Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ROODKAPJE312 - Roodkapje

Een sprookje (boek), 1960 - 1969

Hoofdtekst

Roodkapje
Er was eens héél lang geleden een lief klein meisje ... Met haar vader en moeder woonde zij in een prachtig mooi bos en had het wát naar haar zin. Ze lachte en zong en was altijd vrolijk, zodat de mensen haar best Zonnestraaltje hadden kunnen noemen. Maar ja, dát ging nu net niet ... want ze heette al Roodkapje. En Roodkapje was een mooie naam. Echt een naam voor haar, want altijd als je haar zo vrolijk door het bos zag stappen, had zij een rood mutsje op haar dansende blonde krullen. Dat mutsje had Grootmoeder eens voor haar gemaakt en daarom droeg zij het ook zo graag. Want Roodkapje had een heel lieve Grootmoeder, die fijn vertellen kon en prachtig kon voorlezen uit heel dikke boeken ...
Maar nu was Grootmoeder een tijdje ziek geweest en dat vond Roodkapje toch wel heel erg. Zij had al een paar dagen lopen denken, waarmee ze haar Grootmoeder eens kon verrassen en jawel, daar was haar opeens een prachtig plannetje te binnen geschoten. Suikerwafels!! Daar hield Grootmoeder wel heel erg veel van en er was niemand op de hele wereld die ze lekkerder kon bakken dan haar eigen moeder. Terwijl Roodkapje al vast zat te genieten van de heerlijke geuren die gelukkig altijd bij het wafelbakken horen, bakte moeder de ene goudgele wafel na de andere en de stapel werd al hoger en hoger ... Nu was het heus niet zo, dat Grootmoeder alléén maar van suikerwafels hield. Nee gelukkig niet, want dan zou moeder er een heleboel teveel gebakken hebben. Maar Roodkapjes vader en moeder en natuurlijk Roodkapje zelf smulden naar hartelust en wat er toen nog overbleef ging in het mandje, dat Roodkapje naar Grootmoeder zou brengen. Een lekkere fles bessenwijn ging er ook nog bij en een flinke pot met beste boter. Grootmoeder was nu wel niet ziek meer, maar zij moest natuurlijk nog heel wat aansterken, had de dokter gezegd.
Voordat Roodkapje met haar welgevulde buikje en haar goedgevulde mandje op stap zou gaan werd moeder nog even ernstig en waarschuwde haar voor de gevaren van het grote stille bos. Roodkapje keek wel wat verwonderd ... Gevaren in het bos? Nee, daar had ze nog nooit van gehoord. Zou moeder dat nu echt menen? Ja hoor, moeder meende het echt. In het bos waren heus niet alleen maar vriendelijke vogeltjes, lieve konijntjes en vrolijke eekhoorntjes ... Nee, ergens verborgen in een donker hol was er ook [een/de] boze wolf. Niemand wist precies wáár het was ... maar dát hij er was, dát wist iedereen wel heel zeker, want er waren al heel wat nare dingen gebeurd. Moeder waarschuwde Roodkapje dan ook heel ernstig om vooral ineens door te lopen en niet overal stil te blijven staan. Roodkapje beloofde het natuurlijk graag en ging welgemoed op stap ...
Zoals altijd zong ze het ene liedje na het andere en huppelde blij over het groene mos dat zo lekker zacht aanvoelde onder haar voetjes. Toch was het mandje eigenlijk niet zo licht als ze eerst wel gedacht had. Dat merkte zij pas toen ze een tijdje gelopen had. En wat was het warm ... Ze kon misschien beter eerst even wat uitrusten. Ja, dat zou wel prettig zijn... Ja prettig zou het wel zijn, maar wat had moeder ook weer gezegd? ... Ineens door lopen naar Grootmoeder, want er was een boze wolf in het bos.
Dus liep Roodkapje maar door en verhing het zware mandje van de ene arm naar de andere arm en liep en liep en zag zoveel mooie dingen om zich heen dat ze haar moeheid gauw vergat. Wat was het fijn in het bos ... Hoog in de bomen zongen de vogeltjes dat het een lieve lust was en af en toe zag je een eekhoorntje tussen de takken springen. Terwijl Roodkapje het zo best naar haar zin had, werd ergens anders in het grote bos de boze wolf wakker. Ja het was echt wel een bóze wolf al kon je het niet direcht aan hem zien, want hij kon zich heel vriendelijk voordoen ... De boze wolf had zich eens fijn uitgeslapen en voelde zich nu heerlijk uitgerust. Alleen had hij van al dat slapen een verschrikkelijk grote honger gekregen, een heel verschrikkelijk grote honger.
