Hoofdtekst
Roodkapje
Er was eens een klein meisje, waar iedereen van hield. Maar wie het meest van haar hield, was haar grootmoeder, die in een huisje woonde aan de rand van het bos. De oude vrouw naaide graag kleren voor haar kleindochter en gaf haar eens een rood fluwelen kapje. Het meisje was hiermee zo gelukkig dat ze het elke dag opzette, zodat de mensen haar 'Roodkapje' noemden.
Roodkapje bleef vaak bij haar grootmoeder logeren en op een mooie lentedag vertrok ze naar het huisje in het bos. Haar moeder stopte een stuk taart en een fles wijn in haar mandje. "Oma voelt zich niet al te best," vertelde ze Roodkapje. "Hier zal ze trek van krijgen. Blijf goed op het pad, anders struikel je misschien over een braamtak en breek je de fles."
Het meisje beloofde voorzichtig te zijn en vertrok, vrolijk zingend, naar het bos waar het zonnetje zo heerlijk over scheen. Ze was nog niet ver of ze kwam een wolf tegen. Het was een boze wolf die net op weg was om de oude grootmoeder op te eten. Hij had gehoord dat ze ziek was en zwak en hij dacht dat ze hem niet zou kunnen ontsnappen. Maar toen hij het kleine meisje ontmoette, dat er met haar rode kapje zo mollig en lekker uitzag, vond hij haar een lekkerder hapje.
"Goedemorgen, Roodkapje," zei de wolf. "Waar ga je op deze fijne lentedag naartoe?" "Ik breng taart en wijn naar mijn grootmoeder," zei Roodkapje. "Ze voelt zich niet zo best en hiervan zal ze weer beter worden." "Dat is erg lief!” zei de wolf en liep met haar mee. Hij probeerde een plannetje te bedenken om haar te pakken, want het was een oude wolf en hij vreesde dat ze hem zou ontkomen als hij haar achterna zat. Ik verstop me in het huisje van de oude vrouw, dacht hij sluw, daar kan ik haar vangen. Ik moet er als eerste zien aan te komen.
Het pad slingerde door een open plek in het bos waar de bloemen dansten onder de bottende bomen. "Wat mooi!" riep de wolf uit. "Een ruiker van die mooie bloemen zou je grootmoeder zeker opvrolijken." "Ja," zei Roodkapje aarzelend, "maar mama zei dat ik niet van het pad af mocht." "Zo'n klein eindje kan toch geen kwaad," zei de wolf, "als je een zieke, oude vrouw met bloemen een plezier kunt doen?" "Misschien heb je gelijk," zei Roodkapje. Ze zette haar mandje veilig aan de voet van een boom, liep het bos in en begon bloemen te plukken.
Nou, ik moet er maar eens vandoor, zei de wolf. Toen hij uit het zicht was, rende hij zo snel hij kon naar het huisje van de grootmoeder. De deur was niet op slot, want de oude vrouw wist dat haar lieve kleinkind zou langskomen. De wolf stormde naar binnen en joeg de oude dame de stuipen op het lijf. Ze gilde en viel flauw. De wolf vroeg zich af of hij haar eerst zou opschrokken, maar ze leek nogal dun en knokig. Roodkapje was veel smakelijker, dacht hij, en bovendien kon ze elk ogenblik komen. Hij opende de linnenkist die aan het voeteneinde van het bed stond, haalde er een nachtjapon uit en een kanten mutsje, stopte de oude vrouw in de kist en deed het deksel dicht. De wolf trok het nachthemd aan, zette het kapje op en sprong in bed.
Hij lag nog maar net toen de deur openging en Roodkapje naar binnen stapte. Het meisje voelde dadelijk dat er iets mis was. Er hing een vieze geur in de lucht en grootmoeder, die haar kapje diep over haar ogen had getrokken, zag er zo vreemd uit. Roodkapje liep niet meteen op haar af om haar een zoen te geven, zoals ze altijd deed, maar stond aarzelend in de deuropening.
"Kom wat dichterbij, liefje," zei de wolf met een krassend stemmetje. "Geef je oude grootmoeder eens een zoen." Roodkapje kwam dichterbij. "Oma," zei ze. "Je hebt zulke grote oren!" "Dat is om je beter te kunnen horen, mijn kind," zei de wolf en staarde haar aan. Roodkapje kwam nog een stap je dichterbij. "Maar, oma, je hebt zulke grote ogen!" zei ze. "Dat is om je beter te kunnen zien, liefje," zei de wolf en wenkte dat ze wat dichterbij moest komen. Roodkapje bekeek de poten van de wolf. "Maar, oma, je hebt zulke grote handen!" zei ze. "Dat is om je beter te kunnen knuffelen, schat," zei de wolf en probeerde een bemoedigend lachje. "Oh, oma, je hebt zo'n grote mond!" zei Roodkapje en keek verschrikt naar de scherpe tanden. De wolf zag dat ze zich niet liet beetnemen. "Dat is om je beter te kunnen opeten!" riep hij en sprong met een luid gegrom uit bed. Had Roodkapje één stap je dichterbij gestaan, dan was ze verloren geweest.
