Hoofdtekst
ROODKAPJE
Een aardig meisje, van nauwelijks zeven jaren oud, woonde met haar moeder in een eenvoudig doch net huisje, dat keurig zindelijk onderhouden werd, aan den zoom van een uitgestrekt woud. Iedereen zag dit kind gaarne, want altijd was zij vroolijk en vriendelijk, doch één gebrek had zij, dat vooral haar moeder dikwijls groot verdriet deed: het meisje was niet altijd gehoorzaam. In den geheelen omtrek stond zij bekend onder den naam van “Roodkapje", en zelfs haar moeder noemde haar meestal zoo.
Weet ge nu hoe zij eigenlijk aan dien vreemdsoortigen naam gekomen was? Niet? Dan wil ik u dit allereerst even vertellen. Een jaar zoo ongeveer geleden, toen het meisje haar zesden verjaardag vierde, had haar grootmoeder voor het lieve kleindochtertje een fraaie, warme muts gemaakt, een soort kaper, van mooie zacht-roode wol.
Deze muts of kaper stond het meisje allerliefst, doch naar de kleur noemde iedereen het hoofddeksel een rood kapje en de naam, welken men alleen bestemd had voor de muts, ging geheel op het meisje over.
De grootmoeder, die de mooie kaper vervaardigd had, woonde wel een uur verder, ten naastebij aan den anderen kant van het groote bosch. Toen op zekeren morgen Roodkapje bezig was, om achter het huisje van hare moeder de kippen te voeren, trof een heerlijke geur van lekker gebak haar neusje. “Wacht,” zeide ze: “ik moet toch eens zien, wat moeder bakt. 't is zeker iets heel lekkers, want pannekoeken ruiken toch anders.” Het meisje opende de deur der kleine keuken en vroeg: “wat bakt u toch, Moe?" “Dat zou 't nieuwsgierig Roodkapje zeker graag willen weten, hè?" zei de moeder. “Mag ik dan eens raden?” sprak 't meisje, nu nog nieuwsgieriger geworden. “Och, je raadt 't toch niet in zessen,” lachte de moeder. “Dat wil ik toch eens probeeren, Moe,” ging Roodkapje voort; “ik wed van oliekoeken.” “Mis, kind!” hernam de moeder. “Poffertjes dan?" zei de kleine vraagster weer. “Ook niet, meisje!” Nu werd Roodkapje zoo mogelijk nog nieuwsgieriger. “Moe,” zei ze weer; “heb ik nu al zesmaal geraden?” “Dat weet ik niet, kind! ik heb 't niet geteld," antwoordde de moeder. “Goed! ik zal toch nog eens raden.” “Je raadt 't toch niet, nieuwsgierig Aagje,” plaagde de moeder. “Nu, ik raad van tulband,” klonk ’t weer uit den mond der kleine snapster. “Alweer mis! Maar ik zal 't je dan maar zeggen: ik bak wafels!” “Hé, heerlijk! Krijg ik er een Moe?” vleide Roodkapje. “Nog niet,” antwoordde de moeder. “Strakjes!” “Strakjes! dat duurt nog zoo lang; geeft u mij er nu maar liever een,’ zei Roodkapje. “Neen, neen, kind!” sprak de moeder; “ik zal er één voor je bewaren; maar deze moeten eerst weggebracht worden.” “Weggebracht? Waarheen dan wel?” vroeg het dochtertje weer. “Naar grootmoe. Ze is sedert een paar dagen al niet goed in orde; misschien lust ze nu wel een wafeltje.” “Dat denk ik ook, Moe; ik zou er tenminste heel graag een lusten,” zoo babbelde Roodkapje al maar door. “Nu,” sprak de moeder; “breng jij dan eerst deze wafels naar grootmoe, en als je dan terugkomt, mag je deze opeten, die ik zoolang in de kast zal sluiten.” “Mag ik er dan eerst niet een klein stukje van proeven; een heel klein stukje maar?” drong het meisje verder aan; maar de moeder werd nu knorrig en zei: “foei, je moet er nu niet langer over praten, anders geef ik de wafel aan den boschwolf.” “O, dat zou zonde zijn,” meende Roodkapje; maar drong nu toch niet verder aan, om reeds nu een stukje van de wafel te mogen proeven. “Let nu goed op,” sprak Roodkapje's moeder, terwijl zij de wafels netjes in papier wikkelde en toen in een keurig armmandje legde; “let nu goed op, dat je 't mandje zoo draagt; anders zullen de wafels breken.” “Jawel Moe," hernam het meisje; “ik zal ze wel voorzichtig dragen." “Goed dan,” zei de moeder verder en nam een potje boter uit de kast; “hier aan dit potje zit een touw; draag nu dit potje zoo aan je andere hand; ik heb een pond versche boter in 't potje gedaan, moet je aan grootmoe zeggen." “Bestig Moe, ik zal er voor zorgen," antwoordde het bijdehande Roodkapje, dat heel erg best boodschappen kon doen, maar daarbij 't ongeluk had wel eens veel langer uit te blijven dan noodig was.
Doch het meisje luisterde zoo graag naar de blijde zangvogeltjes, waarvan het uitgestrekte bosch letterlijk wemelde, en ze mocht zoo gaarne ruikers maken van de menigvuldige woudbloemen, die overal in 't wild groeiden en geurden. Uren kon zij zoo in de nabijheid der houthakkers in het bosch bezig zijn. Maar telkens als de mannen het meisje ontmoetten of zagen bloemenplukken, waarschuwden zij haar, om toch niet te ver van den weg af te dwalen, omdat de boschwolf haar dan wel eens kon ontmoeten en zonder genade zou verscheuren en opeten.
Toen de moeder dan ook het mandje had klaargemaakt en Roodkapje, die 't potje boter reeds aan de hand had, het lekkere vrachtje aan den arm hing, sprak de bezorgde vrouw nog eenmaal: “Pas nu vooral toch op, kind! Blijf niet naar de vogeltjes staan luisteren en ga nog minder van den weg af, om bloemen te plukken of vlindertjes te vangen, want nog gisteren hebben de houthakkers den gevaarlijken boschwolf door 't kreupelhout zien sluipen. Voorzichtig dus, mijn kind.”
Roodkapje beloofde, dat zij aan moeders raad zou denken en rechtuit in eens naar grootmoeders huisje zou gaan. Met haar helder stemmetje een lustig liedje zingende, verliet zij de ouderlijke woning en trok welgemoed het bosch in. Daar zag zij een paar fraaie bonte vlinders van bloem tot bloem dartelen en stond reeds op het punt mandje en potje neer te zetten, toen zij nog intijds bedacht, wat zij hare goede moeder beloofd had. Roodkapje vervolgde daarom haren weg. Helder scheen het zonnetje en de duizenden vogeltjes zongen zoo lustig, alsof er geen booze wolven in 't bosch en geen slechte menschen op de wereld waren.
