Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ROODKAPJE203

Een sprookje (boek), 1943

Hoofdtekst

In een woud, waar duiven koerden,
In het groenend kreupelhout,
Maar ook wilde wolven huilden,
Stond een huisje, leuk gebouwd.

In dat huisje woonde een moeder,
Die maar één dochtertje bezat,
Dat pas zeven jaren telde
En een klein rood kapje had.

Grootma had haar dit gegeven,
Wat ze heel erg prettig vond.
Ieder noemde haar nu Roodkapje
Omdat het zo aardig stond.

Roodkapje was soms ongehoorzaam.
Dat deed moeder veel verdriet,
Want als moeder haar wat opdroeg,
Deed ze dit eenvoudig niet.

Eens was moeder aan 't bakken
In de keuken, op 't fornuis.
Roodkapje voerde haar kippen
Maar ze kwam weldra in huis.

En riep: “Moe, wat ruikt dat heerlijk,
Wat is dat voor lekker iets?
Ik zou best eens willen proeven.
Toe, zeg moeder, krijg ik niets?"

“Wat dat is, moet je maar raden,"
Zeide moeder heel spontaan.
“Nu, dan raad ik: oliekoeken,"
Sprak Roodkapje heel voldaan.

“Mis, het zijn geen oliekoeken,"
Plaagde toen haar moeder weer.
Roodkapje werd ongeduldig
En ze raadde nog een keer.

Eindelijk verklapte moeder:
“Ik bak wafeltjes, mijn kind,
Die ik strakjes, als ze klaar zijn,
Netjes in een mandje bind."

“Eentje zal ik er bewaren,
De andere moeten worden weggebracht.
Want ik wil ze Grootma geven,
Die er al een dag op wacht".

“Mag ik niet één wafel eten?"
Drong Roodkapje verder aan.
“Daarna zal ik zonder dralen,
Rechtstreeks naar mijn Opoe gaan!"

Moeder wou hier niets van weten,
Want ze sprak heel duidelijk toen:
“Strakjes mag je wafels eten,
Maar nu eerst die boodschap doen!"

“Denk er om", waarschuwde moeder,
“Rechtdoor naar je Opoe gaan.
En in 't bos geen bloemen plukken,
Of soms ergens blijven staan"

Want Roodkapje hield van bloemen,
Die daar groeiden in het bos,
En ze luisterde ook dikwijls
Naar de krekels in het mos.

Graag ook bleef ze wel eens kijken
Naar de houthakkers in 't woud,
Die de dikke bomen hakten
Uit het dichte kreupelhout.

Moeder maande bij het heengaan:
“Kindje, luister nog eens goed
Loop terstond naar Opoe's huisje,
Opdat je niet de wolf ontmoet!

Want de houthakkers die zagen
Hem al sluipen door het woud.
En 't zou verschrikkelijk wezen,
Als ook gij 'm ontmoeten zoudt."

Toen nam Roodkapje het mandje
En ze gaf haar moe een zoen.
Daarna liep ze vlug het bos in,
Om haar boodschap te gaan doen.

Het zonnetje stond aan de hemel,
Vogels zongen blij hun lied.
Vlinders fladderden langs de struiken,
De boze wolf verscheen nog niet.

Roodkapje liep steeds te zingen,
Want ze voelde zich zo vrij.
Ze vergat haar moeders woorden,
Huppelde opgewekt en blij.

Eensklaps bleef Roodkapje stilstaan,
Ze had een vreemd geluid gehoord:
Maar het was de slag van bijlen,
't Meisje liep weer spoedig voort.

De mannen riepen: “Dag Roodkapje,
Waar ga jij alleen naar toe?"
“Ik doe 'n boodschap," zei het meisje,
“Ik moet naar mijn Grootmoe toe."

“Ha," riep één der mannen vrolijk,
“Roodkapje brengt ons voor “diner"
Lekkere, ronde, dikke wafels,
Zeg, we zijn er mee tevreê!”

