast zijn oren, zó breed is die lach. "Jullie zijn beste, brave kinderen hoor," zegt.hij vriendelijk. En eet nu maar flink beukenootjes. Dat is meteen goed voor de schrik." Dit hoeft vader konijn maar één keer te zeggen. Wat zijn ze lekker! Als ze op zijn mogen ze er nog meer; morgen gaan de konijnenkinderen wel weer nieuwe zoeken, zeggen ze. En dan moeten ze weer verder. Als Roodkapje zegt: "Ik moet nu naar grootmoeder," slaat de schrik hen weer om 't hart, maar Janneke zegt moedig: "We moeten nu weer weg, meneer Konijn. Heel welbedankt voor de lekkere beukenootjes" en dan geven ze alle drie het konijn een hand. Wat voelt dat pootje heerlijk zacht aan. Hanneke kan het niet laten; even moet ze toch ook een paar kleine konijntjes over hun kopjes strelen. "Dag. Da-ag," roepen ze allemaal en steken hun voorpootjes in de lucht. Zo wordt het drietal nagewuifd. "Wat een leuke beesten hè?" vindt Roodkapje. Ja, daar zijn de anderen het helemaal mee eens. En nu, òp naar Roodkapjes grootje. Ze hebben hun klompjes en schoenen maar weer aangetrokken, want, zegt Janneke verstandig: "Ik heb al lang begrepen, dat de wolf ons niet hóórt, maar ruikt."</p>
<p>Daar heeft hij groot gelijk aan. In ieder geval zullen ze fink door moeten stappen, want anders wordt het veel te laat.</p>
<p>"Onder moeders paraplu,
Liepen eens drie kindjes,
Hanneke en Janneke......"
“en Roodkapje,” zingt Roodkapje, maar dat kan niet, want dan rijmt het liedje niet meer.</p>
<p>"Dat waren dikke vrindjes.
En ze riepen blij van Hi Ha Hi,
En ze riepen: Wolf,
je kreeg ons nie,"</p>
<p>en dan lachen ze alle drie weer even vrolijk als in het begin van de middag. "En nog steeds geen spekpannekoeken," klaagt Janneke, maar Hanneke vindt: "Ik heb gelukkig lang niet meer zo veel honger nu. Wat waren die beukenootjes lekker hé? Ik had er nog wel....., wel kilo's van kunnen eten.</p>
<p>Toch vreselijk, aardig van het konijn. En wat een schattige kinderen had dat beest, Ik zou best eens een poosje bij zo’n konijnenfamilie willen logeren. Lieve help…… daar denk ik nu pas aan. Wij zouden niet eens in zo’n huisje passen. Daar zijn we veel te groot voor.” “We kunnen wel eens teruggaan en met ze spelen, is Roodkapjes oplossing. “Dàt kan natuurlijk wel. Zullen we dat eens doen?" Ja, besluiten ze; dat doen ze vast en zeker. "Als we het hol maar terug kunnen vinden," zegt Hanneke wat ongerust, maar Janneke zegt, terwijl zijn hartje weer wat sneller slaat: "Dacht je, dat ik ooit in mijn leven deze boom zou vergeten?" Dat is waar, het was precies onder de boom! "Kijk, we zijn er bijna. Zien jullie dat huisje daar met dat strodak? Nou, daar is het,” en ze wijst met haar vinger door de bomen. "Daar? Oh, wat een enig huisje. Laten we vlug doorlopen, dan zijn we er gauw." Op een sukkeldrafje lopen ze het laatste eindje. Een beetje buiten adem komen ze aan; Roodkapjes kapje is in de vaart afgevallen. Ze heeft het nu maar in de hand gehouden. Janneke draagt het mandje en zodra ze voor het huisje staan, kijkt Roodkapje heel nauwkeurig of ze niets verloren hebben.</p>
<p>"Wel jammer hè, van die krenten," zegt ze zachtjes, maar Janneke valt uit: "Jammer? Hoe kom je er bij. Had jij je liever maar laten opeten soms? Wat zijn jullie meisjes toch dom af en toe." Zijn stem klinkt echt een beetje boos nu, maar Hanneke sust: "Zo bedoelt Roodkapje het toch niet, Janneke. Kom, kijk maar weer vriendelijk. Natuurlijk zijn we blij dat er verder niets gebeurd is. Roodkapje vindt het natuurlijk jammer voor grootmoeder."</p>