Maar nu rende ze gillend de open deur uit net op het moment dat een jager door het bos kwam. Hij zag de wolf en legde zijn geweer aan zijn schouder. "Nee, nee!" riep Roodkapje. "Ik denk dat hij mijn oma heeft opgegeten, als je schiet, zul je haar misschien treffen." De jager liet de loop van zijn geweer zakken en de wolf ontsnapte naar het bos.
Roodkapje en de jager gingen het huis binnen en hoorden een gedempt gekreun uit de linnenkist komen. Ze openden de koffer en vonden de arme oma, die nog amper kon ademen. "Ik had de wolf moeten schieten," zei de jager. "Ik ben bang dat hij vannacht terugkomt." Schuif de grendel maar voor de deur, Roodkapje, en sluit de luiken voor je gaat slapen."
De jager ging op weg en Roodkapje vergrendelde de deur en sloot de ramen goed af. Ze hielp haar oude oma terug in bed en gaf haar hapjes taart en slokjes wijn, tot ze zich wat beter voelde. Van tijd tot tijd keek Roodkapje door de gaatjes in de luiken of ze de wolf niet zag. Telkens lag het bos er stil en vredig bij. Maar toen het nacht werd, was Roodkapje bang, want nu zag ze het gevaar niet meer dat in de duisternis schuilde.
Ze zat in het kaarslicht naast haar grootmoeders bed, en hoorde iemand aan het slot frutselen. Door de deur komt hij er onmogelijk in, dacht Roodkapje. Daarna hoorde ze gerammel aan de luiken. Door de ramen komt hij er ook niet in, dacht ze.
Maar toen hoorde ze geschuifel op het dak en viel er een stuk gebroken dakpan in de haard. "Oh, oma," zei Roodkapje. "Stel dat de wolf door de schoorsteen komt?" "Steek het vuur aan, liefje," zei haar oma, "en hang de grote ketel er maar boven." Roodkapje deed wat haar grootmoeder zei. Het duurde niet lang of het vuur laaide op en de grote kookpot begon te stomen. "Neem het deksel weg," zei de oude dame. "Ik heb gisteren nog worstjes gekookt, de geur van het kookwater zal hem lokken." Roodkapje nam het deksel van de kookpot af en de geur van de worstjes steeg door de schoorsteen. De wolf had inmiddels grote honger. Hij was van plan stilletjes door de schoorsteen naar binnen te klimmen en Roodkapje en haar grootmoeder op te eten. Maar de geur van worstjes was hem teveel. Hij snoof en strekte zijn hals uit, snoof opnieuw en reikte steeds verder over de schoorsteen. Toen gleden zijn klauwen uit op de dakpannen, en hij dook hals over kop door de schoorsteen. Met een vreselijke gil landde hij in de grote kookpot. Roodkapje deed razendsnel het deksel op de pot en hield hem dicht tot de wolf was verdronken.
Vanaf toen leefde Roodkapje gelukkig. Ze liep nog vaak door het bos naar haar oma, maar werd nooit meer lastiggevallen door wolven.
Er was eens een klein meisje, waar iedereen van hield. Maar wie het meest van haar hield, was haar grootmoeder, die in een huisje woonde aan de rand van het bos. De oude vrouw naaide graag kleren voor haar kleindochter en gaf haar eens een rood fluwelen kapje. Het meisje was hiermee zo gelukkig dat ze het elke dag opzette, zodat de mensen haar 'Roodkapje' noemden.
Roodkapje bleef vaak bij haar grootmoeder logeren en op een mooie lentedag vertrok ze naar het huisje in het bos. Haar moeder stopte een stuk taart en een fles wijn in haar mandje. "Oma voelt zich niet al te best," vertelde ze Roodkapje. "Hier zal ze trek van krijgen. Blijf goed op het pad, anders struikel je misschien over een braamtak en breek je de fles."
