Hoofdtekst
Roodkapje of ongehoorzaamheid gestraft.
In zeker dorp woonde een moeder, die voor haar dochtertje een rood kapje had gemaakt. Dit kapje stond haar zoo goed, dat zij het altijd droeg, waarom iedereen in het dorp haar Roodkapje noemde. Maar al zag dit meisje er ook nog zoo lief uit, zoo kon zij toch wel eens heel stout en ongehoorzaam zijn. Reeds dikwijls had haar moeder haar hierover beknord en tegen haar gezegd, dat het nooit goed met haar zou afloopen, als zij zoo ongehoorzaam bleef, maar Roodkapje wou niet naar haar moeder hooren.
Roodkapje had nog een grootmoeder, die al heel oud was en die in een ander dorp woonde. Op zekeren dag had Roodkapjes moeder wat wafeltjes gebakken en zeide nu tegen haar dochtertje: “Je moet eens gaan kijken, hoe het met grootmoeder gaat, want ik heb gehoord, dat zij niet al te wel is; dan zal ik wat wafeltjes en een potje boter in een mandje doen, en dan kan je dat meteen voor haar meenemen." Dadelijk maakte Roodkapje zich klaar, en vóórdat zij heenging, zei moeder nog tegen haar: “Je moet den naasten weg maar gaan en je vooral onderweg niet ophouden." Roodkapje beloofde dit en ging met het mandje aan den arm de deur uit.
Nu moet ge weten, dat men, om van het dorp, waarin Roodkapje woonde, naar haar grootmoeder te komen, een heel groot bosch door moest, waarin wilde dieren waren; maar daar het nog midden op den dag was en de wilde dieren eerst tegen den avond te voorschijn komen, was haar moeder er niet bang voor, dat zij er een zou ontmoeten.
Maar in plaats van te doen, wat haar moeder haar gezegd had, bleef Roodkapje telkens eens staan om bloempjes te plukken, of hazelnoten te zoeken, of kapelletjes achterna te loopen. En zoo begon het al donker in 't bosch te worden, vóórdat zij nog de helft van den weg had afgelegd.
Op eens ziet Roodkapje een wolf op zich afkomen. Daar deze wolf een geduchten honger had, zou hij Roodkapje wel hebben willen opeten, maar hij durfde dit niet te doen; want dicht in de nabijheid waren er een paar houthakkers aan 't werk, die hem zeker zouden doodslaan, als zij zagen, dat hij zulk een lief meisje opat. Toch vroeg hij haar, waar zij heenging. “Ik moet naar grootmoeder toe," antwoordde Roodkapje, “om eens te kijken, hoe het met haar gaat, en om haar wat wafeltjes en een potje boter te brengen." -- “Woont je grootmoeder ver hier vandaan. vroeg de wolf weer. -- “Ja, 't is nog een heel eind," hernam Roodkapje; “zij woont even voorbij den molen, in 't eerste huisje, dat je ziet staan, als je het dorp inkomt." -- “Wel zoo!" zei de wolf, “ik wil dat goede mensch ook wel eens opzoeken; maar dan zullen wij ieder een anderen weg gaan en eens zien, wie er het eerst is.”
Zoo gezegd, zoo gedaan. Maar nu zult ge wel begrijpen, dat de wolf, die veel grooter stappen kon doen dan Roodkapje en die bovendien zoo slim geweest was om den kortsten weg voor zich te kiezen, veel gauwer bij het huisje van Roodkapjes grootmoeder aankwam dan Roodkapje zelf.
Zoodra hij daar was, klopte hij op de deur. “Wie is daar?" vroeg de grootmoeder. -- “Roodkapje, grootmoeder!" antwoordde de wolf, die zijn best deed om met een heel fijn stemmetje te spreken. “Trek maar aan het touwtje, dan zal de deur van zelf wel opengaan !" riep de grootmoeder weer. De wolf deed dit en trad binnen. Maar hoe verwonderd keek nu de grootmoeder op, toen zij overeind kwam en, in plaats van Roodkapje, een wolf voor haar bed zag staan. Zij gaf een luiden gil en strekte haar handen uit om het beest weg te jagen; maar de wolf liet zich hierdoor niet afschrikken, pakte haar met zijn pooten beet en hapte haar een, twee, drie op.