<p>“Ja,” knikt het meisje en dan zegt ze: "Ik ga aanbellen," en meteen gaat haar hand omhoog. “Tingelingeling,” klinkt de bel vrolijk door het huisje. Even is het stil en dan horen ze een stem die roept" "Ben jij daar, Roodkapje?" “Ja, grootmoeder. "Trek maar aan het touwtje, dan gaat de deur vanzelf open.". "Gaan jullie maar mee naar binnen, zegt Roodkapje, wanneer ze aan het touwtje trekt. Ja, nu gaat de deur vanzelf open! Wat een beeldig huisje is het! In de hal hangt een klein, groen lantaarntje en de vloer is van rode tegeltjes. Roodkapje trekt haar manteltje uit, hangt haar kapje aan de kapstok en neemt dan de jasjes van de andere twee aan. Ze kan er precies bij; grootmoeder is ook niet zo erg groot, vertelt ze. Vroeger had ze een heel hoge kapstok en dan moest grootmoeder steeds op een bankje klimmen om haar omslagdoek weg te hangen.</p>
<p>“Kom maar, zegt Roodkapje en neemt het tweetal bij de hand. Maar...... horen ze het wel goed...... ? “Roodkapje, Roodkapje," klinkt een zachte, maar dringende stem. "Roodkapje, niet naar binnen gaan. Niet naar binnen. Hier, hier ben ik; grootmoeder." Geschrokken staan de kinderen stil. Het was toch grootmoeders stem ? Maar wie riep dan: “Trek maar aan het touwtje, dan gaat de deur vanzelf open?'" Dat was grootmoeders stem toch ook? "Waar bent u, grootmoeder?" vraagt Roodkapje en: "Stil, hier. In de kelder. Doe gauw open." "Oh, wacht maar," zegt Janneke vastberaden. "Wees maar niet bang," en meteen draait hij de sleutel van de kelderdeur om. Daar staat grootmoeder; haar gezicht is van schrik haast nog witter dan haar haren, die in kleine staartjes onder haar mutsje uitsteken.</p>
<p>Grootmoeder heeft tranen in haar ogen en als ze eerst naar Roodkapje kijkt en van Roodkapje naar Janneke en Hanneke, dan veegt ze heel zenuwachtig die tranen uit haar ogen en zegt met bevende stem: "Ik ben toch zo vreselijk geschrokken. Ik hoorde bellen en toen ik vroeg: 'Wie is daar?' zei iemand met precies dezelfde stem als de jouwe, Roodkapje: 'Ik ben het, grootmoeder, Roodkapje'.</p>
<p>Toen zei ik: 'Trek maar aan het touwtje, dan gaat de deur vanzelf open', en toen de kamerdeur open rug, stond daar....., de wolf......! Hij zei niets, maar likte met zijn lange tong langs zijn baard, zó lang, dat ik er helemaal akelig van werd. Hij sloop naar me toe, maar gelukkig klonken er toen voetstappen op het grind en dat waren jullie. Hij trok me toen haastig mijn bed uit en stopte me in de kelder...... Hij zei alleen maar: 'Nou dàt weer. Alla, dan straks maar', en ik hoorde hoe hij half huilend de kelderdeur in het slot draaide. Oh, die vreselijke poten waarmee hij mijn arm beet pakte......" Grootmoeder veegt met haar kanten mouwtje langs haar ogen; ze is helemaal overstuur. “Maar grootmoedertje," zegt Roodkapje zacht en slaat haar beide armen om 't oudje heen. “Maar grootmoedertje toch. Wat moeten we nu beginnen? Zullen we……” “Ha ha, ho ho," horen ze dan plotseling een hoge stem lachen. “Nu ga ik jullie lekkerrr allemaal opeten. Lekkerrr, ha, ha, ho, ho……!”</p>
<p>Ze horen een bed kraken, een plof op de vloer en dan ...... "Gauw, gauw. De deur. De deur op slot," gilt Hanneke dan en nog juist op tijd draait Roodkapje de sleutel om. "Het is vreselijk," fluistert Hanneke met droge stem. "Het is verschrikkelijk. Vanmiddag in het bos..