Overal geurden de veelkleurige bloemen; de bijtjes gonsden door de lucht en de kapellen zweefden en dartelden en speelden krijgertje met de fraaie vlinders, die als vliegende bloemen overal langs den weg tusschen de heldergroene bladeren der boomen het oog bekoorden. Het wandelaarstertje, reeds vroolijk van natuur, zooals gezonde kinderen plegen te zijn, wedijverde in lustig gezang met de blijde vogelen van het woud. Op eenigen afstand voor zich uit hoorde zij de bijlslagen der houthakkers, die bezig waren met het vellen van de zwaarste boomen. Toen de mannen het gezang van het meisje hoorden, staakten zij een oogenblik het werk en gingen op een gevelden boom zitten luisteren. “Dag Roodkapje!" riepen de mannen; “wel, kindlief, wat ben je vroolijk!” “Waarom zou ik niet,” sprak Roodkapje; “want ik krijg straks wat lekkers van mijn moeder." “Zoo! wat dan wel?" vroeg een der houthakkers. “Een lekkere wafel," was 't antwoord. “Ei, ei! dat smaakt beter dan paardeleer," merkte een der mannen lachend op. “En kom je ons nu ook een proefje brengen?" vroeg de andere houthakker; “dat is nu eerst recht lief van je." “Wel neen," antwoordde Roodkapje; “ik heb wel wafels in dit mandje en boter in dit potje, maar dat is alles voor grootmoeder." “Je bent een brave meid," hernam weer een der mannen; “maar waarom kom je niet een beetje bij ons zitten rusten?" “Dat mag ik volstrekt niet," antwoordde Roodkapje, “want moeder heeft gezegd, dat ik voort moest maken en niet van den weg moest afgaan." “Neen," zei een der houthakkers, "doe dat vooral niet, kind; ga niet van den weg af, want dan zou je gepakt kunnen worden door den boozen wolf." “Zijn hier vele wolven?" vroeg Roodkapje. “Jawel; ginder in 't dichtst van het bosch leven wel meer van die roofdieren," antwoordde een der mannen; “maar die zijn nog niet zoo gevaarlijk als deze." “En waarom is dan juist deze zoo gevaarlijk?" vroeg het meisje weer. “Omdat die oude rekel al meermalen menschenvleesch gegeten heeft,” hernam weer een der vriendelijke houthakkers, “als de wolven dat eenmaal geproefd hebben, zijn 't recht gevaarlijke dieren." “Maar nu moet ik heusch gaan," vervolgde Roodkapje; “als ik te lang uitbleef, zou mijn moesje maar ongerust worden." “Wacht kind," sprak een der mannen; “ik heb hier in 't kreupelhout vanmorgen nog den ruigen boschwolf zien rondsluipen; de oude rekel voert zeker weer iets in zijn schild. Hij komt wel niet zoo gemakkelijk op den openbaren weg, maar als jij zoo heel alleen bent, vertrouw ik het booze dier toch volstrekt niet." De man greep zijn bijl, legde deze over den schouder en vergezelde Roodkapje zoover door het bosch, totdat men in de verte het roode dak van grootmoeders woning kon zien. “Ziezoo,” sprak de houthakker; “loop nu maar recht door en kom niet in het kreupelhout, dan geloof ik, dat de wolf je wel met rust zal laten." “Dank u wel," zei Roodkapje en vervolgde nu alleen haar pad, terwijl de houthakker weldra weer om een bocht tusschen het geboomte verdween.
De vogeltjes schenen nog lustiger te zingen dan daar straks en vooral een paar nachtegalen sloegen zulke verrukkelijke tonen aan, dat het meisje onwillekeurig bleef staan luisteren. Zij had het liefelijk gezang der nachtegalen al dikwijls gehoord, maar zoo mooi toch nog nooit. Ook had Roodkapje nimmer zulk een zangvogel gezien en de begeerte om nu ook den zingenden nachtegaal te zien, deed haar even den weg verlaten en ter zijde in de struiken treden. Weinige schreden verder was een mooie open plek, geheel begroeid met zulke prachtige bloemen, als het meisje ze nog nimmer in het bosch had aanschouwd. “O,” dacht zij “nu wil ik wel gelooven, waarom die nachtegalen zoo mooi zingen. Wie steeds zoo nabij zulke mooie bloemen leeft en dan nog niet zou zingen, zou ik heelemaal niet begrijpen.” Meteen hief zij ook zelf weer een vroolijk wijsje aan en nu zwegen de nachtegalen, alsof zij op haar beurt naar dat aardige blonde kind met haar rood kapje op 't hoofd, wilden luisteren. “Kom,” dacht Roodkapje verder, “van die prachtige bloemen wil ik grootmoe toch een heerlijken ruiker maken." Zij ging naar de bloemrijke plek en begon er de schoonste bloemen uit te zoeken of af te plukken. O, wat geurden die bloemen toch zoet. Weer begonnen de nachtegalen hun lied aan te heffen, en 't was maar al of de vogels tot Roodkapje zongen:
“Denk aan moeders raad, lief kind!
Weet, dat ge u in nood bevindt."
Het meisje lette er niet op en begon ook weer te zingen onder het bloemenplukken. Het was alsof zij een wedstrijd met de nachtegalen hield, wie het lustigst en vroolijkst kon zingen. Reeds had zij een flinken bloemruiker bijeengegaard en deed hem in het mandje, boven op de wafels. Toen trad zij nog wat verder het bosch in, waar ook nog weer andere bloemen groeiden. Ook daarvan wilde zij een ruiker maken, en dezen straks aan hare moeder brengen. Maar toen zij daar zoo tusschen de prachtige bloemen wandelde, was het, alsof de nachtegalen zich nog luider lieten hooren:
“Denk aan moeders raad, lief kind!
Weet, dat ge u in nood bevindt."
Roodkapje dacht er echter op dat oogenblik in 't geheel niet aan, dat zij ongehoorzaam was en zeer roekeloos te werk ging. Zelfs scheen zij de waarschuwing van den houthakker vergeten te hebben, die toch nadrukkelijk gezegd had, dat zij niet van den weg moest gaan, omdat de wreede boschwolf haar anders wel eens kwaad zou kunnen doen. Zingend hurkte zij heer bij de prachtvolle bloemen en greep de stengels met de rechterhand beet, om ze in de linkerhand stevig bijeen te houden en aanstonds met een grasstengel tot een ruiker saam te binden. Bijtjes vlogen uit de bloembedden en zweefden gonzend om haar hoofd; vlugge bonte vlinders, die zelf precies bloemen geleken, zweefden haar om de goud-blonde lokken en 't was alsof alle vogels uit het bosch te gelijk een lied aanhieven, en 't haar uit duizenden kelen waarschuwend tegenklonk:
“Denk aan moeders raad, lief kind!
Weet, dat ge u in nood bevindt."