En dacht je dat zo'n grote boze wolf dan genoeg had aan een klein veldmuisje met een paar paddestoeltjes toe? Nee hoor, vast en zeker niet. Zijn wolvenmaag rammelde zo hard dat de grote wolf er vreselijk van janken moest. Ja, dat doen wolven nu eenmaal als ze honger hebben. Ze janken dan net als honden die verdriet hebben, maar dan nog veel en veel harder. Plotseling werd het heel stil in 't bos, want alle dieren hadden de wolf gehoord en maakten dat zij in hun schuilhoekjes kwamen. Alleen Roodkapje had het niet gehoord en dat was erg jammer.
Zij was al bijna op de helft van de lange weg naar Grootmoeder gekomen en het zou nu niet lang meer duren of zij zou Grootmoeders leuke huisje tussen de bomen kunnen zien liggen. Wat zou Grootmoeder blij zijn als zij Roodkapje zag en de fijne suikerwafels en de zoete wijn en de beste boter ... Ach, dat was nu toch wel jammer. Roodkapje had helemaal vergeten voor Grootmoeder een bloemetje mee te nemen en dat hoort toch eigenlijk wel als een zieke pas beter is ... Weet je wat? Ze zou vlug wat mooie bloemen gaan zoeken om er een fijne ruiker van te maken. Kijk, daar stonden al een paar gele en een klein stukje verder prachtige kleine blauwtjes en daar zelfs vuurrode met goudgele hartjes ... Roodkapje was zo in het bloemenplukken verdiept dat ze helemaal niet merkte dat ze te ver van het goede pad af ging en eigenlijk een beetje aan het verdwalen was. Zij dacht ook niet meer aan wat moeder gezegd had over de gevaren van het bos en de boze wolf die er zou wonen. Roodkapje was langzamerhand zo ver gegaan dat ze werkelijk de weg kwijt was ... Helemaal kwijt. Ze wist ineens niet meer in welke richting ze Grootmoeder huisje moest zoeken. Zij liep eerst een stukje naar links en toen een stukje naar rechts en toen ... en toen ... wist ze het helemaal niet meer.
Plotseling hoorde zij een lieve, donkere stem achter zich: "Dag Roodkapje. wat doe jij zo alleen in het bos?" Roodkapje keek om zich heen en zag een mooie sterke wolf met een erg vriendelijk gezicht.
Eerst schrok ze een beetje want het had ook wel de boze wolf kunnen zijn waarvan moeder haar verteld had, maar deze wolf was zo aardig dat Roodkapje moeders waarschuwing gauw helemaal vergat.
"En Roodkapje waar ga je naar toe?" vroeg de wolf, "en voor wie ben je die prachtige bloemen aan het plukken?" "Ik ga naar Grootmoeder," zei Roodkapje. "Grootmoeder is pas erg ziek geweest en nu ga ik haar wat heerlijke suikerwafels brengen en nog meer lekkere dingen waar zieke mensen weer sterk van worden. Loop je een stukje mee, wolf, want ik ben de weg kwijt geraakt." vroeg Roodkapje aan de wolf, die plotseling ergens aan dacht. Hij dacht natuurlijk aan zijn maag die hem niet met rust liet en in zijn grote neus kriebelde al de heerlijke lucht van de versgebakken suikerwafels ... Maar wat heeft een grote, sterke wolf met een reuzenhonger nu eigenlijk aan een paar suikerwafels. Nee de wolf had een ander plannetje ... "Zo lief meisje ga jij naar Grootmoeder," zei de boze wolf, want die was het al deed hij zich nog zo vriendelijke voor. "Zal ik je dan een klein stukje wegbrengen? Ik weet heus wel waar jouw Grootje woont. Het is een heel vriendelijke oude dame en ze woont in dat rondje huisje met het rieten dak aan de zoom van het bos, waar nog veel meer bloemen staan dan hier. Ik kom er af en toe wel eens en dan mag ik de etensrestjes opmaken, die ze voor mij bewaard heeft. Jammer genoeg heb ik vandaag geen tijd om naar haar toe te gaan en daarom treft het wel heel bijzonder dat jij haar nu gaat bezoeken. Doe haar vooral de hartelijke groeten van mij en wens haar het allerbeste. Het allerbeste!"
Samen gingen ze nu op stap en al heel gauw was Roodkapje weer op het goede pas. De wolf droeg het mandje in zijn bek en rook steeds maar die heerlijke wafellucht die hem bijna het water uit zijn mond liet lopen. Tjonge, tjonge, dat viel echt niet mee voor iemand met zo'n grote honger. Maar de wolf dacht aan zijn eigen plannetje en deed zijn best om maar zo vriendelijke mogelijk te zijn ...