….." maar ze kan niet verder praten. Ze legt haar hoofd tegen grootmoeders schouder en snikt het uit. Wat 'n afschuwelijke middag toch. En wat nu? Waar moeten ze met de wolf naar toe? Ze zijn wel met zijn vieren, maar lieve help, een wolf in je huis, zelfs al ben je met véél méér, is verschrikkelijk. Janneke weet er ook geen raad op. "Hier is uw omslagdoek, grootmoeder," zegt Roodkapje dan heel verstandig. "U zou er haast nog kou bij vatten, zo in uw nachtpon," en ze slaat grootmoeder de grote, zwarte omslagdoek om de schouders. "Dank je, m'n kind, dank je," zegt grootmoeder met bevend stemmetje. En dan is het weer helemaal stil, zó stil, dat je de vogels in het bos kunt horen fluiten. Dàt brengt Janneke op een idee. "Ik weet wat! Ik weet wat!” Onmiddellijk kijken grootmoeder, Roodkapje en Hanneke hem vragend aan. Lieve help, als ze Janneke toch niet hadden...... ”Luister: Als jullie nu bij grootmoeder blijven, dan ga ik in het bos hulp zoeken. Ik weet het ook nog niet helemaal precies, maar er moet hulp komen. Pas goed op en laat de deur stevig dicht. Nou, dat zullen ze zeker! veronderstel.... "Kom gauw terug, Jan," zegt Hanneke en daar achter: "Zul je heel voorzichtig zijn?" "Mij kan niets gebeuren," antwoordt Janneke moedig. "De wolf is het enige gevaar en die zit veilig opgesloten."</p>
<p>Meteen slaan ze hun handen voor hun oren. Wat gaat die wolf vreselijk te keer. Hij roept nu helemaal geen vriendelijke dingen meer en zijn stem klinkt ook verre van lief. "Ik zal het jullie wel betaald zetten," schreeuwt hij met vreselijke uithalen. "Bij mijn grrrootvader, ik krrrijg jullie wel." En weer huilt hij, zodat het ver in het bos hoorbaar is. De bosbewoners horen het ook. De konijnen, hazen, eekhoorns en vele vogels zijn samen gekomen en vragen elkaar, wat er toch aan de hand is. Dìt gehuil is niet om aan te horen. Ze begrijpen nu wel dat het de wolf is die opgesloten zit en ze horen als ze dichterbij komen heel goed dat het gejammer uit het huis met het strodak komt. Zo heel erg dichtbij komen durven ze toch niet. Pas wanneer ze Janneke zien aankomen en deze hun vertelt dat de wolf opgesloten zit, worden ze wat moediger. Janneke is heelmaal buiten adem als hij zegt: We moeten iets doen. We kunnen grootmoeder en de meisjes niet langer laten wachten. Laten we met zijn allen een eind het bos in lopen en aan iedereen die we tegen komen vragen, of hij ons wil helpen. Wat akelig ook dat er haast nooit mensen lopen.</p>
<p>Zo gezegd, zo gedaan! Wanneer het allemaal niet zo náár was, zou het een beeldige optocht geweest zijn, daar in het bos. Voorop loopt Janneke, met grote mannenpassen, vergeleken bij de trippelpasjes van een paar mussen. Deze vinden het ook maar verstandiger om in cirkeltjes boven Jannekes hoofd te vliegen. Achter Janneke springen en huppelen de hazen en konijnen. De eekhoorns wippen van tak op tak. Daarna volgt een heel leger van allemaal kleine dieren; een egel sluit de stoet. Overal waar zij dieren zien roepen ze: “Kom mee, we hebben jullie hulp nodig. De boze wolf zit in grootmoeders huisje gevangen. Kom mee. Kom mee!" En kijk, daar komt de oude, wijze uil ook al aanvliegen. “Ik...... ik heb jullie nog zó gewaarschuwd, hm, hm,” krast hij. “Jullie zijn ook nooit voorzichtig," en Janneke wordt daarom opeens zo boos dat hij zegt: “Dat konden wíj toch niet helpen? Roodkapje móést toch naar haar grootmoeder? Dacht u soms dat wij het zo leuk vonden? Maar dan schrikt hij toch zèlf van zijn bazige stem. Eigenlijk was de Oude uil toch erg vriendelijk voor hun geweest vanmiddag. En nog vóór de uil antwoord kan geven zegt "Oh, het spijt me, meneer Uil. Ik bedoelde het niet zo. Maar we zijn allemaal een beetje zenuwachtig geworden. We zijn ook zó geschrokken." "Al goed…… hm…… al goed, zegt de uil en kijkt warempel weer wat vriendelijker, maar er blijft wel een heel bezorgde rimpel op zijn voor hoofd, "We zullen zien wat we kunnen doen. Ik zal een paar maal boven het bos vliegen en kijken of er misschien mensen lopen. En anders....., ja, dat weet ik ook niet. Wij dieren kunnen niet veel beginnen tegen een wolf. Hij zou ons allemaal opeten. Anders hadden we er al lang iets aan gedaan, want wat een verdriet en ongelukken heeft dat afschuwelijke dier al veroorzaakt!” Hij voegt daad bij woord. "Tot straks," krast hij nog en vliegt in een mooie, grote boog weg.</p>