“Deze wafels zijn voor Grootma,
Die in bed ligt, daarop wacht".
“Kom", zei de man, “ga dan wat rusten,
't Mandje is een hele vracht."

Daar wou Roodkapje niets van weten,
Dat had moeder niet gezegd.
Als ze hier nu wat ging rusten,
Werd de weg niet afgelegd.

En ze zei toen vastberaden,
Dat ze aanstonds voort moest gaan
En dat moeder haar gezegd had,
Dat ze niet mocht blijven staan.

Toen waarschuwden de houthakkers:
“Roodkapje, dan maar opgepast,
Dat je in de donk're bossen
Niet door wolven wordt verrast!"

“Want een wolf die heeft vaak honger
En hij is geweldig wreed.
En het is wel voorgekomen,
Dat hij kleine meisjes eet!”

Toen is de houthakker meegelopen
Tot hij Grootmoe's huisje zag,
Hier zou de wolf wel niet" meer komen.
En hij zei haar goeden dag.

Toen de man weer huiswaarts keerde,
Liep Roodkapje weer alleen.
Plots hoorde ze merels zingen,
Maar ze zag er nergens een.

Zo mooi hoorde ze nooit zingen.
Ongemerkt bleef ze even staan.
Om de vogels op te zoeken,
Besloot ze 't bos maar in te gaan.

Daar groeiden de schoonste bloemen,
Die Roodkapje ooit had gezien.
Ze nam het mandje van haar schouder
En plukte er een stuk of tien.

Ze wou een grote ruiker maken,
Van de mooiste die ze vond.
De vogels zongen steeds hun liedjes,
In alle bomen in het rond.

Nu verstond Roodkapje die vogels
En het klonk overal vandaan:
“Denk aan moeders raad, lief kindje,
moet je niet naar Grootmoe gaan?"

Maar Roodkapje wou niet horen,
Ze liep nog verder in het bos,
En ze plukte steeds meer bloemen,
Onder de bomen uit het mos.

Steeds opnieuw riepen de merels:
“Denk aan moeders raad, lief kind,
Hier in 't bos loeren de wolven,
Weet, dat je je in gevaar bevindt!"

Roekeloos liep Roodkapje verder
Terwijl ze den wolf vergat,
Die wat verder in de struiken,
Op zijn prooi te wachten zat!

Bijen zoemden in de rondte:
“Roodkapje er dreigt gevaar."
En de vogels riepen luider:
"Kindjelief, de wolf is daar."

En hun roepen werd steeds luider:
“Denk aan moeders raad, lief kind,"
Duizend vogelkeeltjes kweelden:
“Weet dat je je in gevaar bevindt."

Toen Roodkapje weer wou bukken,
Kraakten stappen in het woud.
Even later stond daar vóór haar,
De wrede wolf in 't kreupelhout ....

Roodkapje keek in zijn bek, die
Angstaanjagend open stond.
En ze kon nu pas begrijpen,
In welk gevaar ze zich bevond!

't Kind begon van angst te beven,
Toen ze 't ondier daar zag staan.
Langzaam kwam het monster nader,
Rechtstreeks op Roodkapje aan!

“Wat doe je hier? Dat wil ik weten!”
Riep de wolf met bars geluid.
“En wat draag je in dat mandje,
Leg me dat eens even uit!’

“’k Doe een boodschap voor m'n moeder
Die mij straks heeft uitgestuurd
Met wat wafels, voor m'n grootmoe,
Want die woont hier in de buurt,"

De wolf begon toen lief te knikken,
Er kwam een glimlach om zijn mond,
Maar daar hij bang was, dat men loerde
Keek hij daarbij voorzichtig rond.

“Waarom heb je 't pad verlaten?"
Zei de wolf toen met een lach.
“Weet je dan niet, dat je nimmer
Met de wolven praten mag .... ?"

Roodkapje keek wat verwonderd,
De wolf leek lang nog niet zo kwaad.
Moeder had vast overdreven.
Ze versmaadde dus haar raad.

