Hoofdtekst
Roodkapje
Daar was eens, zeer lang geleden, een klein meisje, Roodkapje genaamd. Natuurlijk was dit niet heur werkelijke naam, doch haar moedertje noemde haar altijd zoo, omdat zij steeds een beeldig vuurrood manteltje en hoedje droeg, wanneer zij uitging om te spelen. Zij bewoonde op het platteland, een alleraardigst klein buitenhuisje. Dit huisje was helderwit geschilderd en droeg een rieten dak. De deur was groen, evenals de venstergordijnen en de deurklopper blonk altijd, als klinkklaar goud. Rondom het kleine huis, was een tuin zóó mooi, als gij u slechts verbeelden kunt, en Roodkapje hield er veel van, te spelen tusschen de rozen, zonnebloemen en meiklokjes.
Maar eens op een zonnigen namiddag, toen Roodkapje tusschen de bloemen danste, riep heur moedertje haar: "Kom binnen Roodkapje, ik heb je noodig!" "Ik kom mammie!" riep ze terug, en liep zoo hard als zij kon. Haar moeder stond in de behaaglijke, zindelijke keuken, en keek erg treurig. "Wat scheelt er aan, lieve mammie?" vroeg ze haar moeders hand streelende. "Arme grootmoeder is ziek" zeide mammie "en ze is geheel alleen in haar huisje naast het bosch. Ik heb wat versche eieren, een stuk boter en een pot room in dit mandje gepakt, en nu moet jij haar dit brengen, zoo snel als je kan."
"Ik ga gaarne," juichte Roodkapje "ik hoop dat deze lekkere versnaperingen, mijn lief grootmoedertje gauw weer zullen beter maken." "Snel dan vooruit;" zeide moeder "loop hard den geheelen weg langs. En denk er vooral om, je niet op te houden of te spreken, als je iemand ontmoet." "Ik zal het niet vergeten" beloofde Roodkapje en kuste hare moeder goedendag. Toen rende ze over het tuinpad, en verdween door het hekje. De zon scheen, en op een twijg zong een lief klein roodborstje, een vroolijk liedje. "Wat zing je prachtig, roodborstje," sprak Roodkapje. "Ik wilde dat ik hier kon blijven en naar je luisteren; doch ik moet deze mand met eieren en boter en room naar grootmoeder brengen, daarom moet ik gauw doorgaan. Goedendag!" En voort rende ze.
De weilanden waren vol boterbloemen en madeliefjes; en ofschoon ze dolgraag had stil gehouden om een ketting te winden van madeliefjes, ze dacht aan lief oud grootmoedertje dat ziek lag in heuer huisje, en snelde voort. Spoedig kwam ze aan het bosch. Daar was een groen mossig pad, recht tusschen de boomen door, en tusschen de fijne varens staken de klokjes de kopjes omhoog. Dan ontwaarde ze onder een boom, eenige lieflijke narcissen. "Ik ben er zeker van dat grootmoeder er graag een bos van hebben wil" dacht ze en begon te plukken. Nu woonde er in dat bosch een boosaardigen wolf, en toen hij erg kreeg in Roodkapje haar gekleurd manteltje, ging hij er vroolijk op af, en begon tegen haar te praten.
"Hallo, kleine meid," zeide hij "wat doe jij daar?" Nu moet ik geheel tot mijn spijt vertellen, dat Roodkapje geheel was vergeten, dat moeder gezegd had, tegen niemand te spreken. Daarom vertelde zij den wolf, zoo beleefd mogelijk, dat ze naar heur zieke grootmoeder ging. "Waar woont je grootmoeder?" grijnsde de wolf wijl hij zijn leelijke tanden liet zien. "Oh, zij woont in een huisje aan de andere zijde van het bosch," antwoordde Roodkapje, "ik ga er heen zoodra ik deze bloemen geplukt heb." "Goedendag dan, ik moet gaan" sprak de wolf, en wat denk je, dat hij deed? Hij rende rechtdoor naar grootmoeder haar woning en klopte aan de deur.
"Wie is daar?" riep grootmoeder, terwijl zij rechtop in bed ging zitten. "Het is Roodkapje," antwoordde de wolf met een piepende stem. "Licht de klink maar op," zeide grootje, "en de deur vliegt van zelf open!" In een minuut, opende de slechte wolf, de deur, en slokte grootmoedertje geheel op. Daarna trok hij haar nachtpon aan, zette grootmoeders muts op en sprong in bed.
Juist klopte Roodkapje aan. "Licht op de klink, en de deur vliegt van zelf open, mijn lieve," riep de wolf, trachtte grootjes geluid na te bootsen. Roodkapje stapte het huisje binnen. "Goeden middag grootmoederlief," sprak ze, "Mammie zendt u eenige lekkernijen om op te eten, en ik breng u eenige schoone bloemen."