<p>Intussen zijn grootmoeder, Roodkapje en Hanneke op de trap naar boven gaan zitten en beraadslagen wat ze moeten doen als er eens géén hulp komt. Wanneer grootmoeder niet ziek was: ze zouden vast niet in het huisje gebleven zijn! Het lawaai dat de wolf maakt is niet om uit te houden; ze kunnen elkaar haast niet overschreeuwen. Hanneke veegt zenuwachtig met haar klompje heen en weer over de rode tegels....., heen en weer......</p>
<p>Maar erg lang hoeven ze toch niet te wachten. Duidelijk en in spanning horen ze een geroezemoes buiten en dan kraakt het grind. Het lijkt wel of er grote mannenvoeten op stappen. Roodkapje vliegt naar de deur en kijkt door het raampje. "Daar komen ze! Daar komen ze! Grootmoeder, Hanneke, kijk dan toch eens. Oh, het is een hele stoet. Maar...... maar wie is die man, grootmoeder?" "Ik weet het niet, m'n kind. Ik ken hem niet. Doe gauw de deur open." "Hier is hulp, Hanneke," roept Janneke hard en holt op zijn korte beentjes de optocht vooruit. Hij heeft opgewonden, rode wangen en buiten adem valt hij haast tegen grootmoeder aan. "We kwamen de uil tegen en die heeft deze meneer gevonden en bij ons gebracht. Hij gaat ons helpen, Hanneke, hij heeft beloofd, dat hij ons van de wolf zou verlossen.. .... ' "Ha ha, mènsen, ik krijg jullie wel," horen ze de wolf vanuit de kamer schreeuwen.</p>
<p>De anderen zijn nu ook bij het huis gekomen; het is een drukte van belang. Alle dieren zijn zó verschrikkelijk nieuwsgierig, dat ze elkaar gewoon verdringen en door elkaar roepen: "Waar is dat beest? Waar is hij? Waar is de wolf?" Maar dan komt de grote man binnen die zegt: "Iedereen moet hier weg. Het is te gevaarlijk. Ik heb een groot vangnet meegebracht en daarmee zullen we dat varkentje wel eens wassen." Hij ziet er helemaal niet naar uit dat hij bang is en dat ìs hij ook niet. Want deze man is jager en heeft — zoals grote mensen dat noemen — wel eens voor heter vuren gestaan. "Kom. Allemaal naar buiten jullie," zegt hij vastbesloten. "Jullie zijn kranige, brave dieren, maar we kunnen elkaar nu niet voor de voeten lopen. Straks mogen jullie binnenkomen. Als grootmoeder het tenminste goed vindt." Eigenlijk vinden de dieren het wel jammer; ten slotte zien ze niet iedere dag dat het gevaarlijkste dier van 't hele bos onschadelijk wordt gemaakt. Maar er is niets aan te doen. Gehoorzaam gaan ze allemaal weer naar buiten. Roodkapje mag in de keuken bij grootmoeder blijven en Hanneke en Janneke mogen kiezen of ze dat ook willen, of liever mee naar buiten gaan en met de dieren spelen.</p>
<p>Dáár hoeven ze niet lang over te denken; natuurlijk kiezen ze het laatste. Zo ontmoeten ze ook weer de wijze uil en Hanneke gaat naar hem toe om hem hartelijk te bedanken voor zijn hulp. "Als u er niet geweest was," zegt ze, "dan zou ik niet weten wat we hadden moeten beginnen " "Al goed" al goed," krast de uil. "Het heeft niets om het lijf. We zijn op de wereld om elkaar te helpen. En laten we niet te vroeg juichen; we hèbben hem nog niet!" “Maar de jager is groot en sterk, beslist Janneke vol vertrouwen. "Ik ben opeens helemaal niet bang meer." Daar klinkt weer een vreselijk gejank van de wolf. "Laten we een eindje verderop gaan," vraagt Hanneke, die helemaal akelig wordt van die geluiden. "Ik vind het niet om aan te horen." En dat doen ze. Hanneke ziet ook het oude konijn. Warempel, hij is er met zijn hele familie. Flapje huppelt meteen naar Hanneke toe en zegt: "Dag. Wat leuk hè, dat we elkaar al zo gauw weer zien."Intussen zijn grootmoeder en Roodkapje de keuken ingegaan