Juist strekte Roodkapje de hand naar een paar fraaie bloemen uit, toen zij een luid gekraak achter zich in het kreupelhout hooide. Haastig omziende, ontdekte zij plotseling den boozen boschwolf, die men opengesperden bek en den langen ruigen staart zwaaiend, in wilde sprongen naderde en haar reeds bereikt had, voor ze goed en wel had kunnen opstaan. Het meisje was zoo geweldig geschrokken, dat zij niet eens om hulp kon roepen; 't was haar, alsof zij geen geluid kon geven. Zij dacht niet anders of de booze wolf zou haar dadelijk met huid en haar opeten; maar het slimme dier, dat voor weinige minuten nog eenige houthakkers had gezien, durfde dit blijkbaar niet doen, hoeveel trek hij ook had in een malsch boutje.
“Wat doet gij hier?" vroeg hij eensklaps op ingehouden doch barschen toon.
“Vergeef mij, mijnheer de wolf," sprak Roodkapje; “ik zal het nooit weer doen." “Nu, nu, zoo erg is 't niet," hernam de wolf eenigszins vriendelijker. “Maar wat hebt ge daar in dat mandje?"
“Wafelen, mijnheer de wolf," antwoorde het meisje, dat over alle leden beefde.
“Zoo! en in dat potje?" vroeg de wolf weer.
“Daar is boter in, mijnheer de wolf," luidde angstig 't antwoord.
“En wat moet ge daarmee doen?" ging het dier voort met vragen.
“Dat is een geschenk van mijne moeder."
“Van je moeder," zei de wolf en vroeg toen verder: “woont die niet ginder in dat aardige huisje?"
“Neen, mijnheer de wolf," haastte Roodkapje zich te antwoorden; “daar woont mijne grootmoeder."
“O, zoo!" vervolgde het dier. “en moest je met dat mandje wafelen en het potje boter naar grootmoeder?"
“Ja, mijnheer de wolf," klonk weer "t zachte stemmetje van het meisje.
“Kom, dat is braaf gehandeld," sprak het wilde dier, dat er nu toch veel vriendelijker scheen uit te zien, dan men Roodkapje steeds had afgebeeld.
“Maar wat moet gij hier eigenlijk doen?" zoo vroeg de wolf verder.
“Ik ging maar een ruiker plukken voor mijne grootmoeder en nu wilde ik er ook een maken voor mijne moeder. Zij heeft mij wel gezegd, dat ik niet van den weg mocht gaan," keuvelde het meisje, dat zich weer meer op haar gemak begon te gevoelen, nu de boschwolf zoo vriendelijk met haar sprak.
“Ei, ei," zei het beest toen; “en waarom mocht je niet van den weg gaan?"
“Moeder zei, dat u mij dan zoudt pakken en opeten," vervolgde het kind.
“Zoo, denkt je moeder ook al, dat ik zoo boos zou zijn?" vroeg de wolf.
“Ja, en ook de houthakkers hebben mij voor u gewaarschuwd," hernam het kind.
“’t Is schande," ging de wolf voort, “dat al die menschen kwaad van mij en mijne makkers spreken. Je ziet nu zelf, kindlief, dat wij niet zoo boos zijn, als men wel vertelt."
“Maar woont je grootmoeder alleen in dat huisje?" aldus vroeg de wolf verder.
“Ja, mijnheer de wolf," sprak Roodkapje.
“En heeft ze geen hond?" luidde weer de vraag van het dier.
“Neen, mijnheer de wolf," klonk argeloos het antwoord.
Nog scheen de wolf niet genoeg gevraagd te hebben, want weer wendde hij zich tot het meisje met de vraag: “Doet je grootmoeder je altijd zelf open, als je haar bezoekt?"
“Ja, mijnheer de wolf," hernam het meisje, dat het dier nu volkomen vertrouwde; “maar nu is grootmoeder ziek en misschien ligt zij wel te bed."
“Maar dan kun je immers niet in haar huisje komen," zei 't sluwe dier.
“Och," zoo ging Roodkapje voort, “dan klop ik maar aan de deur en als grootmoeder dan roept, dat ik maar aan het touwtje moet trekken, springt de klink omhoog en gaat de deur van zelf open."
“En heb je nu je ruikers al gemaakt?" ondervroeg het slimme beest verder het meisje.
“Een is er klaar," antwoordde zij; “maar die ik voor moeder bestemd had, is nog niet gereed." “Nu,” hernam de wolf, “pluk jij hier maar op je gemak de mooiste bloemen en maak je ruiker voor je moeder ook af. Je weet nu, dat ik zulke lieve meisjes als gij er een zijt, geen kwaad doe. Ik ga nog wat in 't bosch wandelen en keer dan weer terug naar mijn hol."
Het dier verdween langzaam tusschen de struiken en met een verruimd hart bleef het meisje 't groote beest nastaren. Toen begon zij weer de mooiste bloemen te plukken en waagde 't zelfs weer een vroolijk liedje aan te heffen.
De vogeltjes in 't rond schenen haar daartoe aan te sporen, doch Roodkapje verstond helaas de vogeltaal niet, anders had zij toch gehoord hoe nachtegalen, lijsters, meezen, sijsjes en alle andere zangvogeltjes van het groote woud onophoudelijk tot haar zongen:
“Denk aan moeders raad, lief kind!
Weet, dat ge u in nood bevindt.”
Doch 't zou nu misschien toch al te laat zijn geweest. De booze wolf, die heel langzaam was heengeslopen van het meisje, ging langs een omweg naar het pad, dat naar het huisje van Roodkapjes grootmoeder liep en vervolgde al spoedig flink dravend zijn weg. Vóór het meisje nog den ruiker voor hare moeder had saamgebonden, was de wolf reeds bij grootmoeder gekomen. Stilletjes sloop hij naar de deur, richtte zich op, zoodat hij met de voorpooten tegen den deurstijl leunde en begon met den klauw te kloppen.
“Wie is daar?" klonk een zwakke stem van binnen.
“Ikke, grootmoe!” riep het valsche dier met veranderde stem.
“Ben jij 't, Roodkapje?" vroeg de grootmoeder weer van haar bed af.
“Ja, grootmoe!” riep de wolf terug.
“Trek dan maar aan 't touwtje," riep de oude vrouw weer, “dan zal het deurtje wel open gaan."
’t Viel den wolf niet gemakkelijk met zijn klauw het touwtje te grijpen, maar toen hij er den poot tusschen gewrongen had, gaf hij er een geweldigen ruk aan en de klink sprong omhoog. Door de zwaarte van het lichaam des wolfs vloog de deur meteen open en stormde het woeste dier naar binnen. De arme, zwakke oude vrouw wilde het beest, dat aanstonds naar de bedstede stormde, nog met de armen afweren, doch de wolf greep een der armen tusschen de groote tanden en scheurde met een ruk de stakker op den vloer. Hoe ze ook jammerde en kermde, de wreede wolf had geen medelijden met de arme vrouw en beet en scheurde er maar woest op los en hield niet op, voor hij de zwakke grootmoeder heelemaal opgegeten had.