Het meisje beloofde voorzichtig te zijn en vertrok, vrolijk zingend, naar het bos waar het zonnetje zo heerlijk over scheen. Ze was nog niet ver of ze kwam een wolf tegen. Het was een boze wolf die net op weg was om de oude grootmoeder op te eten. Hij had gehoord dat ze ziek was en zwak en hij dacht dat ze hem niet zou kunnen ontsnappen. Maar toen hij het kleine meisje ontmoette, dat er met haar rode kapje zo mollig en lekker uitzag, vond hij haar een lekkerder hapje.
"Goedemorgen, Roodkapje," zei de wolf. "Waar ga je op deze fijne lentedag naartoe?" "Ik breng taart en wijn naar mijn grootmoeder," zei Roodkapje. "Ze voelt zich niet zo best en hiervan zal ze weer beter worden." "Dat is erg lief!” zei de wolf en liep met haar mee. Hij probeerde een plannetje te bedenken om haar te pakken, want het was een oude wolf en hij vreesde dat ze hem zou ontkomen als hij haar achterna zat. Ik verstop me in het huisje van de oude vrouw, dacht hij sluw, daar kan ik haar vangen. Ik moet er als eerste zien aan te komen.
Het pad slingerde door een open plek in het bos waar de bloemen dansten onder de bottende bomen. "Wat mooi!" riep de wolf uit. "Een ruiker van die mooie bloemen zou je grootmoeder zeker opvrolijken." "Ja," zei Roodkapje aarzelend, "maar mama zei dat ik niet van het pad af mocht." "Zo'n klein eindje kan toch geen kwaad," zei de wolf, "als je een zieke, oude vrouw met bloemen een plezier kunt doen?" "Misschien heb je gelijk," zei Roodkapje. Ze zette haar mandje veilig aan de voet van een boom, liep het bos in en begon bloemen te plukken.
Nou, ik moet er maar eens vandoor, zei de wolf. Toen hij uit het zicht was, rende hij zo snel hij kon naar het huisje van de grootmoeder. De deur was niet op slot, want de oude vrouw wist dat haar lieve kleinkind zou langskomen. De wolf stormde naar binnen en joeg de oude dame de stuipen op het lijf. Ze gilde en viel flauw. De wolf vroeg zich af of hij haar eerst zou opschrokken, maar ze leek nogal dun en knokig. Roodkapje was veel smakelijker, dacht hij, en bovendien kon ze elk ogenblik komen. Hij opende de linnenkist die aan het voeteneinde van het bed stond, haalde er een nachtjapon uit en een kanten mutsje, stopte de oude vrouw in de kist en deed het deksel dicht. De wolf trok het nachthemd aan, zette het kapje op en sprong in bed.
Hij lag nog maar net toen de deur openging en Roodkapje naar binnen stapte. Het meisje voelde dadelijk dat er iets mis was. Er hing een vieze geur in de lucht en grootmoeder, die haar kapje diep over haar ogen had getrokken, zag er zo vreemd uit. Roodkapje liep niet meteen op haar af om haar een zoen te geven, zoals ze altijd deed, maar stond aarzelend in de deuropening.
"Kom wat dichterbij, liefje," zei de wolf met een krassend stemmetje. "Geef je oude grootmoeder eens een zoen." Roodkapje kwam dichterbij. "Oma," zei ze. "Je hebt zulke grote oren!" "Dat is om je beter te kunnen horen, mijn kind," zei de wolf en staarde haar aan. Roodkapje kwam nog een stap je dichterbij. "Maar, oma, je hebt zulke grote ogen!" zei ze. "Dat is om je beter te kunnen zien, liefje," zei de wolf en wenkte dat ze wat dichterbij moest komen. Roodkapje bekeek de poten van de wolf. "Maar, oma, je hebt zulke grote handen!" zei ze. "Dat is om je beter te kunnen knuffelen, schat," zei de wolf en probeerde een bemoedigend lachje. "Oh, oma, je hebt zo'n grote mond!" zei Roodkapje en keek verschrikt naar de scherpe tanden. De wolf zag dat ze zich niet liet beetnemen. "Dat is om je beter te kunnen opeten!" riep hij en sprong met een luid gegrom uit bed. Had Roodkapje één stap je dichterbij gestaan, dan was ze verloren geweest.
Maar nu rende ze gillend de open deur uit net op het moment dat een jager door het bos kwam. Hij zag de wolf en legde zijn geweer aan zijn schouder. "Nee, nee!" riep Roodkapje. "Ik denk dat hij mijn oma heeft opgegeten, als je schiet, zul je haar misschien treffen." De jager liet de loop van zijn geweer zakken en de wolf ontsnapte naar het bos.