en luisteren met kloppend hart naar de geluiden uit de kamer. De jager heeft de keukendeur achter zich dicht gedaan, het grote vangnet uit zijn rugzak gehaald en nu horen ze hem de sleutel van de kamerdeur omdraaien. Ze horen hem ook praten; als ze heel stil zijn kunnen ze hem verstaan. Honger?" horen ze hem vragen. Hier, eet op." Daarna horen ze het geluid van kleine plofjes op de vloer, een rauwe schreeuw diep uit de keel van de wolf, die blijkbaar op de buit aanvliegt en dan....., een onmenselijk gehuil. Dit alles geschiedt in een heel korte tijd; vlak daarna gaat de deur open en verschijnt de jager in de keuken. "Ik heb hem," zegt hij trots. "Toen hij het vlees greep, gooide ik het vangnet over zijn kop. Ik moet nu hulp hebben om zijn poten te binden. Waar is die kleine jongen? Misschien kan hij me helpen." "Is het nu niet gevaarlijk meer?" vraagt Roodkapje bezorgd. Veronderstel, dat er toch nog, op het laatste nippertje, iets met haar nieuwe vriendje zou gebeuren. "We moeten voorzichtig zijn," is het antwoord van de jager. “Maar veel kwaad kan hij niet meer. Nee...... blijven jullie nog even hier, dan zal ik die jongen roepen." En daar komt Janneke al aanhollen. ”Hebt u hem doodgeschoten? Oh, wat fijn!” “Neen,” antwoordt de jager langzaam. "Ik heb hem niet doodgeschoten. Ik heb hem gevangen. Waarom zouden we hem doden? Omdat hij gevaarlijk is en veel onheil aanrichtte in het bos? Dat is zijn instinct nu eenmaal, daar kan hij eigenlijk niets aan doen. Nee, het is niet aan ons om anderen kwaad te doen. Als het niet anders had gekund, tja...... Maar wíj hebben ons verstand, een dier niet. We mogen geen mensen, maar ook geen dieren onnodig pijn doen of doden. Kom mee, ik heb je hulp nodig. We moeten zijn poten vastbinden. Stoor je niet aan het gehuil, maar wees flink." Zijn vastberaden toon helpt Janneke over zijn angst heen. Eerst leek het hem doodeng om naar een wolf te gaan die alleen maar in een vangnet zit. Maar echt bang is hij nu toch niet meer. De jager zoekt nog een dikke, lange stok in het en dan gaan ze naar binnen. "Hier. Hou jij zijn poten stijf tegen elkaar, dan bind ik het touw er omheen. Ja, zo. Hou vast. Goed zo. Nu de voorpoten. Denk aan zijn tanden. Wacht even...... Hij zet zijn knie in de hals van het dier, zodat het de kop niet meer kan bewegen en gaat verder: "Hou ze samen. Steviger! Niet bang zijn! Vooruit! Goed. Goed zo! Hè, hè, dat is dat. Veiligheidshalve zullen we ook maar een touwtje om zijn bek leggen. Zo, meneer, nu is het gebeurd met je. Je hebt ons half gek gemaakt. Geef me nu die stok daar, kerel." Janneke glundert bij het woord 'kerel'. Kérel, zegt de grote, sterke man tegen hem. "Goed zo. Prachtig! Nu binden we hem aan de stok en dragen hem naar buiten. Zo. Kun je het houden, denk je?" "Vast wel," zegt Janneke, maar als hij de stok wil optillen, krijgt hij er geen beweging in. "Haal dan die meisjes er maar bij," zegt de jager. "Met drie achter en ik vóór zal het wel lukken.</p>
<p>En dan hebben we dàt gelukkig weer gehad." Hij veegt kleine druppeltjes van transpiratie van zijn voorhoofd. Oef, wat heeft hij het warm gekregen. Janneke is de kamer ingerend en komt terug met grootmoeder, Hanneke en Roodkapje. “Pak alle drie die stok stevig beet. Niet bang zijn, hij kan jullie niets meer doen. Heb je hem? Goed zo, daar gaat ie dan. Een, twee, drie hopla...... naar buiten," zegt de jager. Grootmoeder houdt de deuren open en juichend komen alle dieren aanhollen. “Hoera! Hoera!" roepen ze in koor. “We hebben hem, de wolf."