“Dat is een taaie kluif geweest," mompelde de wolf, terwijl hij den muil aflikte; "daar zal aanstonds een malsch boutje goed op smaken." Met dat malsche boutje bedoelde het valsche beest Roodkapje, dat juist met den ruiker voor hare moeder in de hand, weer den weg had opgezocht en nu vroolijk naar grootmoeders huisje voortliep. Nu en dan stak zij 't neusje in den ruiker, want de geur der woudbloemen was overheerlijk. Nooit had het meisje ze zoo lekker geroken. Onderwijl zij zich voortspoedde, had de booze wolf grootmoeders rok en jak aangetrokken en daarna zelfs de nachtmuts der oude vrouw op den kop gezet. Eerst had hij de deur weer dichtgedaan precies zooals zij gesloten was geweest bij zijn komst. Toen sloop het verraderlijke dier naar de bedstede en ging in het bed liggen. Hij trok de dekens en het beddelaken omhoog en kroop er zoo diep onder, dat nauwelijks een puntje van zijn neus te zien was. Zoo lag daar de wreede wolf, al wachtende op het meisje en had zijn rug naar de deur gekeerd, opdat Roodkapje niets van zijn kop zou zien. Toen het vroolijke meisje bij het huisje was gekomen, vloog een spreeuwtje van het dak en ook deze vogel snaterde waarschuwend:
"Denk aan moeders raad, lief kind!
Weet, dat ge u in nood bevindt."
Maar wat gaf het? Roodkapje verstond immers de taal der vogels niet en hoe had zij kunnen vermoeden, dat de boschwolf grootmoeder had opgegeten en stilletjes in het bed der goede vrouw had plaats genomen? Na het gesprek, dat het meisje met het wilde dier had gehad, was al hare vrees voor de wolven geweken. Toch zou zij goed gedaan hebben, indien zij moeders raad had opgevolgd en een gehoorzaam meisje was geweest. Daaraan dacht zij echter in 't geheel niet; maar wel aan de lekkere wafel, die zij straks van moeder zou krijgen, als zij weer terug zou zijn. Misschien geeft grootmoeder er mij eerst wel een, dacht Roodkapje en ze zou haar ook heel graag gelust hebben, want van de lange wandeling had zij werkelijk honger gekregen.
Zooals zij wel eens meer gedaan had, deed zij ook nu, toen zij de deur van het huisje gesloten vond. Met het vuistje klopte zij flink op de deur en hoorde een schorre stem, die haar vroeg: “Wie klopt daar?" Grootmoeder lijkt wel wat schor, dacht Roodkapje; de oude ziel is zeker al verkouden ook. Weer klonk: “wie is daar?" en nu haastte het meisje zich om te antwoorden:
“Ik, grootmoe!”
“Ben jij 't, Roodkapje?" klonk de schorre stem weer van binnen.
“Ja, grootmoe!" riep het meisje.
“Trek dan maar aan het touwtje van de klink," luidde 't weer van binnen.
Roodkapje greep het touwtje, rukte er even aan en de deur ging open. Zij trad binnen en zette het potje boter en het mandje met wafels op de tafel. “Och, kind," zei de wolf, die zooveel zijne stem veranderde als hij maar kon: “doe toch de deur dicht; 't is anders zoo tochtig voor mij." Het meisje deed het en vroeg onderwijl: “Hoe gaat het nu met u grootmoe?" “Maar, kindlief!” hernam de wolf en begon zoo erg te hoesten, dat Roodkapje niet kon nalaten te zeggen: “u hebt 't leelijk beet, grootmoe; 't is net of u erg verkouden bent."
“O, verschrikkelijk, kind!” steunde de wolf en liet er op volgen: “en ik ben maar aldoor zoo koud; 't is of ik niet in de warmte kan komen." “U woont ook zoo heel alleen en zoo ver van ons, grootmoe. 't Was toch heusch beter, dat u bij ons in kwaamt wonen," zei Roodkapje, die haar moeder al meermalen daarover had hooren spreken.
“Dat zullen wij later wel eens zien, kind," hernam de wolf; “maar jij kondt mij een groot genoegen doen; dat wil je immers wel?"
“Zeker, grootmoe," haastte zich het meisje te antwoorden, “als u een boodschap hebt te doen, zeg het dan maar dadelijk."
“Neen, kind," vervolgde de sluwe wolf, “dat is het niet."
“Wat dan, grootmoe," vroeg het meisje weer.
“Dan moest je je uitkleeden en een half uurtje bij mij in bed komen; je bent jong en warm en ik oud en koud," ging de wolf voort; “als jij zoo een poosje naast mij ligt, ben ik misschien wel warmer."
“Nu, als u dat verlangt, grootmoe, zal ik wel bij u komen," zeide Roodkapje, die er wezenlijk weinig lust in had, maar 't alleen deed, om de oude ziekelijke vrouw genoegen te doen.
Eenige oogenblikken daarna stapte het meisje, dat zich van het roode kapje, de bovenkleederen en schoenen had ontdaan, in het bed bij den valschen wolf.
Nauwelijks echter lag zij met het hoofdje op het kussen, of het kind dacht: wat ziet grootmoeder er toch gek uit, 't is of zij geheel anders is geworden.
Het meisje kon dan ook niet nalaten daarover hare bevreemding te kennen te geven.
“Grootmoeder," sprak zij, “grootmoeder, wat heeft u toch groote oogen!"
“Dat is om beter te kunnen zien,” luidde 't antwoord.
“Grootmoeder, grootmoeder," vervolgde het meisje, “wat heeft u groote ooren." “Dat is om je beter te kunnen hooren," hernam de wolf.
Op denzelfden toon ging Roodkapje voort, met te zeggen: “Grootmoeder, grootmoeder, wat hebt u een grooten neus."
“Dat is om je beter te kunnen ruiken," zei 't listige beest.
“Grootmoeder, grootmoeder, sprak zij ten slotte eenigszins angstig, “wat heeft u groote tanden.'
“Dat is om je beter te kunnen opeten," grijnsde de booze wolf, sprong eensklaps overeind en verslond in weinige minuten het lieve Roodkapje, dat daardoor zoo vreeselijk zwaar gestraft werd, omdat zij niet gehoorzaam was geweest aan hare goede moeder.
Een aardig meisje, van nauwelijks zeven jaren oud, woonde met haar moeder in een eenvoudig doch net huisje, dat keurig zindelijk onderhouden werd, aan den zoom van een uitgestrekt woud. Iedereen zag dit kind gaarne, want altijd was zij vroolijk en vriendelijk, doch één gebrek had zij, dat vooral haar moeder dikwijls groot verdriet deed: het meisje was niet altijd gehoorzaam. In den geheelen omtrek stond zij bekend onder den naam van “Roodkapje", en zelfs haar moeder noemde haar meestal zoo.
Weet ge nu hoe zij eigenlijk aan dien vreemdsoortigen naam gekomen was? Niet? Dan wil ik u dit allereerst even vertellen. Een jaar zoo ongeveer geleden, toen het meisje haar zesden verjaardag vierde, had haar grootmoeder voor het lieve kleindochtertje een fraaie, warme muts gemaakt, een soort kaper, van mooie zacht-roode wol.