Roodkapje en de jager gingen het huis binnen en hoorden een gedempt gekreun uit de linnenkist komen. Ze openden de koffer en vonden de arme oma, die nog amper kon ademen. "Ik had de wolf moeten schieten," zei de jager. "Ik ben bang dat hij vannacht terugkomt." Schuif de grendel maar voor de deur, Roodkapje, en sluit de luiken voor je gaat slapen."
De jager ging op weg en Roodkapje vergrendelde de deur en sloot de ramen goed af. Ze hielp haar oude oma terug in bed en gaf haar hapjes taart en slokjes wijn, tot ze zich wat beter voelde. Van tijd tot tijd keek Roodkapje door de gaatjes in de luiken of ze de wolf niet zag. Telkens lag het bos er stil en vredig bij. Maar toen het nacht werd, was Roodkapje bang, want nu zag ze het gevaar niet meer dat in de duisternis schuilde.
Ze zat in het kaarslicht naast haar grootmoeders bed, en hoorde iemand aan het slot frutselen. Door de deur komt hij er onmogelijk in, dacht Roodkapje. Daarna hoorde ze gerammel aan de luiken. Door de ramen komt hij er ook niet in, dacht ze.
Maar toen hoorde ze geschuifel op het dak en viel er een stuk gebroken dakpan in de haard. "Oh, oma," zei Roodkapje. "Stel dat de wolf door de schoorsteen komt?" "Steek het vuur aan, liefje," zei haar oma, "en hang de grote ketel er maar boven." Roodkapje deed wat haar grootmoeder zei. Het duurde niet lang of het vuur laaide op en de grote kookpot begon te stomen. "Neem het deksel weg," zei de oude dame. "Ik heb gisteren nog worstjes gekookt, de geur van het kookwater zal hem lokken." Roodkapje nam het deksel van de kookpot af en de geur van de worstjes steeg door de schoorsteen. De wolf had inmiddels grote honger. Hij was van plan stilletjes door de schoorsteen naar binnen te klimmen en Roodkapje en haar grootmoeder op te eten. Maar de geur van worstjes was hem teveel. Hij snoof en strekte zijn hals uit, snoof opnieuw en reikte steeds verder over de schoorsteen. Toen gleden zijn klauwen uit op de dakpannen, en hij dook hals over kop door de schoorsteen. Met een vreselijke gil landde hij in de grote kookpot. Roodkapje deed razendsnel het deksel op de pot en hield hem dicht tot de wolf was verdronken.
Vanaf toen leefde Roodkapje gelukkig. Ze liep nog vaak door het bos naar haar oma, maar werd nooit meer lastiggevallen door wolven.
Onderwerp
ATU 0333 - Little Red Riding Hood   
AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   
Beschrijving
Ondanks haar belofte aan moeder om onderweg naar grootmoeder op het pad te blijven, is Roodkapje ongehoorzaam. Ze komt de wolf tegen, vertelt dat ze naar grootmoeder gaat en waar ze woont, en laat zich verleiden om in het bos bloemen te plukken. Intussen gaat de wolf gaat naar grootmoeders huis, stormt naar binnen, stopt grootmoeder in een koffer, verkleedt zich als grootmoeder en gaat in bed liggen. Roodkapje komt binnen, voelt dat er iets vreemds is, verbaast zich over de ogen, oren, handen en mond van grootmoeder, waarna de wolf haar wil opeten. Ze kan weglopen, komt een jager tegen die ze er van weerhoudt om te schieten, zodat de wolf kan ontsnappen. Ze bevrijden grootmoeder, en de jager is bang dat de wolf 's nachts probeert binnen te komen. Ze vergrendelen de deur, horen de wolf op het dak, Roodkapje moet een kookpot met worstwater boven het vuur hangen. De wolf ruikt worst, buigt zich over de schoorsteen, en valt door de schoorsteen in de kookpot waarin hij verdrinkt. Sindsdien is Roodkapje nooit meer belaagd door wolven.
Bron
Antonia Barber. Sprookjes van Grimm. Hasselt: Clavis, 1992 Oorspr. titel en uitg. Tales from Grimm. London: Lincoln, 1992
KB: 5046742
Collectie Roodkapje/Karsdorp
KB: 5046742
Collectie Roodkapje/Karsdorp
Motief
J21.5 - ”Do not leave the highway“:   
B211.2.4 - Speaking wolf.   
K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   
Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   
Commentaar
Ills Margaret Chamberlain
Naar Grimm
Naar Grimm
Naam Overig in Tekst
Roodkapje   
Datum Invoer
2019-04-28