Maar nog was de hongerige wolf niet verzadigd, en daar hij heel veel trek had om ook Roodkapje op te eten, zette hij de muts van Roodkapjes grootmoeder op, ging te bed liggen, en wachtte, totdat het meisje kwam.
Dit duurde een heelen tijd, want Roodkapje had niet veel haast gemaakt en weer bloempjes geplukt, hazelnoten gezocht en kapelletjes achternageloopen, zonder te denken aan hetgeen haar moeder tegen haar gezegd had.
Op eens ging het: “klop, klop, klop !" op de deur. -- “Wie is daar?" vroeg de wolf, die zijn best deed om zoo te spreken als Roodkapjes grootmoeder tegen hem gedaan had; maar toch was zijn stem nog heel grof. Het arme meisje werd eerst bang, toen zij die grove stem hoorde, maar toen dacht zij: “Grootmoeder is zeker verkouden, en daardoor spreekt zij zoo schor.” En nu antwoordde zij: “Ik ben 't, grootmoeder! Ik kom u wat wafeltjes brengen en een potje boter, dat moeder mij voor u meegegeven heeft." -- “Trek maar aan het touwtje, dan zal de deur van zelf wel opengaan !" riep de wolf nu uit het bed.
Roodkapje deed dit, en nu ging de deur open. Dadelijk liep zij naar het bed toe, waarin haar grootmoeder lag, en schoof het gordijn weg. Maar het was al zoo donker, dat Roodkapje niet eens kon zien, wie er in bed lag, en dus niet anders dacht, of het was haar grootmoeder. Toen zij daar zoo voor het bed stond, zei de wolf tegen haar: “Zet je mandje maar op de tafel neer, en kom dan wat bij je grootmoeder te bed liggen, dan kan je wat uitrusten; want je zult zeker wel moe van de wandeling zijn." Roodkapje kleedde zich nu uit, stapte in bed en legde zich naast den wolf neer. Nu kon zij hem beter onderscheiden, maar zij dacht toch nog altijd, dat het haar grootmoeder was. Doch zij vond toch, dat haar grootmoeder er zoo vreemd uitzag, en riep verwonderd uit: “Wel, grootmoeder! wat heeft u groote oogen!" -- “Dat is," antwoordde de wolf, “om des te beter te kunnen zien !" -- “Wel, grootmoeder!" zei Roodkapje weer. “wat heeft u een grooten neus!" -- “Dat is om des te beter te kunnen ruiken !" -- “Wel, grootmoeder! wat heeft u groote ooren !" —- “Dat is om des te beter te kunnen hooren !" -- Wel, grootmoeder! wat heeft u een grooten mond !" -- “Dat is om je des te beter te kunnen opeten !" En meteen pakte de wolf Roodkapje beet en at haar heelemaal op, en bovendien nog de wafeltjes en de boter, die zij meegebracht had.
Verschrikkelijk, niet waar, kinderen? Maar 't was Roodkapjes eigen schuld. Was zij toch niet zoo ongehoorzaam geweest en had zij goed doorgeloopen, dan had zij al lang vóór den donker bij haar grootmoeder kunnen zijn, en dan was zij zeker geen wolf tegengekomen en door geen wolf opgegeten. Maar zoo gaat het, als kinderen aan hun ouders ongehoorzaam zijn; want ongehoorzaamheid wordt altijd op de een of andere wijze gestraft. Daarom zegt men te recht: "Die kwaad doet, kwaad ontmoet !" en: “Wie niet hooren wil, moet voelen!"
In zeker dorp woonde een moeder, die voor haar dochtertje een rood kapje had gemaakt. Dit kapje stond haar zoo goed, dat zij het altijd droeg, waarom iedereen in het dorp haar Roodkapje noemde. Maar al zag dit meisje er ook nog zoo lief uit, zoo kon zij toch wel eens heel stout en ongehoorzaam zijn. Reeds dikwijls had haar moeder haar hierover beknord en tegen haar gezegd, dat het nooit goed met haar zou afloopen, als zij zoo ongehoorzaam bleef, maar Roodkapje wou niet naar haar moeder hooren.