Deze muts of kaper stond het meisje allerliefst, doch naar de kleur noemde iedereen het hoofddeksel een rood kapje en de naam, welken men alleen bestemd had voor de muts, ging geheel op het meisje over.
De grootmoeder, die de mooie kaper vervaardigd had, woonde wel een uur verder, ten naastebij aan den anderen kant van het groote bosch. Toen op zekeren morgen Roodkapje bezig was, om achter het huisje van hare moeder de kippen te voeren, trof een heerlijke geur van lekker gebak haar neusje. “Wacht,” zeide ze: “ik moet toch eens zien, wat moeder bakt. 't is zeker iets heel lekkers, want pannekoeken ruiken toch anders.” Het meisje opende de deur der kleine keuken en vroeg: “wat bakt u toch, Moe?" “Dat zou 't nieuwsgierig Roodkapje zeker graag willen weten, hè?" zei de moeder. “Mag ik dan eens raden?” sprak 't meisje, nu nog nieuwsgieriger geworden. “Och, je raadt 't toch niet in zessen,” lachte de moeder. “Dat wil ik toch eens probeeren, Moe,” ging Roodkapje voort; “ik wed van oliekoeken.” “Mis, kind!” hernam de moeder. “Poffertjes dan?" zei de kleine vraagster weer. “Ook niet, meisje!” Nu werd Roodkapje zoo mogelijk nog nieuwsgieriger. “Moe,” zei ze weer; “heb ik nu al zesmaal geraden?” “Dat weet ik niet, kind! ik heb 't niet geteld," antwoordde de moeder. “Goed! ik zal toch nog eens raden.” “Je raadt 't toch niet, nieuwsgierig Aagje,” plaagde de moeder. “Nu, ik raad van tulband,” klonk ’t weer uit den mond der kleine snapster. “Alweer mis! Maar ik zal 't je dan maar zeggen: ik bak wafels!” “Hé, heerlijk! Krijg ik er een Moe?” vleide Roodkapje. “Nog niet,” antwoordde de moeder. “Strakjes!” “Strakjes! dat duurt nog zoo lang; geeft u mij er nu maar liever een,’ zei Roodkapje. “Neen, neen, kind!” sprak de moeder; “ik zal er één voor je bewaren; maar deze moeten eerst weggebracht worden.” “Weggebracht? Waarheen dan wel?” vroeg het dochtertje weer. “Naar grootmoe. Ze is sedert een paar dagen al niet goed in orde; misschien lust ze nu wel een wafeltje.” “Dat denk ik ook, Moe; ik zou er tenminste heel graag een lusten,” zoo babbelde Roodkapje al maar door. “Nu,” sprak de moeder; “breng jij dan eerst deze wafels naar grootmoe, en als je dan terugkomt, mag je deze opeten, die ik zoolang in de kast zal sluiten.” “Mag ik er dan eerst niet een klein stukje van proeven; een heel klein stukje maar?” drong het meisje verder aan; maar de moeder werd nu knorrig en zei: “foei, je moet er nu niet langer over praten, anders geef ik de wafel aan den boschwolf.” “O, dat zou zonde zijn,” meende Roodkapje; maar drong nu toch niet verder aan, om reeds nu een stukje van de wafel te mogen proeven. “Let nu goed op,” sprak Roodkapje's moeder, terwijl zij de wafels netjes in papier wikkelde en toen in een keurig armmandje legde; “let nu goed op, dat je 't mandje zoo draagt; anders zullen de wafels breken.” “Jawel Moe," hernam het meisje; “ik zal ze wel voorzichtig dragen." “Goed dan,” zei de moeder verder en nam een potje boter uit de kast; “hier aan dit potje zit een touw; draag nu dit potje zoo aan je andere hand; ik heb een pond versche boter in 't potje gedaan, moet je aan grootmoe zeggen." “Bestig Moe, ik zal er voor zorgen," antwoordde het bijdehande Roodkapje, dat heel erg best boodschappen kon doen, maar daarbij 't ongeluk had wel eens veel langer uit te blijven dan noodig was.
Doch het meisje luisterde zoo graag naar de blijde zangvogeltjes, waarvan het uitgestrekte bosch letterlijk wemelde, en ze mocht zoo gaarne ruikers maken van de menigvuldige woudbloemen, die overal in 't wild groeiden en geurden. Uren kon zij zoo in de nabijheid der houthakkers in het bosch bezig zijn. Maar telkens als de mannen het meisje ontmoetten of zagen bloemenplukken, waarschuwden zij haar, om toch niet te ver van den weg af te dwalen, omdat de boschwolf haar dan wel eens kon ontmoeten en zonder genade zou verscheuren en opeten.
Toen de moeder dan ook het mandje had klaargemaakt en Roodkapje, die 't potje boter reeds aan de hand had, het lekkere vrachtje aan den arm hing, sprak de bezorgde vrouw nog eenmaal: “Pas nu vooral toch op, kind! Blijf niet naar de vogeltjes staan luisteren en ga nog minder van den weg af, om bloemen te plukken of vlindertjes te vangen, want nog gisteren hebben de houthakkers den gevaarlijken boschwolf door 't kreupelhout zien sluipen. Voorzichtig dus, mijn kind.”
Roodkapje beloofde, dat zij aan moeders raad zou denken en rechtuit in eens naar grootmoeders huisje zou gaan. Met haar helder stemmetje een lustig liedje zingende, verliet zij de ouderlijke woning en trok welgemoed het bosch in. Daar zag zij een paar fraaie bonte vlinders van bloem tot bloem dartelen en stond reeds op het punt mandje en potje neer te zetten, toen zij nog intijds bedacht, wat zij hare goede moeder beloofd had. Roodkapje vervolgde daarom haren weg. Helder scheen het zonnetje en de duizenden vogeltjes zongen zoo lustig, alsof er geen booze wolven in 't bosch en geen slechte menschen op de wereld waren.