Maar weet je wát die boze wolf eigenlijk van plan was? Hij wilde Grootmoeder opeten. Zomaar ineens helemaal. En als hem dat nu maar lukte dan was hij in één keer van zijn reuzenhonger af en dat zou natuurlijk verschrikkelijk fijn zijn. En als hij dan Roodkapje met haar suikerwafels en boter en wijn als toetje nam, dan zou hij vast de eerste week geen honger meer voelen en dan zou hij fijn weer eens een weekje kunnen uitslapen zonder iedere keer maar weer op pad te moeten gaan om eten te zoeken ... Zo dacht de boze wolf, terwijl hij met zijn vriendelijkste gezicht naast Roodkapje liep te stappen. "Maar Roodkapje," zei hij toen, "wat heb je pas een paar bloempjes geplukt. Grootmoeder zal er best wat meer kunnen gebruiken. Ze is immers al die tijd niet meer uit haar huisje geweest en heeft dus ook geen bloemen kunnen plukken ... Ik heb je nu de goede weg gewezen. Je kunt trouwens Grootmoeders huisje al zien liggen, weet je wat, pluk jij hier rustig nog wat verder. Ik moet jammer genoeg nu weg, want ik heb nog andere dingen te doen. Doe het maar rustig en op je gemak. Het is nog lang licht en als je dan over een uurtje nog hier bent, kom ik terug om je gezelschap te houden. En als wij dan eens samen naar Grootmoeder gingen, zou dat niet leuk zijn?" Roodkapje, die natuurlijk niet begreep waarom de wolf zo nodig weg moest, vond het allemaal prachtig en ging eerst eens heerlijk uitrusten op een zonnige plek. Zij genoot van het heerlijke bos, van de zon en de witte zomerwolken die hoog boven door de blauwe lucht schenen te drijven. Heerlijk was het, dacht Roodkapje en viel in slaap. En zij droomde van Grootmoeder die zo blij was met haar bloemen.
Maar de boze wolf was langs een andere weg hard naar Grootmoeders huisje gehold en dacht alleen nog maar aan het heerlijke maal dat hem wachtte ... Toen de wolf dan ook al heel gauw was waar hij wezen wilde, hoefde hij helemaal niet bang te zijn, dat Roodkapje hem zou inhalen om zijn plannetje te bederven. Toch keek hij nog eens goed om zich heen, voordat hij bij Grootmoeder het hek binnensloop. Hoe zou het nu verder gaan? Misschien was Grootmoeder toch al op de been en was zij zelf een wandelingetje gaan maken? Kom hij zou er maar eens gauw op af gaan. Met zijn wolvenpoot klopte hij voorzichtig aan de deur en met zijn liefste stemmetje zei hij: "Grootmoeder, wil je even de deur voor mij open doen?" "Wie is daar?" hoorde hij Grootmoeders stem. "Ik ben het, Roodkapje," jokte de boze wolf. "O ben jij daar Roodkapje, dat is fijn. Maar Grootmoeder ligt nog in bed en kan niet naar de deur komen. Trek dus maar aan het touwtje, dan gaat de deur vanzelf wel open." Ja, het touwtje had de wolf gauw gevonden. Hij nam het in zijn grote bek en trok met een ruk de deur open. Toen met een grote sprong naar binnen en met één grote hap slokte hij de arme Grootmoeder naar binnen. Nu hij helemaal alleen was, ging hij voor de spiegel staan en trok Grootmoeders kleren aan. De mooie nachtjapon met kant en Grootmoeders slaapmuts. Toen zette hij ook haar bril op zijn grote neus, bekeek zich eens goed van achteren en van voren en ging toen in Grootmoeders bed liggen. Zou het lukken? dacht de boze wolf. Zou Roodkapje mij niet herkennen? Wacht ik zal de gordijnen wat beter dicht doen. Zo in het half donker en met mijn liefste stemmetje zal het vast wel lukken. Hij stopte zijn harige, bruine wolvenpoten nog wat verder onder de dekens en wachtte vol spanning op wat er nu zou gaan gebeuren.
Voorlopig gebeurde er echter helemaal niets, want Roodkapje was immers in het bos in slaap gevallen. Toen zij eindelijk wakker werd, schrok ze ervan, dat het al zo laat geworden was. De zon stond al een heel stuk lager en er waren meer wolken komen aandrijven. Misschien zou het wel gaan regenen. Vlug plukte zij nog wat bloemen en ging toen gauw op stap naar Grootmoe, die haar misschien niet eens meer zo laat zou verwachten. Jammer eigenlijk dat de vriendelijke wolf niet meer teruggekomen is, dacht zij, dan hadden wij fijn samen kunnen gaan. Nu kreeg Roodkapje ineens haast en was blij dat ze Grootmoeders huisje al door de bomen heen