Roodkapje had nog een grootmoeder, die al heel oud was en die in een ander dorp woonde. Op zekeren dag had Roodkapjes moeder wat wafeltjes gebakken en zeide nu tegen haar dochtertje: “Je moet eens gaan kijken, hoe het met grootmoeder gaat, want ik heb gehoord, dat zij niet al te wel is; dan zal ik wat wafeltjes en een potje boter in een mandje doen, en dan kan je dat meteen voor haar meenemen." Dadelijk maakte Roodkapje zich klaar, en vóórdat zij heenging, zei moeder nog tegen haar: “Je moet den naasten weg maar gaan en je vooral onderweg niet ophouden." Roodkapje beloofde dit en ging met het mandje aan den arm de deur uit.
Nu moet ge weten, dat men, om van het dorp, waarin Roodkapje woonde, naar haar grootmoeder te komen, een heel groot bosch door moest, waarin wilde dieren waren; maar daar het nog midden op den dag was en de wilde dieren eerst tegen den avond te voorschijn komen, was haar moeder er niet bang voor, dat zij er een zou ontmoeten.
Maar in plaats van te doen, wat haar moeder haar gezegd had, bleef Roodkapje telkens eens staan om bloempjes te plukken, of hazelnoten te zoeken, of kapelletjes achterna te loopen. En zoo begon het al donker in 't bosch te worden, vóórdat zij nog de helft van den weg had afgelegd.
Op eens ziet Roodkapje een wolf op zich afkomen. Daar deze wolf een geduchten honger had, zou hij Roodkapje wel hebben willen opeten, maar hij durfde dit niet te doen; want dicht in de nabijheid waren er een paar houthakkers aan 't werk, die hem zeker zouden doodslaan, als zij zagen, dat hij zulk een lief meisje opat. Toch vroeg hij haar, waar zij heenging. “Ik moet naar grootmoeder toe," antwoordde Roodkapje, “om eens te kijken, hoe het met haar gaat, en om haar wat wafeltjes en een potje boter te brengen." -- “Woont je grootmoeder ver hier vandaan. vroeg de wolf weer. -- “Ja, 't is nog een heel eind," hernam Roodkapje; “zij woont even voorbij den molen, in 't eerste huisje, dat je ziet staan, als je het dorp inkomt." -- “Wel zoo!" zei de wolf, “ik wil dat goede mensch ook wel eens opzoeken; maar dan zullen wij ieder een anderen weg gaan en eens zien, wie er het eerst is.”
Zoo gezegd, zoo gedaan. Maar nu zult ge wel begrijpen, dat de wolf, die veel grooter stappen kon doen dan Roodkapje en die bovendien zoo slim geweest was om den kortsten weg voor zich te kiezen, veel gauwer bij het huisje van Roodkapjes grootmoeder aankwam dan Roodkapje zelf.
Zoodra hij daar was, klopte hij op de deur. “Wie is daar?" vroeg de grootmoeder. -- “Roodkapje, grootmoeder!" antwoordde de wolf, die zijn best deed om met een heel fijn stemmetje te spreken. “Trek maar aan het touwtje, dan zal de deur van zelf wel opengaan !" riep de grootmoeder weer. De wolf deed dit en trad binnen. Maar hoe verwonderd keek nu de grootmoeder op, toen zij overeind kwam en, in plaats van Roodkapje, een wolf voor haar bed zag staan. Zij gaf een luiden gil en strekte haar handen uit om het beest weg te jagen; maar de wolf liet zich hierdoor niet afschrikken, pakte haar met zijn pooten beet en hapte haar een, twee, drie op.
Maar nog was de hongerige wolf niet verzadigd, en daar hij heel veel trek had om ook Roodkapje op te eten, zette hij de muts van Roodkapjes grootmoeder op, ging te bed liggen, en wachtte, totdat het meisje kwam.
Dit duurde een heelen tijd, want Roodkapje had niet veel haast gemaakt en weer bloempjes geplukt, hazelnoten gezocht en kapelletjes achternageloopen, zonder te denken aan hetgeen haar moeder tegen haar gezegd had.