Overal geurden de veelkleurige bloemen; de bijtjes gonsden door de lucht en de kapellen zweefden en dartelden en speelden krijgertje met de fraaie vlinders, die als vliegende bloemen overal langs den weg tusschen de heldergroene bladeren der boomen het oog bekoorden. Het wandelaarstertje, reeds vroolijk van natuur, zooals gezonde kinderen plegen te zijn, wedijverde in lustig gezang met de blijde vogelen van het woud. Op eenigen afstand voor zich uit hoorde zij de bijlslagen der houthakkers, die bezig waren met het vellen van de zwaarste boomen. Toen de mannen het gezang van het meisje hoorden, staakten zij een oogenblik het werk en gingen op een gevelden boom zitten luisteren. “Dag Roodkapje!" riepen de mannen; “wel, kindlief, wat ben je vroolijk!” “Waarom zou ik niet,” sprak Roodkapje; “want ik krijg straks wat lekkers van mijn moeder." “Zoo! wat dan wel?" vroeg een der houthakkers. “Een lekkere wafel," was 't antwoord. “Ei, ei! dat smaakt beter dan paardeleer," merkte een der mannen lachend op. “En kom je ons nu ook een proefje brengen?" vroeg de andere houthakker; “dat is nu eerst recht lief van je." “Wel neen," antwoordde Roodkapje; “ik heb wel wafels in dit mandje en boter in dit potje, maar dat is alles voor grootmoeder." “Je bent een brave meid," hernam weer een der mannen; “maar waarom kom je niet een beetje bij ons zitten rusten?" “Dat mag ik volstrekt niet," antwoordde Roodkapje, “want moeder heeft gezegd, dat ik voort moest maken en niet van den weg moest afgaan." “Neen," zei een der houthakkers, "doe dat vooral niet, kind; ga niet van den weg af, want dan zou je gepakt kunnen worden door den boozen wolf." “Zijn hier vele wolven?" vroeg Roodkapje. “Jawel; ginder in 't dichtst van het bosch leven wel meer van die roofdieren," antwoordde een der mannen; “maar die zijn nog niet zoo gevaarlijk als deze." “En waarom is dan juist deze zoo gevaarlijk?" vroeg het meisje weer. “Omdat die oude rekel al meermalen menschenvleesch gegeten heeft,” hernam weer een der vriendelijke houthakkers, “als de wolven dat eenmaal geproefd hebben, zijn 't recht gevaarlijke dieren." “Maar nu moet ik heusch gaan," vervolgde Roodkapje; “als ik te lang uitbleef, zou mijn moesje maar ongerust worden." “Wacht kind," sprak een der mannen; “ik heb hier in 't kreupelhout vanmorgen nog den ruigen boschwolf zien rondsluipen; de oude rekel voert zeker weer iets in zijn schild. Hij komt wel niet zoo gemakkelijk op den openbaren weg, maar als jij zoo heel alleen bent, vertrouw ik het booze dier toch volstrekt niet." De man greep zijn bijl, legde deze over den schouder en vergezelde Roodkapje zoover door het bosch, totdat men in de verte het roode dak van grootmoeders woning kon zien. “Ziezoo,” sprak de houthakker; “loop nu maar recht door en kom niet in het kreupelhout, dan geloof ik, dat de wolf je wel met rust zal laten." “Dank u wel," zei Roodkapje en vervolgde nu alleen haar pad, terwijl de houthakker weldra weer om een bocht tusschen het geboomte verdween.
De vogeltjes schenen nog lustiger te zingen dan daar straks en vooral een paar nachtegalen sloegen zulke verrukkelijke tonen aan, dat het meisje onwillekeurig bleef staan luisteren. Zij had het liefelijk gezang der nachtegalen al dikwijls gehoord, maar zoo mooi toch nog nooit. Ook had Roodkapje nimmer zulk een zangvogel gezien en de begeerte om nu ook den zingenden nachtegaal te zien, deed haar even den weg verlaten en ter zijde in de struiken treden. Weinige schreden verder was een mooie open plek, geheel begroeid met zulke prachtige bloemen, als het meisje ze nog nimmer in het bosch had aanschouwd. “O,” dacht zij “nu wil ik wel gelooven, waarom die nachtegalen zoo mooi zingen. Wie steeds zoo nabij zulke mooie bloemen leeft en dan nog niet zou zingen, zou ik heelemaal niet begrijpen.” Meteen hief zij ook zelf weer een vroolijk wijsje aan en nu zwegen de nachtegalen, alsof zij op haar beurt naar dat aardige blonde kind met haar rood kapje op 't hoofd, wilden luisteren. “Kom,” dacht Roodkapje verder, “van die prachtige bloemen wil ik grootmoe toch een heerlijken ruiker maken." Zij ging naar de bloemrijke plek en begon er de schoonste bloemen uit te zoeken of af te plukken. O, wat geurden die bloemen toch zoet. Weer begonnen de nachtegalen hun lied aan te heffen, en 't was maar al of de vogels tot Roodkapje zongen:
“Denk aan moeders raad, lief kind!
Weet, dat ge u in nood bevindt."
Het meisje lette er niet op en begon ook weer te zingen onder het bloemenplukken. Het was alsof zij een wedstrijd met de nachtegalen hield, wie het lustigst en vroolijkst kon zingen. Reeds had zij een flinken bloemruiker bijeengegaard en deed hem in het mandje, boven op de wafels. Toen trad zij nog wat verder het bosch in, waar ook nog weer andere bloemen groeiden. Ook daarvan wilde zij een ruiker maken, en dezen straks aan hare moeder brengen. Maar toen zij daar zoo tusschen de prachtige bloemen wandelde, was het, alsof de nachtegalen zich nog luider lieten hooren:
“Denk aan moeders raad, lief kind!
Weet, dat ge u in nood bevindt."
Roodkapje dacht er echter op dat oogenblik in 't geheel niet aan, dat zij ongehoorzaam was en zeer roekeloos te werk ging. Zelfs scheen zij de waarschuwing van den houthakker vergeten te hebben, die toch nadrukkelijk gezegd had, dat zij niet van den weg moest gaan, omdat de wreede boschwolf haar anders wel eens kwaad zou kunnen doen. Zingend hurkte zij heer bij de prachtvolle bloemen en greep de stengels met de rechterhand beet, om ze in de linkerhand stevig bijeen te houden en aanstonds met een grasstengel tot een ruiker saam te binden. Bijtjes vlogen uit de bloembedden en zweefden gonzend om haar hoofd; vlugge bonte vlinders, die zelf precies bloemen geleken, zweefden haar om de goud-blonde lokken en 't was alsof alle vogels uit het bosch te gelijk een lied aanhieven, en 't haar uit duizenden kelen waarschuwend tegenklonk:
“Denk aan moeders raad, lief kind!
Weet, dat ge u in nood bevindt."
Juist strekte Roodkapje de hand naar een paar fraaie bloemen uit, toen zij een luid gekraak achter zich in het kreupelhout hooide. Haastig omziende, ontdekte zij plotseling den boozen boschwolf, die men opengesperden bek en den langen ruigen staart zwaaiend, in wilde sprongen naderde en haar reeds bereikt had, voor ze goed en wel had kunnen opstaan. Het meisje was zoo geweldig geschrokken, dat zij niet eens om hulp kon roepen; 't was haar, alsof zij geen geluid kon geven. Zij dacht niet anders of de booze wolf zou haar dadelijk met huid en haar opeten; maar het slimme dier, dat voor weinige minuten nog eenige houthakkers had gezien, durfde dit blijkbaar niet doen, hoeveel trek hij ook had in een malsch boutje.
“Wat doet gij hier?" vroeg hij eensklaps op ingehouden doch barschen toon.
“Vergeef mij, mijnheer de wolf," sprak Roodkapje; “ik zal het nooit weer doen." “Nu, nu, zoo erg is 't niet," hernam de wolf eenigszins vriendelijker. “Maar wat hebt ge daar in dat mandje?"
“Wafelen, mijnheer de wolf," antwoorde het meisje, dat over alle leden beefde.