Bom, daar ligt ie. Erg zachtjes komt hij niet aan, want het was wel een hele vracht voor drie kinderen. “Ik haal een handwagen en kom hem straks weghalen. We zullen de dierentuin maar eens opbellen. Daar zullen ze hem wel willen hebben en daar kan hij geen kwaad meer doen. Oh, hij zal het er best naar zijn zin hebben. Jullie zijn flinke kinderen," zegt de jager goedkeurend en Janneke krijgt een kleur van trots. "Goeiendag," horen ze dan en de jager draait zich om om weg te gaan. Maar dat gaat zo maar niet! Hanneke houdt hem tegen en voor hij het in de gaten heeft dansen de kinderen en alle dieren in een grote, wijde kring om hem heen. De vogels vliegen zingend en tjilpend om zijn hoofd en allemaal roepen ze door elkaar: "Hoera voor de jager" en "Lang zal hij leven." Het lijkt warempel wel of die grote, volwassen man er verlegen van wordt. "Genoeg. Genoeg. Ik moet nu naar huis. Mijn vrouw zal niet weten waar ik blijf. Straks kom ik terug om hem te halen." Met grote passen loopt hij het grindpad af. "Dag. Da-ag," roepen ze hem allemaal achter.na en nog even dramt hij zich om en wuift met zijn hand. Dan is hij tussen de bomen verdwenen.</p>
<p>"En nu allemaal naar binnen," horen ze grootmoeders vriendelijke, oude stem m de deuropening. "We gaan nu feest vieren." "Pannekoeken? vraagt Hanneke hoopvol, want haar maag knort nu zó hard, dat ze haar honger gewoon niet meer vergeten kàn. "Pannekoeken," zegt grootmoeder lachend. Met spek."</p>
<p>Bijna nog vóór grootmoeder dit laatste heeft gezegd hollen Roodkapje en Hanneke naar de keuken, waar ze het mandje op de aanrecht uitpakken. Grootmoeder doet de kamerdeur wijd open en laat alle dieren binnen. Het zijn er verbazend veel! "Gaan jullie maar zitten waar je wilt. Het is nu feest," zegt ze.
De mussen wippen op de tanden van de bloempotten; de konijn en eekhoorns springen op grootmoeders beddesprei; vlinders, torren, zelfs een paar kikkers klimmen langs de stoelpoten omhoog en vleien zich prinsheerlijk in grootmoeders kussens. De egel zoekt een plaatsje op grootmoeders stoel. Van daaruit kan hij prachtig rondkijken. Weldra snuiven ze in de kamer een heerlijke baklucht op, die vanuit de keuken door de openstaande deur binnen komt. De grote konijnenfamilie heeft een plaatsje gezocht op een ouderwetse canapé en Flapje zegt: "Ik ga naar de keuken, naar Hanneke. Misschien kan ik haar wel helpen." En weg is ze! Maar al heel gauw is ze weer terug. Ze draagt, heel voorzichtig tussen haar beide voorpootjes, een schaal met de pannekoeken, die Hanneke in de keuken in kleine stukjes heeft gesneden. Wat ruikt het verrukkelijk. Nog vóór iedereen een stukje heeft gehad is de schaal al leeg. De dieren die nog níéts hebben, kijken een beetje bedremmeld, maar...... "Hier is nog veel meer," zegt Roodkapje die binnenkomt en een volle schaal aan Flapje geeft, die opnieuw rondgaat. Het wordt een prachtig feest. Als ze genoeg gegeten hebben dansen de dieren om de tafel; de konijnen laten zien hoe zij verstoppertje spelen en kopje duikelen en de torren proberen het ook, maar als ze eenmaal op hun rug liggen kunnen ze niet meer overeind komen. Ze spartelen zó met hun pootjes in de lucht dat alle dieren er om moeten, lachen, maar ze geven toch de torren een duwtje, want torren kunnen niet kopje duikelen. De hazen springen haasjeover en de vogels wippen op grootmoeders hoofd en schouders en fluiten en zingen dat het een lieve lust is. Maar na een poosje wordt toch wat stiller in de kamer. De dieren zijn moe gespeeld en moeten ook weer eens naar huis.</p>