"Dat is zeer lief van je kind" mompelde mijnheer wolf "kom hier en geef me een kusje." Doch Roodkapje schrikte een beetje, omdat grootmoeder er zoo wonderlijk uitzag. "Wat hebt u een groote oogen, grootmoedertje!" zeide zij angstig. "Dan kan ik je beter zien, kindje" antwoordde de wolf. "En u hebt zulke groote ooren" ging ze verder. "Dan kan ik je beter hooren" grijnsde de wolf. "En óók, wat hebt u een lange tanden!" kreet Roodkapje. "Zooveel beter kan ik jou er mede opeten" gromde de wolf uit het bed springende. Roodkapje gilde en schreeuwde luid, zoodat haar vader die juist buiten aan het houthakken was, naar binnen kwam stuiven, de bijl in zijne vuist geklemd.
Was dat geen geluk? In een minuut hakte de vader den slechten wolf midden door, en ik ben blijde te kunnen vertellen dat grootjelief gezond en wel uit zijn huid te voorschijn sprong. Vader pakte zijn kind op, en droeg haar in zijn armen, over den langen weg naar huis. Moeder knorde een beetje op haar meisje, toen zij hoorde wat gebeurd was, maar Roodkapje zeide: "Vergeef het mij als 't u belieft, mammie; ik wil een goed kind worden, en nooit meer vergeten wat u mij voortaan zult opdragen." Moedertje kuste toen haar lief meisje, en dan ging ze met vader en Roodkapje aan tafel zitten en schonk heerlijke thee, met peperkoek erbij, die ze zelf had gebakken. En omdat het nu zoo heerlijk was weer samen te zijn, tracteerde zij ook nog op honing en eieren. Maar toen was het bedtijd.
Daar was eens, zeer lang geleden, een klein meisje, Roodkapje genaamd. Natuurlijk was dit niet heur werkelijke naam, doch haar moedertje noemde haar altijd zoo, omdat zij steeds een beeldig vuurrood manteltje en hoedje droeg, wanneer zij uitging om te spelen. Zij bewoonde op het platteland, een alleraardigst klein buitenhuisje. Dit huisje was helderwit geschilderd en droeg een rieten dak. De deur was groen, evenals de venstergordijnen en de deurklopper blonk altijd, als klinkklaar goud. Rondom het kleine huis, was een tuin zóó mooi, als gij u slechts verbeelden kunt, en Roodkapje hield er veel van, te spelen tusschen de rozen, zonnebloemen en meiklokjes.
Maar eens op een zonnigen namiddag, toen Roodkapje tusschen de bloemen danste, riep heur moedertje haar: "Kom binnen Roodkapje, ik heb je noodig!" "Ik kom mammie!" riep ze terug, en liep zoo hard als zij kon. Haar moeder stond in de behaaglijke, zindelijke keuken, en keek erg treurig. "Wat scheelt er aan, lieve mammie?" vroeg ze haar moeders hand streelende. "Arme grootmoeder is ziek" zeide mammie "en ze is geheel alleen in haar huisje naast het bosch. Ik heb wat versche eieren, een stuk boter en een pot room in dit mandje gepakt, en nu moet jij haar dit brengen, zoo snel als je kan."
"Ik ga gaarne," juichte Roodkapje "ik hoop dat deze lekkere versnaperingen, mijn lief grootmoedertje gauw weer zullen beter maken." "Snel dan vooruit;" zeide moeder "loop hard den geheelen weg langs. En denk er vooral om, je niet op te houden of te spreken, als je iemand ontmoet." "Ik zal het niet vergeten" beloofde Roodkapje en kuste hare moeder goedendag. Toen rende ze over het tuinpad, en verdween door het hekje. De zon scheen, en op een twijg zong een lief klein roodborstje, een vroolijk liedje. "Wat zing je prachtig, roodborstje," sprak Roodkapje. "Ik wilde dat ik hier kon blijven en naar je luisteren; doch ik moet deze mand met eieren en boter en room naar grootmoeder brengen, daarom moet ik gauw doorgaan. Goedendag!" En voort rende ze.
De weilanden waren vol boterbloemen en madeliefjes; en ofschoon ze dolgraag had stil gehouden om een ketting te winden van madeliefjes, ze dacht aan lief oud grootmoedertje dat ziek lag in heuer huisje, en snelde voort. Spoedig kwam ze aan het bosch. Daar was een groen mossig pad, recht tusschen de boomen door, en tusschen de fijne varens staken de klokjes de kopjes omhoog. Dan ontwaarde ze onder een boom, eenige lieflijke narcissen. "Ik ben er zeker van dat grootmoeder er graag een bos van hebben wil" dacht ze en begon te plukken. Nu woonde er in dat bosch een boosaardigen wolf, en toen hij erg kreeg in Roodkapje haar gekleurd manteltje, ging hij er vroolijk op af, en begon tegen haar te praten.