“Zoo! en in dat potje?" vroeg de wolf weer.
“Daar is boter in, mijnheer de wolf," luidde angstig 't antwoord.
“En wat moet ge daarmee doen?" ging het dier voort met vragen.
“Dat is een geschenk van mijne moeder."
“Van je moeder," zei de wolf en vroeg toen verder: “woont die niet ginder in dat aardige huisje?"
“Neen, mijnheer de wolf," haastte Roodkapje zich te antwoorden; “daar woont mijne grootmoeder."
“O, zoo!" vervolgde het dier. “en moest je met dat mandje wafelen en het potje boter naar grootmoeder?"
“Ja, mijnheer de wolf," klonk weer "t zachte stemmetje van het meisje.
“Kom, dat is braaf gehandeld," sprak het wilde dier, dat er nu toch veel vriendelijker scheen uit te zien, dan men Roodkapje steeds had afgebeeld.
“Maar wat moet gij hier eigenlijk doen?" zoo vroeg de wolf verder.
“Ik ging maar een ruiker plukken voor mijne grootmoeder en nu wilde ik er ook een maken voor mijne moeder. Zij heeft mij wel gezegd, dat ik niet van den weg mocht gaan," keuvelde het meisje, dat zich weer meer op haar gemak begon te gevoelen, nu de boschwolf zoo vriendelijk met haar sprak.
“Ei, ei," zei het beest toen; “en waarom mocht je niet van den weg gaan?"
“Moeder zei, dat u mij dan zoudt pakken en opeten," vervolgde het kind.
“Zoo, denkt je moeder ook al, dat ik zoo boos zou zijn?" vroeg de wolf.
“Ja, en ook de houthakkers hebben mij voor u gewaarschuwd," hernam het kind.
“’t Is schande," ging de wolf voort, “dat al die menschen kwaad van mij en mijne makkers spreken. Je ziet nu zelf, kindlief, dat wij niet zoo boos zijn, als men wel vertelt."
“Maar woont je grootmoeder alleen in dat huisje?" aldus vroeg de wolf verder.
“Ja, mijnheer de wolf," sprak Roodkapje.
“En heeft ze geen hond?" luidde weer de vraag van het dier.
“Neen, mijnheer de wolf," klonk argeloos het antwoord.
Nog scheen de wolf niet genoeg gevraagd te hebben, want weer wendde hij zich tot het meisje met de vraag: “Doet je grootmoeder je altijd zelf open, als je haar bezoekt?"
“Ja, mijnheer de wolf," hernam het meisje, dat het dier nu volkomen vertrouwde; “maar nu is grootmoeder ziek en misschien ligt zij wel te bed."
“Maar dan kun je immers niet in haar huisje komen," zei 't sluwe dier.
“Och," zoo ging Roodkapje voort, “dan klop ik maar aan de deur en als grootmoeder dan roept, dat ik maar aan het touwtje moet trekken, springt de klink omhoog en gaat de deur van zelf open."
“En heb je nu je ruikers al gemaakt?" ondervroeg het slimme beest verder het meisje.
“Een is er klaar," antwoordde zij; “maar die ik voor moeder bestemd had, is nog niet gereed." “Nu,” hernam de wolf, “pluk jij hier maar op je gemak de mooiste bloemen en maak je ruiker voor je moeder ook af. Je weet nu, dat ik zulke lieve meisjes als gij er een zijt, geen kwaad doe. Ik ga nog wat in 't bosch wandelen en keer dan weer terug naar mijn hol."
Het dier verdween langzaam tusschen de struiken en met een verruimd hart bleef het meisje 't groote beest nastaren. Toen begon zij weer de mooiste bloemen te plukken en waagde 't zelfs weer een vroolijk liedje aan te heffen.
De vogeltjes in 't rond schenen haar daartoe aan te sporen, doch Roodkapje verstond helaas de vogeltaal niet, anders had zij toch gehoord hoe nachtegalen, lijsters, meezen, sijsjes en alle andere zangvogeltjes van het groote woud onophoudelijk tot haar zongen:
“Denk aan moeders raad, lief kind!
Weet, dat ge u in nood bevindt.”
Doch 't zou nu misschien toch al te laat zijn geweest. De booze wolf, die heel langzaam was heengeslopen van het meisje, ging langs een omweg naar het pad, dat naar het huisje van Roodkapjes grootmoeder liep en vervolgde al spoedig flink dravend zijn weg. Vóór het meisje nog den ruiker voor hare moeder had saamgebonden, was de wolf reeds bij grootmoeder gekomen. Stilletjes sloop hij naar de deur, richtte zich op, zoodat hij met de voorpooten tegen den deurstijl leunde en begon met den klauw te kloppen.
“Wie is daar?" klonk een zwakke stem van binnen.
“Ikke, grootmoe!” riep het valsche dier met veranderde stem.
“Ben jij 't, Roodkapje?" vroeg de grootmoeder weer van haar bed af.
“Ja, grootmoe!” riep de wolf terug.
“Trek dan maar aan 't touwtje," riep de oude vrouw weer, “dan zal het deurtje wel open gaan."
’t Viel den wolf niet gemakkelijk met zijn klauw het touwtje te grijpen, maar toen hij er den poot tusschen gewrongen had, gaf hij er een geweldigen ruk aan en de klink sprong omhoog. Door de zwaarte van het lichaam des wolfs vloog de deur meteen open en stormde het woeste dier naar binnen. De arme, zwakke oude vrouw wilde het beest, dat aanstonds naar de bedstede stormde, nog met de armen afweren, doch de wolf greep een der armen tusschen de groote tanden en scheurde met een ruk de stakker op den vloer. Hoe ze ook jammerde en kermde, de wreede wolf had geen medelijden met de arme vrouw en beet en scheurde er maar woest op los en hield niet op, voor hij de zwakke grootmoeder heelemaal opgegeten had.
“Dat is een taaie kluif geweest," mompelde de wolf, terwijl hij den muil aflikte; "daar zal aanstonds een malsch boutje goed op smaken." Met dat malsche boutje bedoelde het valsche beest Roodkapje, dat juist met den ruiker voor hare moeder in de hand, weer den weg had opgezocht en nu vroolijk naar grootmoeders huisje voortliep. Nu en dan stak zij 't neusje in den ruiker, want de geur der woudbloemen was overheerlijk. Nooit had het meisje ze zoo lekker geroken. Onderwijl zij zich voortspoedde, had de booze wolf grootmoeders rok en jak aangetrokken en daarna zelfs de nachtmuts der oude vrouw op den kop gezet. Eerst had hij de deur weer dichtgedaan precies zooals zij gesloten was geweest bij zijn komst. Toen sloop het verraderlijke dier naar de bedstede en ging in het bed liggen. Hij trok de dekens en het beddelaken omhoog en kroop er zoo diep onder, dat nauwelijks een puntje van zijn neus te zien was. Zoo lag daar de wreede wolf, al wachtende op het meisje en had zijn rug naar de deur gekeerd, opdat Roodkapje niets van zijn kop zou zien. Toen het vroolijke meisje bij het huisje was gekomen, vloog een spreeuwtje van het dak en ook deze vogel snaterde waarschuwend:
"Denk aan moeders raad, lief kind!