<p>Achter elkaar gaan ze naar grootmoeder en de kinderen, geven een poot je en bedanken hartelijk voor de gezellige middag.“Het is een gezellige middag geworden gelukkig,” zegt grootmoeder en van dank wil ze helemaal met horen. “Wij bedanken jullie”, zegt ze. “Omdat jullie zo trouw en vriendelijk zijn gekomen om ons te helpen. Jullie zijn, lieve, brave dieren en mogen allemaal nog eens terugkomen. En daar gaat de hele optocht. Vader konijn moet Flapje gewoon van Hannekes knie aftrekken. “En komen jullie nu echt gauw eens spelen?" roept Flapje nog gauw. "Ja hoor, vast en zeker," en het viertal in de deuropening wuift met twee handen de dieren na. "Wat een liefjes waren het allemaal, hé grootmoeder?" zegt Roodkapje. "Eigenlijk moet u nu gauw naar bed. Veronderstel dat u toch nog kou gevat hebt of zo. Ga er maar gauw' weer in." Grootmoeder trekt haar slaapmutsje wat vaster over haar oren; het ding is in alle drukte helemaal naar één kant gezakt. "En wij moeten ook weer eens verder, zegt Janneke dan. "Mogen we nog eens terug komen, grootmoeder?" "Natuurlijk m'n kind, natuurlijk, zegt ze en buigt zich naar voren om Hanneke en Janneke eens stevig op beide hun wangen te kussen. "Jullie hoeven nu niet meer bang te zijn, gelukkig, zegt ze tevreden. “Ik blijf wachten tot de jager er geweest is en dan kan ik meteen nog wat voor grootmoeder zorgen. Een andere keer ga ik weer met jullie mee. Goed?" "Natuurlijk," zeggen de twee. "Dag grootmoeder. Dag Roodkapje. En heel wel bedankt voor de lekkere pannekoeken." Weer worden er handjes gegeven en wangen gekust en grootmoeder klimt toch nog even uit haar hoge ledikant, om samen met Roodkapje het tweetal uit te laten. "Dag. Tot ziens!" roepen ze, zo lang ze de twee figuurtjes in de deuropening kunnen zien. "Dag! We komen gauw weer terug!” "Wat een schattige grootmoeder hé," zegt Hanneke. "En Roodkapje ook, ze is wel erg aardig hè?" "Ja," antwoord Janneke wat afwezig: Wat een naar gezicht was het, die wolf zo te zien liggen. Het dier was van alle emotie in slaap gevallen. "Ik vond het een erg eng gezicht, jij niet, toen we langs de wolf liepen?" “Ik heb er niet eens naar gekeken. En ik wil er ook met meer aan denken. Er zijn nu al weer zo veel prettige dingen gebeurd, dat ik de nare gauw wil vergeten. Zo lopen ze een tijdje verder. Het is nu doodstil in het bos. De dieren zullen nu wel allemaal thuis zijn en daar vertellen van de veelbewogen middag en van de wolf, waarvan ze nu voorgoed verlost zijn. "Ben je óók zo moe?" vraagt Hanneke dan weer. "Wel een beetje," moet Janneke bekennen en zegt dan: "Laten we maar zingen, dan gaat het wel over." En daar stappen ze weer. "Onder moeders paraplu, Liepen eens twee kindjes, Hanneke en Janneke, " Dat waren dikke vriendjes ……” Maar wat is dàt daar ? Ja, werkelijk, daar zit een jongetje. Eigenlijk nog maar een héél klein jongetje. Och lieve help, wat zit hij daar zielig op een boomstam te huilen. Hanneke en Janneke houden meteen op met zingen en gaan naar hem toe. "Waarom heb je toch zo'n verdriet?" vraagt Hanneke medelijdend. "En wie ben je?" Het jochie kijkt door zijn tranen heen naar de twee kinderen, die als uit de hemel gevallen lijken en zegt: "Ik ben Klein Duimpje. Ik ben met al mijn broertjes verdwaald. Oh, wat moet ik nu toch doe-oen...... ? en weer rollen er grote tranen over zijn wangen. "Huil maar niet hoor," zegt Janneke dan. "Wij zullen je wel helpen zoeken. Ga maar met ons mee. Klein Duimpje haalt een grote, rode zakdoek uit zijn broekzak en droogt zijn tranen. En dan lacht hij een beetje verlegen. "Meen je dat? Mag ik echt met jullie mee? Maar hoe .... .. hoe vinden we mijn huis terug?" "We zullen wel zien," zegt Hanneke en heel trots zegt ze er achteraan: "Janneke weet altijd overal raad op. Ze nemen Klein Duimpje tussen zich in en daar gaan ze. Klein duimpje is zijn verdriet al haast vergeten als de anderen luidkeels inzetten:</p>
<p>“Onder moeders paraplu,
Liepen eens drie kindjes......"</p>


