Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ROODKAPJE227 - De Groote Booze Wolf en Roodkapje

Een sprookje (boek), 1935

Hoofdtekst

De Groote Booze Wolf en Roodkapje
ROODKAPJE droeg naar hare grootmoeder, die ziek was, een lekkere wafel en een flesch goeden ouden wijn, in een korfje dat aan haar arm hing. Daar het schoon weder was, had ze haar rokje en manteltje met rood kapje omgedaan.
Vroolijk danste en dartelde ze langsheen den weg die, voorbij het huis der drie zwijntjes, Noufnouf, Nifnif en Nafnaf, naar grootmoeder's woning leidde. Sedert den tijd, dat de groote booze wolf de huisjes van Noufnof en Nifnif had vernield, woonden de twee zwijntjes bij hun broer Nafnaf in. 't Was ook om hen dat Nafnaf zijn huisje ging vergrooten, terwijl de twee lustige kwanten, om hem daarbij te helpen en gezien hun weinig werkzame natuur, niets beters wisten dan een deuntje te spelen. Niet zoodra hadden die beiden Roodkapje gezien, of ze begroeten haar vriendelijk en vroegen naar het doel van hare reis. Dadelijk besloten ze haar te vergezellen. De ernstige Nafnaf ried hen aan langs het bosch om te gaan, om gevaarlijke ontmoetingen te vermijden. Noufnouf en Nifnif, die geen gevaar vreesden, zoolang het ver weg was, lachten om hun voorzichtige broer, die overal den grooten boozen wolf meende te zien. Terwijl de eene op zijn fluitje speelde en d'andere vedelde, gingen zij, hun gekend liedje zingende “Wie is bang voor den boozen wolf” met Roodkapje tot aan den zoom van het bosch.
Na eenig beraad, en de woorden van broer Nafnaf niet meer indachtig, besloten ze dwars door het bosch te gaan en zagen niet hoe, doorheen de boomen, de booze wolf hen beloerde. Hij likkebaarde op het zicht van de drie malsche beetjes, die daar onbezorgd voorbijtrokken. Om er echter geen te missen, besloot hij een list te gebruiken. Uit den diepen zak, die hij met zich droeg, dook hij pruik op, een verguldkartonnen kroon, een vergulde staaf met een ster bovenop, een paar vleugeltjes, balschoenen en een zijden kleed. Vlug vermomde hij zich in een toovergodin, knoopte zijn broeksriemen tot een schommel over een tak en begon bevallig heen en weer over den weg te zwieren, wanneer Roodkapje en de twee zwijntjes naderden. Die ontmoeting was niets naar hun zin en zelfs de verzekering, die de wolf hen gaf, dat hij Goudlok, de koningin der feëen was kon hen niet geruststellen. Wanneer ten laatste dat over en weer wiegen van die raar-uitziende fee hun vroolijkheid begon op te wekken, pats ! daar brak de tak en de gewaande toovergodin viel te midden van den weg, op den grond, terwijl de wolvenklauwen uit de bonte feëenkleederen te voorschijn kwamen.
Hoe Roodkapje en de zwijntjes vluchtten kan men raden. Met een woedend gegrom liep de wolf Roodkapje achterna, te denken aan den tak dien hij achter zich aansleepte. Onder het loopen geraakte de tak dwars tusschen een struik geklemd en daar ging de wolf met zijn snoet tegen een boomstam. Dat zou de redding van Roodkapje geweest zijn, ware de wolf niet zoo bekend geweest met de binnenwegeltjes van het bosch. Hij kwam dan ook vóór Roodkapje aan grootmoeders huis, sprong binnen en wilde zich op de oude vrouw werpen, die te bed lag. Deze echter sprong recht, zoo vlug hare oude beenen het toelieten, sloeg een paar dekens om en gelukte erin de ingemaakte kast te bereiken, waarvan ze de deur vóór den neus van den wolf toesloeg.
In zijn woede beukte de wolf tevergeefs op de gesloten deur en vergat Roodkapje, die nu aan het huisje klopte. Dat gerucht bracht de wolf tot bezinning. Rap stak hij zich in een nachthemd van grootmoeder, zette een harer mutsen op en kroop, tot aan zijn neus toegedekt, in bed. Op beverigen toon riep hij : “Binnen”. Roodkapje stapte de kamer in en vernam belangstellend naar grootmoeders toestand. Hoe verwonderd was ze echter, grootmoeder zoo veranderd te vinden en het kind werd bang.
-- "Och, grootmoeder", sprak ze, "wat hebt ge groote oogen!"
-- “Dat is om U beter te zien, mijn kind".
-- "Och, grootmoeder, wat hebt ge een grooten neus!”
-- "Dat is om U beter te rieken, mijn kind" antwoordde de wolf.
-- “Maar, grootmoeder, wat hebt ge toch een grooten mond”, zei Roodkapje.
-- "En ge hebt er nog maar de helft van gezien”, riep de wolf, ditmaal met zijn ruwe wolvenstem en sprong uit het bed naar het kind toe.
Roodkapje, die nogal slim was, liep in zig zag naar de deur, zoodat de wolf, verschalkt, ergens tegen aan botste. Aan de ingemaakte kast gekomen, lichte grootmoeder, die alles geraden had, met een uiterste krachtinspanning het kind door den waaier vlug naar binnen. Dit ziend begon de wolf, met razend geweld aan de deur te sleuren en te trekken, die, ofschoon stevig gemaakt, niet lang meer zou kunnen weerstaan.
Ondertusschen hadden de twee zwijntjes, nog hijgend van het loopen, hun broer Nafnaf alles verteld. Deze aarzelde geen oogenblik, raadpleegde een heel nuttig boek over “verdedigingsmiddelen”, stak een doos met maïs-korrels en een kleine spade in een zak en snelde naar grootmoeders huis. Noufnouf met zijn vedeltje, en Nifnif met zijn fluitje, liepen hem, zoo vlug ze konden, achterna. Aan grootmoeders huis gekomen, hoorde Nafnaf het wolvengeweld daarbinnen en had, met een oogslag door het venster, den toestand overzien. Hij maakte van een ongezien oogenblik gebruik om achter den wolf aan te sluipen, zijn doos met maïskorrels in de gapende wolvenbroek uit te schudden en, met een vlugge beweging, er een schup brandende kolen uit den haard aan toe te voegen. Bij de aanraking der brandende kolen, ontploften de maïskorrels onder luid geknal, met een effekt als van een vuurwerk. Oei! oei! oei! dat was den wolf niet naar den zin en met een vreeselijk gehuil wipte hij bijna tot tegen het plafond. Als een gek liep en sprong hij in het rond, nam een geweldige aanloop en vloog, los door het dak, tot op den weg langs waar hij vierklauwens vluchtte en welhaast in de verte verdween.
Nafnaf had grootmoeder en Roodkapje reeds uit de kast geholpen, wanneer de beide anderen aan het huisje kwamen. Alle gevaar was weg, want de groote booze wolf was vertrokken. Terwijl grootmoeder -- bekomen van den doorgestanen schrik -- terug naarstig aan haar breiwerk ging en Roodkapje het harmonium bespeelde, waarvan Nafnaf de blaasbalg hield, dansten Noufnouf en Nifnif en zongen zoo luid ze maar konden hun geliefd refrein “Wie is er bang van den boozen wolf”.