Op eens ging het: “klop, klop, klop !" op de deur. -- “Wie is daar?" vroeg de wolf, die zijn best deed om zoo te spreken als Roodkapjes grootmoeder tegen hem gedaan had; maar toch was zijn stem nog heel grof. Het arme meisje werd eerst bang, toen zij die grove stem hoorde, maar toen dacht zij: “Grootmoeder is zeker verkouden, en daardoor spreekt zij zoo schor.” En nu antwoordde zij: “Ik ben 't, grootmoeder! Ik kom u wat wafeltjes brengen en een potje boter, dat moeder mij voor u meegegeven heeft." -- “Trek maar aan het touwtje, dan zal de deur van zelf wel opengaan !" riep de wolf nu uit het bed.
Roodkapje deed dit, en nu ging de deur open. Dadelijk liep zij naar het bed toe, waarin haar grootmoeder lag, en schoof het gordijn weg. Maar het was al zoo donker, dat Roodkapje niet eens kon zien, wie er in bed lag, en dus niet anders dacht, of het was haar grootmoeder. Toen zij daar zoo voor het bed stond, zei de wolf tegen haar: “Zet je mandje maar op de tafel neer, en kom dan wat bij je grootmoeder te bed liggen, dan kan je wat uitrusten; want je zult zeker wel moe van de wandeling zijn." Roodkapje kleedde zich nu uit, stapte in bed en legde zich naast den wolf neer. Nu kon zij hem beter onderscheiden, maar zij dacht toch nog altijd, dat het haar grootmoeder was. Doch zij vond toch, dat haar grootmoeder er zoo vreemd uitzag, en riep verwonderd uit: “Wel, grootmoeder! wat heeft u groote oogen!" -- “Dat is," antwoordde de wolf, “om des te beter te kunnen zien !" -- “Wel, grootmoeder!" zei Roodkapje weer. “wat heeft u een grooten neus!" -- “Dat is om des te beter te kunnen ruiken !" -- “Wel, grootmoeder! wat heeft u groote ooren !" —- “Dat is om des te beter te kunnen hooren !" -- Wel, grootmoeder! wat heeft u een grooten mond !" -- “Dat is om je des te beter te kunnen opeten !" En meteen pakte de wolf Roodkapje beet en at haar heelemaal op, en bovendien nog de wafeltjes en de boter, die zij meegebracht had.
Verschrikkelijk, niet waar, kinderen? Maar 't was Roodkapjes eigen schuld. Was zij toch niet zoo ongehoorzaam geweest en had zij goed doorgeloopen, dan had zij al lang vóór den donker bij haar grootmoeder kunnen zijn, en dan was zij zeker geen wolf tegengekomen en door geen wolf opgegeten. Maar zoo gaat het, als kinderen aan hun ouders ongehoorzaam zijn; want ongehoorzaamheid wordt altijd op de een of andere wijze gestraft. Daarom zegt men te recht: "Die kwaad doet, kwaad ontmoet !" en: “Wie niet hooren wil, moet voelen!"
Onderwerp
ATU 0333 - Little Red Riding Hood   
AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   
Beschrijving
Ondanks de waarschuwing van moeder om onderweg naar grootmoeder de kortste weg te nemen en niet te treuzelen, is Roodkapje, zoals vaker, ongehoorzaam. In het bos ontmoet ze een wolf, vertelt dat ze naar grootmoeder gaat en waar ze woont. De wolf laat Roodkapje de langste weg nemen, waardoor hij als eerste bij grootmoeder is. Hij klopt aan, doet de stem van Roodkapje na, mag binnenkomen, eet grootmoeder op, verkleedt zich als haar en gaat in bed liggen. Roodkapje klopt aan, de wolf doet grootmoeders stem na, Roodkapje verbaast zich over de stem van grootmoeder, kleedt zich uit en gaat bij de wolf in bed liggen, verbaast zich over ogen, oren, neus en mond van grootmoeder, waarop de wolf haar opeet. Eindigt met stelling dat het Roodkapjes eigen schuld was, ze had niet ongehoorzaam moeten zijn.
Bron
S.J. Andriessen. Zes vertellingen van Moeder de gans. Haarlem: De Haan, [188-?]
KB: KW SMC K 2133
Collectie Roodkapje/Karsdorp
KB: KW SMC K 2133
Collectie Roodkapje/Karsdorp
Motief
J21.5 - ”Do not leave the highway“:   
B211.2.4 - Speaking wolf.   
K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   
Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   
Naam Overig in Tekst
Roodkapje   
Datum Invoer
2019-04-08