kon zien liggen. Wat zou Grootmoeder blij zijn! Ze zou natuurlijk eerst wel vertellen waarom ze zo laat was. En van de vriendelijke wolf die haar zo goed op weg had geholpen toen ze verdwaald was en van de vogeltjes en de konijntjes en de eekhoorntjes die ze gezien had en van heel de fijne middag in het bos. Daar was zij dan eindelijk bij Grootmoeders huisje. Hé, hé, dat was een hele wandeling geweest, maar nu was zij er dan toch bijna. Nog even de bocht om en het bloemenpaadje door ... Tja, eigenlijk had Grootmoeder zóveel bloemen in haar eigen tuin staan, dat zij de bloemen die Roodkapje met zóveel moeite ... Welnee hoor, dát wist zij wel beter. Grootmoeder zou wát blij zijn. Want op haar tuintje was zij verschrikkelijk zuinig en het zag er dan ook zó mooit uit, dat Roodkapje er eens even op haar gemak naar wilde kijken. Het zonnetje was weer doorgekomen en had de regenwolken verjaagd. Grootmoeders tuintje leek wel een schilderspalet. Rood en geel en rose en blauw ... De ene prachtige kleur naast de andere. Roodkapje genoot van al het moois dat hier te zien was en van de heerlijke bloemengeuren waar de tuin vol van was. O, wat ruikt het hier toch lekker, dacht Roodkapje en ineens moest zij denken aan haar geurige suikerwafels in het mandje. Hemeltje, dat was waar ook. Zij was bijna vergeten waarvoor zij hier eigenlijk naar toegekomen was. Zo was het nu altijd met Roodkapje. Als zij met het éne ding bezig was, dan vergat zij ál het andere. Nu was zij toch bijna haar arme Grootmoeder vergeten ...
Hé kijk, zou Grootmoeder slapen? De gordijnen waren bijna helemaal dicht. Dat gebeurde haast nooit overdag. Wat vreemd ... Roodkapje vertrouwde het allemaal niet zo erg en riep vóór dat zij de deur binnenging: "Dag Grootmoeder. Hier ben ik, Roodkapje." Maar er kwam geen antwoord. "Dag Grootmoeder," zei zij nog eens, "bent U daar?" Maar nóg bleef het vreemd stil in Grootmoeders kamer. Roodkapje zette haar mandje op de grond en schoof voorzichtig de gordijnen open. Nu kon je tenminste wat meer zien en jawel hoor, Grootmoeder lag tóch in bed. Kijk maar, zij had haar bril en haar witte muts op net als altijd. Maar tóch was er ergens iets niet in orde. Grootmoeder zag er zo vreemd uit ... Roodkapje ging eens wat dichter naar Grootmoeders bed en begreep er toen helemaal niets meer van.
"Grootmoeder," zei ze, "wat heb je toch grote ogen!" "Dat is om je beter te kunnen zien," zei een krakende stem in het bed. "Grootmoedertje wat heb je een grote oren," riep Roodkapje nu angstig. "Dat is om je beter te kunnen horen," was het antwoord. "Maar Grootmoeder wat heb je een grote mond." ... "Dát is om je beter te kunnen opeten!" riep de boze wolf en met één sprong schoot hij uit het bed, pakte Roodkapje beet en hapte haar op. Hij lachte op wolven-manier dat de kamer er van dreunde. De boze wolf had zijn zin. Hij was zijn vreselijke honger kwijt en hoefde nu zeker een week niet meer naar eten te zoeken. Zijn buik was vol en rond en hij had zich nog nooit zo plezierig gevoeld. Hij voelde zich zo voldaan dat hij het mandje met de suikerwafels niet eens meer aanraakte. Hé, hij kreeg er slaap van en zou best eens een flink tukje willen doen. De wolf kroop in Grootmoeders bed, trok de dekens lekker om zich heen en na vijf tellen klink er een geweldig en regelmatig gesnurk ...!
De boswachter liep net over de boze wolf te denken toen hij langs Grootmoeders huisje kwam. Hé, wat vreemd. De deur stond nog steeds open. De boswachter ging binnen, keek eens goed naar Grootmoeders bed en zag een wolvenstaart tussen de dekens uitsteken. Hij trok nu met één zwaai de dekens van het bed en zag de dikke wolf liggen. Hij begreep direct wat er gebeurd was, nam zijn boswachtersmes en bevrijdde Grootmoeder en Roodkapje, die het heel erg benauwd hadden gehad. Dat kun je begrijpen. Wat waren zij blij en wat waren zij de boswachter dankbaar.
Roodkapje gaf hem een zoen op elke wang zodat de harde baardhaartje in haar lippen prikten. Roodkapje en Grootmoeder en vader en moeder en natuurlijk de boswachter, zij leefden allemaal nog lang en gelukkig