“Moe dacht, dat u me zoudt pakken",
Zei Roodkapje toen vrijuit.
“Maar ze schijnt zich te vergissen,
U ziet er zo boos niet uit!”

“Ook de houthakker vertelde,
Dat u zo gevaarlijk bent,
Maar nu ik hier sta te praten,
Merk ik, dat hij u niet kent!'"

“Wat de mensen allen praten,
Is je reinste leugentaal.
'k Vind het werk'lijk," zei de wolf boos,
“Een geweldig groot schandaal.

Toen begon de wolf te vragen:
“Woont je Grootmoe ginds alleen?"
“Ja, meneer," zeide Roodkapje,
“’k Ga er nu heel spoedig heen."

“Grootmoe zal naar mij verlangen,
Want ze ligt ginds ziek in bed.
Ze heeft om mij er in te laten,
De deur maar op de klink gezet."

De wolf zei: “Ga nu niet zo haastig,
Maak maar eerst je ruiker klaar.
Stoor je maar niet aan je moeder,
Want je bent toch ver van haar .... !”

“Ik ga nu een eindje lopen,
Pluk je beide handjes vol.
Van mij heb je niets te vrezen,
Ik keer terug weer naar mijn hol."

Weer zongen vogels in de bomen:
“Denk aan moeders raad, mijn kind!”
't Kind begreep maar niet hun roepen:
“Weet, dat ge u in nood bevindt!”

De wolf had reeds het bos verlaten.
Haastig spoedde hij zich op weg,
Weldra stond hij voor het huisje,
Nog verborgen bij de heg.

Drie maal 'sloop hij rond de woning,
Niemand was op 't erf te zien.
Toen ging hij 't hekje binnen,
Wachtte daar een tel of tien.

Hij klopte met beide klauwen,
Daarna bleef hij rustig staan.
Tot hij binnen leven hoorde,
En de deur was losgegaan.

“Wie is daar?" werd er geroepen.
"t Was de stem van d'oude vrouw.
"Ikke, Grootmoe", riep het monster,
“Mag ik trekken aan 't touw?"

Grootmoe riep: “Ben jij 't Roodkapje?
Kom er dan maar heel gauw in!”
“Ja, Grootmoe", antwoordde 't monster,
“Ik ben het, is 't naar uw zin?"

Toen sprong 't wilde beest naar binnen.
’t Vloog meteen naar Grootmoe's bed,
De arme vrouw begon te gillen,
Doch daar werd niet op gelet.

Grootmoe wilde zich verweren,
Opdat het monster wijken zou,
Doch de wolf greep woest haar armen,
En verslond de arme vrouw.

Toen hij haar had opgegeten,
Rustte hij eerst even uit,
En nam daarna zonder aarzelen
Een afgrijselijk besluit:

De wolf heeft Grootmoe's jak gestolen,
En haar slaapmuts opgezet.
Stapte daarna heel brutaalweg,
Haastig in het grote bed.

Ook bond hij nog enkele doeken,
Om zijn lelijke ruige kop.
En juist toen hij dit gedaan had,
Klonk het buiten: klop, klop klop!

Roodkapje was 't huis genaderd,
Er vloog 'n vogel naar het kind.
“Weet toch," riep het vlugge diertje,
“Dat ge u in gevaar bevindt."

't Kind hoorde de vogel roepen.
Even bleef ze lachend staan.
Want ze kon ook nog niet weten,
Wat de wolf juist had gedaan.

Had Roodkapje door gelopen,
En geen bloemetjes geplukt,
Ongetwijfeld zou den wolf dan
Al dit wreeds niet zijn gelukt.

Nu kreeg 't kleine meisje honger.
Gaarne had ze wat gelust.
Zou Grootmoe haar een wafel geven.
Als ze straks was uitgerust?

Maar toen moest ze eensklaps denken:
“Wat klinkt Grootmoe's stem toch raar."
't Kind begon wat bang te worden,
En dat werd de wolf gewaar!

