Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

KOOIJMAN2383

Een sage (mondeling), woensdag 04 december 1963

Hoofdtekst

Ik weet een verhaal dat echt gebeurd moet zijn. Dat was in de tijd van de Fransen en de Pruisen. Mijn vader is negentig jaar geworden. En hij was ne rijke boer. Luister, ze zeggen dat er tegenwoordig geen spoken of heksen meer bestaan, die bestaan er niet meer. Maar hij is een knap man, die mij uit mijn hoofd kan praten, wat ik zelf beleefd heb in mijn grootvaders stal. Mijn vader was een man, die er warmpjes bijzat. Maar hij stond wat stijf op zijn stuk en dat was de reje waarom hij geen kerkmeester geworden is. Daar was hij ook veuls te fijn voor. Mijn vader had toen zeven peerden op stal, allemaal gezond en springlevend. Twee pikzwart, twee krijtwit, twee kastanjebruin en ne vos met twee witte stukken. Mooiere beesten hebben er hier in het dorp nooit gelopen. Maar op een keer, in januari met het schijnsel van de maan, toen sloeg onze hond zo ijselijk aan. En vader gong naar buiten. En voor het hek zag hij een krom gebogen oud wijf staan met een kapmantel om het lijf. Ze zeed: "Ach zeg, gij zijt de reekste en ik de armste uit het dorp. Mee ene rijksdaalder, boer, ach help m'n erdeur. God geve uw peerd de zegen daarveur". Maar ons vader die gooide de deur klist, klast achter d'r dicht. Hij zeed: "Lelijk wijf, gaat uit mijn gezicht!" Het huis daverde van alle kanten, de spiegel die viel, zonder te breken van de wand. De koe balkte, de kippen, die kakelden. 't Was net of alle duivels in de stal tabernakelden. De peerden, alle zeven, stonden te rillen en te beven. Ze stompten mee de hoeven zo hard op de grond, dat het vuur uit de stenen weerkaatste in het rond. "En das de vloek al", zei vader, van dat vrouwmens, de heks. En 's anderendaags ging ons vader naar de pastoor, maar dat kunde begrijpen, die was doof aan dat oor. Hij zeed: ,Jouw peerden hebben teveul haver gevreten. Die zijn te dartel. Die komen te weinig van stal, dat is een natuurlijk geval. Maar 't was beter geweest, dat ge dat mens een aalmoes had gegeven. Maar gierig waard ge heel uw leven en als gij uw leven niet betert, dan zal God u ten allen tijden met uw peerden kastijden". Zo'n rebelement kon ons vader niet lijden. Toen gong hij naar Peter de Bok. Dat was een zienswaardig man. Voor pasteur was hij te klein, maar van leeftijd boven Jan. 't Meest had hij een kapotte jas, zo vol gaten hangen, dat er zes katten nog geen muis in konden vangen. Hij zeed: ,Ja en nou geeft gij de pastoor ongelijk, dan zeg ik nene. Kijk, want in de oorlog met de Fransen en de Pruis, die toen ingekwartierd waren bij ons in huis, zijn alle peerden gestolen in ene nacht en nooit geen kop of staart meer van teruggebracht". En hij zegt: "En als wij nou wat hebben willen om te rijen dan moeten wij naar de jongen van Tinus van Fijen".

Onderwerp

SINSAG 0580 - Andere Hexenkünste    SINSAG 0580 - Andere Hexenkünste   

Beschrijving

Een arme vrouw bezoekt een rijke boer, maar wordt hulp geweigerd. Zij betovert de boerderij en de paarden van de boer. De pastoor gelooft de gierige boer niet.

Bron

Kooijman, Henk: Volksverhalen uit het grensgebied van Zuid-Holland, Utrecht, Gelderland en Noord-Brabant. Amsterdam 1988. p. 319-320.