Onderwerp

ATU 0333 - Little Red Riding Hood    ATU 0333 - Little Red Riding Hood   

AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)    AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   

Beschrijving

Ondanks haar belofte aan moeder om onderweg naar grootmoeder niet te treuzelen, is Roodkapje ongehoorzaam. Ze plukt bloemen, verdwaalt, komt de wolf tegen, vertelt dat ze naar grootmoeder gaat en waar ze woont, en vraagt de wolf haar weer op het pad te brengen. Daarna gaat de wolf naar grootmoeders huis, klopt aan, doet de stem van Roodkapje na, mag binnenkomen, eet grootmoeder op, verkleedt zich als grootmoeder en gaat in bed liggen. Roodkapje verbaast zich over de ogen, oren en mond van grootmoeder, waarna de wolf haar opeet. De wolf snurkt in zijn slaap zo hard dat een boswachter gaat kijken, de wolf ontdekt en met zijn mes Roodkapje en grootmoeder bevrijdt.

Bron

Sprookjesland. [Amsterdam]: [Kolff], [196-?]
KB: KW XKZ 1151
Collectie Roodkapje/Karsdorp

Motief

J21.5 - ”Do not leave the highway“:    J21.5 - ”Do not leave the highway“:   

B211.2.4 - Speaking wolf.    B211.2.4 - Speaking wolf.   

K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.    K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   

Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.    Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   

Commentaar

Bevat Roodkapje; Assepoester; Hans en Grietje; De Bremer stadsmuzikanten

Naam Overig in Tekst

Roodkapje    Roodkapje   

Zonnestraaltje    Zonnestraaltje   

Datum Invoer

2019-04-25