Onderwerp

ATU 0333 - Little Red Riding Hood    ATU 0333 - Little Red Riding Hood   

AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)    AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   

Beschrijving

Onderweg naar zieke grootmoeder komt Roodkapje langs het huis van de drie zwijntjes, waarvan twee met haar meegaan. Ondanks de waarschuwing om het bos heen te lopen, gaan ze door het bos. De wolf ziet hen, verkleedt zich als tovergodin, maar Roodkapje en de zwijntjes geloven het niet en vluchten als een wolvenklauw is te zien. De wolf is als eerste bij grootmoeders huis, wil haar opeten, maar ze kan zichzelf in een kast opsluiten. De wolf trekt een nachthemd aan, zet een muts op en gaat in bed liggen. Roodkapje schrikt van grootmoeders ogen, neus en mond, waarop de wolf haar wil pakken, maar grootmoeder kan Roodkapje de kast in trekken. De twee zwijntjes zijn hun broer gaan halen. Hij neemt maiskorrels mee, strooit ze in de broek van de wolf, doet er brandende kolen bij, waardoor de maiskorrels ontploffen, en de wolf vlucht.

Bron

Walt Disney. De Beukelaer's album De drie zwijntjes en De groote booze wolf en Roodkapje: 100 chromos [Antwerpen]: [De Beukelaer's Fabrieken], [ca. 1935]
KB: KW XKZ 0177
Collectie Roodkapje/Karsdorp

Motief

J21.5 - ”Do not leave the highway“:    J21.5 - ”Do not leave the highway“:   

B211.2.4 - Speaking wolf.    B211.2.4 - Speaking wolf.   

K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.    K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   

Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.    Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   

Naam Overig in Tekst

Roodkapje    Roodkapje   

Noufnouf    Noufnouf   

Nafnaf    Nafnaf   

Nifnif    Nifnif   

Goudlok    Goudlok   

Datum Invoer

2019-04-03