Weet, dat ge u in nood bevindt."
Maar wat gaf het? Roodkapje verstond immers de taal der vogels niet en hoe had zij kunnen vermoeden, dat de boschwolf grootmoeder had opgegeten en stilletjes in het bed der goede vrouw had plaats genomen? Na het gesprek, dat het meisje met het wilde dier had gehad, was al hare vrees voor de wolven geweken. Toch zou zij goed gedaan hebben, indien zij moeders raad had opgevolgd en een gehoorzaam meisje was geweest. Daaraan dacht zij echter in 't geheel niet; maar wel aan de lekkere wafel, die zij straks van moeder zou krijgen, als zij weer terug zou zijn. Misschien geeft grootmoeder er mij eerst wel een, dacht Roodkapje en ze zou haar ook heel graag gelust hebben, want van de lange wandeling had zij werkelijk honger gekregen.
Zooals zij wel eens meer gedaan had, deed zij ook nu, toen zij de deur van het huisje gesloten vond. Met het vuistje klopte zij flink op de deur en hoorde een schorre stem, die haar vroeg: “Wie klopt daar?" Grootmoeder lijkt wel wat schor, dacht Roodkapje; de oude ziel is zeker al verkouden ook. Weer klonk: “wie is daar?" en nu haastte het meisje zich om te antwoorden:
“Ik, grootmoe!”
“Ben jij 't, Roodkapje?" klonk de schorre stem weer van binnen.
“Ja, grootmoe!" riep het meisje.
“Trek dan maar aan het touwtje van de klink," luidde 't weer van binnen.
Roodkapje greep het touwtje, rukte er even aan en de deur ging open. Zij trad binnen en zette het potje boter en het mandje met wafels op de tafel. “Och, kind," zei de wolf, die zooveel zijne stem veranderde als hij maar kon: “doe toch de deur dicht; 't is anders zoo tochtig voor mij." Het meisje deed het en vroeg onderwijl: “Hoe gaat het nu met u grootmoe?" “Maar, kindlief!” hernam de wolf en begon zoo erg te hoesten, dat Roodkapje niet kon nalaten te zeggen: “u hebt 't leelijk beet, grootmoe; 't is net of u erg verkouden bent."
“O, verschrikkelijk, kind!” steunde de wolf en liet er op volgen: “en ik ben maar aldoor zoo koud; 't is of ik niet in de warmte kan komen." “U woont ook zoo heel alleen en zoo ver van ons, grootmoe. 't Was toch heusch beter, dat u bij ons in kwaamt wonen," zei Roodkapje, die haar moeder al meermalen daarover had hooren spreken.
“Dat zullen wij later wel eens zien, kind," hernam de wolf; “maar jij kondt mij een groot genoegen doen; dat wil je immers wel?"
“Zeker, grootmoe," haastte zich het meisje te antwoorden, “als u een boodschap hebt te doen, zeg het dan maar dadelijk."
“Neen, kind," vervolgde de sluwe wolf, “dat is het niet."
“Wat dan, grootmoe," vroeg het meisje weer.
“Dan moest je je uitkleeden en een half uurtje bij mij in bed komen; je bent jong en warm en ik oud en koud," ging de wolf voort; “als jij zoo een poosje naast mij ligt, ben ik misschien wel warmer."
“Nu, als u dat verlangt, grootmoe, zal ik wel bij u komen," zeide Roodkapje, die er wezenlijk weinig lust in had, maar 't alleen deed, om de oude ziekelijke vrouw genoegen te doen.
Eenige oogenblikken daarna stapte het meisje, dat zich van het roode kapje, de bovenkleederen en schoenen had ontdaan, in het bed bij den valschen wolf.
Nauwelijks echter lag zij met het hoofdje op het kussen, of het kind dacht: wat ziet grootmoeder er toch gek uit, 't is of zij geheel anders is geworden.
Het meisje kon dan ook niet nalaten daarover hare bevreemding te kennen te geven.
“Grootmoeder," sprak zij, “grootmoeder, wat heeft u toch groote oogen!"
“Dat is om beter te kunnen zien,” luidde 't antwoord.
“Grootmoeder, grootmoeder," vervolgde het meisje, “wat heeft u groote ooren." “Dat is om je beter te kunnen hooren," hernam de wolf.
Op denzelfden toon ging Roodkapje voort, met te zeggen: “Grootmoeder, grootmoeder, wat hebt u een grooten neus."
“Dat is om je beter te kunnen ruiken," zei 't listige beest.
“Grootmoeder, grootmoeder, sprak zij ten slotte eenigszins angstig, “wat heeft u groote tanden.'
“Dat is om je beter te kunnen opeten," grijnsde de booze wolf, sprong eensklaps overeind en verslond in weinige minuten het lieve Roodkapje, dat daardoor zoo vreeselijk zwaar gestraft werd, omdat zij niet gehoorzaam was geweest aan hare goede moeder.
Onderwerp
ATU 0333 - Little Red Riding Hood   
AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   
Beschrijving
Roodkapje is een aardig meisje, maar ze is niet altijd gehoorzaam. Voordat ze op weg gaat naar grootmoeder, waarschuwt moeder haar om niet te treuzelen en vooral op de weg te blijven, want houthakkers hebben de boswolf in het bos gezien. In het bos wordt ze door houthakkers ook gewaarschuwd voor een oude wolf die gevaarlijk is omdat hij vaak mensenvlees heeft gegeten. Toch gaat Roodkapje van de weg af, gaat bloemen plukken, terwijl de dieren haar herinneren aan de raad van moeder. Ze ontmoet de oude wolf die haar ondervraagt en te weten komt waar grootmoeder woont en hoe hij binnen kan komen. Hij gaat naar grootmoeders huis, maakt de deur open, eet grootmoeder op, trekt kleren van haar aan en gaat in bed liggen. Als Roodkapje aanklopt, doet de wolf de stem van grootmoeder na, klaagt dat hij het koud heeft en vraagt haar bij hem in bed te komen. Met tegenzin kleedt ze zich uit, gaat naast hem in bed liggen, verbaast zich over ogen, oren, neus en tanden van grootmoeder, waarop de wolf haar verslindt. Dit is de straf voor de
ongehoorzaamheid van Roodkapje.
ongehoorzaamheid van Roodkapje.
Bron
Sprookjes van Moeder de Gans. Ledeberg-Gent: "Het Boekhuis",
[192-?]
KB: KW XKR 0948
Collectie Roodkapje/Karsdorp
[192-?]
KB: KW XKR 0948
Collectie Roodkapje/Karsdorp
Motief
J21.5 - ”Do not leave the highway“:   
B211.2.4 - Speaking wolf.   
K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   
Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   
Naam Overig in Tekst
Roodkapje   
Datum Invoer
2019-04-11