Hij begon opnieuw te roepen:
“Goed kind, open maar de poort,
Loop dan vlug maar naar de deur toe,
En trek daarna aan het koord."

't Meisje trok, de deur ging open.
Daar lag Grootmoe in het bed.
En de wolf was op z'n hoede!
Daar is 't meisje, opgelet!

Dadelijk vroeg Roodkapje vriendelijk,
Hoe of het Grootmoe ging,
Toen begon de wolf te hoesten,
Tot de tong z'n bek uit hing.

Roodkapje kreeg medelijden,
Ze beklaagde 't arme mens.
“Kan ik iets voor U klaar maken?
Hebt U soms een kleine wens?"

Even bleef de wolf toen peinzen,
Wat hij nu wel hebben wou.
Maar hij moest voorzichtig wezen,
Met hetgeen hij zeggen, zou.

“Weet je wat je doet, mijn kindje,"
Zei toen zacht het wrede beest,
“Kom maar heel dicht bij me zitten,
Dat verheugt me thans het meest."

Roodkapje deed wat Grootmoe wilde
Heel dicht zat ze nu bij 't bed.
Maar de wolf had ondertussen
Heel zorgvuldig opgelet!

't Meisje schrok toen z'even later
Grootmoe in haar ogen keek.
“Wat hebt U toch grote ogen."
Zei ze helemaal van streek.

“Dat is om goed te kunnen kijken,
Wie zich in mijn huis. bevindt!”
“Wat hebt u een grote neus toch,"
Sprak opnieuw 't verbaasde kind.

Dat is om goed te kunnen ruiken,"
antwoordde het beest toen weer:
“Wat hebt U toch grote tanden,"
Vroeg het kind de derde keer.

“Dat is om goed te kunnen eten,"
Antwoordde de wolf daarop.
Brullend greep hij toen Roodkapje
En at haar wreedaardig op.

Daarna is de wolf gaan slapen
En hij snurkte daarbij luid.
Want hij was vermoeid geworden
Na 't verslinden van zo'n buit!

De houthakkers in de bossen
Hadden het gegil gehoord.
En ze waren gauw gaan kijken,
Wie de wolf toch had vermoord!

Vlug maakten zij het monster open
Gelukkig was 't nog juist op tijd,
En Roodkapje en haar Grootmoe
Werden beiden weer bevrijd!

Onderwerp

ATU 0333 - Little Red Riding Hood    ATU 0333 - Little Red Riding Hood   

AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)    AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   

Beschrijving

Roodkapje krijgt van moeder deopdracht mee om onderweg naar groomoeder direct naar grootmoeder te gaan, maar ze gaat toch het bos in om bloemen te plukken, ook al waarschuwen de dieren haar voor de wolf. In het bos ontmoet ze de wolf, vertelt dat ze naar grootmoeder gaat, en vindt hem heel vriendelijk. De wolf gaat naar grootmoeders huis, klopt aan, doet de stem van Roodkapje na, komt binnen, eet grootmoeder op, trekt haar jak aan en gaat in bed liggen. Roodkapje schrikt van de stem van grootmoeder, en van haar ogen, neus en tanden, waarop de wolf haar opeet. Houthakkers horen het gillen van Roodkapje, gaan kijken, vinden een slapende wolf, en maken dewolf open waaruit Roodkapje en grootmoederkomen.

Bron

Ko Koster [pseud. van F.H. Meijer]. Roodkapje: met 28 plaatjes om in te plakken. [S.l.]: [s.n.], [ca. 1943]
KB: KW XKR 5389
Collectie Roodkapje/Karsdorp

Motief

J21.5 - ”Do not leave the highway“:    J21.5 - ”Do not leave the highway“:   

B211.2.4 - Speaking wolf.    B211.2.4 - Speaking wolf.   

K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.    K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   

Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.    Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   

Commentaar

Naar Grimm

Naam Overig in Tekst

Roodkapje    Roodkapje   

Datum Invoer

2019-03-25