"Hallo, kleine meid," zeide hij "wat doe jij daar?" Nu moet ik geheel tot mijn spijt vertellen, dat Roodkapje geheel was vergeten, dat moeder gezegd had, tegen niemand te spreken. Daarom vertelde zij den wolf, zoo beleefd mogelijk, dat ze naar heur zieke grootmoeder ging. "Waar woont je grootmoeder?" grijnsde de wolf wijl hij zijn leelijke tanden liet zien. "Oh, zij woont in een huisje aan de andere zijde van het bosch," antwoordde Roodkapje, "ik ga er heen zoodra ik deze bloemen geplukt heb." "Goedendag dan, ik moet gaan" sprak de wolf, en wat denk je, dat hij deed? Hij rende rechtdoor naar grootmoeder haar woning en klopte aan de deur.
"Wie is daar?" riep grootmoeder, terwijl zij rechtop in bed ging zitten. "Het is Roodkapje," antwoordde de wolf met een piepende stem. "Licht de klink maar op," zeide grootje, "en de deur vliegt van zelf open!" In een minuut, opende de slechte wolf, de deur, en slokte grootmoedertje geheel op. Daarna trok hij haar nachtpon aan, zette grootmoeders muts op en sprong in bed.
Juist klopte Roodkapje aan. "Licht op de klink, en de deur vliegt van zelf open, mijn lieve," riep de wolf, trachtte grootjes geluid na te bootsen. Roodkapje stapte het huisje binnen. "Goeden middag grootmoederlief," sprak ze, "Mammie zendt u eenige lekkernijen om op te eten, en ik breng u eenige schoone bloemen."
"Dat is zeer lief van je kind" mompelde mijnheer wolf "kom hier en geef me een kusje." Doch Roodkapje schrikte een beetje, omdat grootmoeder er zoo wonderlijk uitzag. "Wat hebt u een groote oogen, grootmoedertje!" zeide zij angstig. "Dan kan ik je beter zien, kindje" antwoordde de wolf. "En u hebt zulke groote ooren" ging ze verder. "Dan kan ik je beter hooren" grijnsde de wolf. "En óók, wat hebt u een lange tanden!" kreet Roodkapje. "Zooveel beter kan ik jou er mede opeten" gromde de wolf uit het bed springende. Roodkapje gilde en schreeuwde luid, zoodat haar vader die juist buiten aan het houthakken was, naar binnen kwam stuiven, de bijl in zijne vuist geklemd.
Was dat geen geluk? In een minuut hakte de vader den slechten wolf midden door, en ik ben blijde te kunnen vertellen dat grootjelief gezond en wel uit zijn huid te voorschijn sprong. Vader pakte zijn kind op, en droeg haar in zijn armen, over den langen weg naar huis. Moeder knorde een beetje op haar meisje, toen zij hoorde wat gebeurd was, maar Roodkapje zeide: "Vergeef het mij als 't u belieft, mammie; ik wil een goed kind worden, en nooit meer vergeten wat u mij voortaan zult opdragen." Moedertje kuste toen haar lief meisje, en dan ging ze met vader en Roodkapje aan tafel zitten en schonk heerlijke thee, met peperkoek erbij, die ze zelf had gebakken. En omdat het nu zoo heerlijk was weer samen te zijn, tracteerde zij ook nog op honing en eieren. Maar toen was het bedtijd.
Onderwerp
ATU 0333 - Little Red Riding Hood   
AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   
Beschrijving
Ondanks haar belofte aan moeder om onderweg naar grootmoeder niet te treuzelen en met niemand te praten, is Roodkapje ongehoorzaam. Bij het bloemen plukken in het bos ontmoet ze de wolf, vertelt dat ze naar grootmoeder gaat en waar ze woont. De wolf gaat naar grootmoeders huis, klopt aan, doet de stem van Roodkapje na, mag binnenkomen, eet grootmoeder op, verkleedt zich als grootmoeder en gaat in bed liggen. Als Roodkapje aanklopt doet de wolf de stem van grootmoeder na. Ze verbaast zich over de ogen, oren en tanden van grootmoeder, waarna de wolf haar wil opeten. Op het gegil van Roodkapje komt haar vader met zijn bijl aanzetten, hakt de wolf doormidden,en komt grootmoeder tevoorschijn. Moeder moppert op Roodkapje, maar is blij als Roodkapje belooft voortaan gehoorzaam te zijn.
Bron
Luister. [S.l.]: [s.n.], [192-?]
KB: KW BJ Z0235
Collectie Roodkapje/Karsdorp
KB: KW BJ Z0235
Collectie Roodkapje/Karsdorp
Motief
J21.5 - ”Do not leave the highway“:   
B211.2.4 - Speaking wolf.   
K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   
Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   
Commentaar
Naar Grimm, Charles Perrault
Naam Overig in Tekst
Roodkapje   
Datum Invoer
2019-04-24