Onderwerp

ATU 0333 - Little Red Riding Hood    ATU 0333 - Little Red Riding Hood   

AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)    AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   

Beschrijving

Hanneke en Janneke van het kinderlied ontmoeten Roodkapje, en gaan met haar mee naar grootmoeder. Meneer Uil waarschuwt voor de boze wolf die hij in het bos heeft gezien. Ze komen de wolf tegen, klimmen in een boom, zingen dat de wolf hen niet te pakken zal krijgen. Als ze om hulp roepen gaat de wolf er van door, komen de kinderen uit de boom en gaan verder naar grootmoeder. Roodkapje belt aan, ze horen een stem die zegt dat ze aan het touwtje moeten trekken. In huis hoort Roodkapje een stem die zegt dat ze niet naar binnen moeten gaan. Dat is grootmoeder die in de kelder is opgesloten door wolf, en daarna in haar bed is gaan liggen. Ze sluiten de wolf op in de kamer, hij gaat zo te keer dat alle dieren het horen en naar het huis komen. Janneke vraagt hen te te helpen zoeken naar iemand die kan helpen. Ze vinden een jager die mee gaat, hij vangt de wolf met een vangnet en brengt hem naar een dierentuin. De jager meent dat de wolf niet gedood moet worden, want hij heeft alleen maar zijn instinct gevolgd. Onderweg naar huis komen Hanneke en Janneke de verdwaalde Klein Duimpje tegen en nemen hem mee.

Bron

Francis Andrée. Hanneke, Janneke en Roodkapje. Hoorn: "West-Friesland", [1956]
KB: KW BJ 51756
Collectie Roodkapje/Karsdorp

Motief

B211.2.4 - Speaking wolf.    B211.2.4 - Speaking wolf.   

Naam Overig in Tekst

Roodkapje    Roodkapje   

Hanneke    Hanneke   

Janneke    Janneke   

Uil    Uil   

Konijn    Konijn   

Flapje    Flapje   

Flipje    Flipje   

Flopje    Flopje   

Wipp    Wipp   

Wapp    Wapp   

Wopp    Wopp   

Jan    Jan   

Klein Duimpje    Klein Duimpje   

Datum Invoer

2019-06-26