Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ROODKAPJE339 - Roodkapje

Een sprookje (boek), 1898

Hoofdtekst

Roodkapje.
In een dorp bij een bosch, stond een klein huisje. Daarin woonde een moeder met een eenig kindje.
Toen dat kindje nog heel klein was, maakte haar moeder een roodkapje voor haar. Dat stond zoo lief op de blonde krulletjes, dat haar moeder haar een kus gaf en zei: "Dag, Roodkapje!"
Van dien tijd af noemden alle menschen haar zoo.
Toen Roodkapje zes jaar was en ze op een morgen van school thuis kwam, rook ze in de kamer iets heel lekkers.
"o Moe, u hebt wafels gebakken!" zei ze, en haar blauwe oogen glansden van plezier.
"Ja, prul, dat heb ik ook," zei haar moeder, "en hier is juist een heerlijke voor jou." En tegelijk zette ze voor Roodkapje een bordje neer, waarop een geurige, bruine, brosse wafel lag, dik met suiker bestrooid.
Toen Roodkapje hem ophad, veegde haar moeder de kruimels van haar mondje en zei: "Zet gauw je roode kapje op, want Grootmoeder is ziek geworden, en ik heb wat wafels voor haar gebakken, die jij nu brengen moet. Ze liggen in een mandje, met een paar flesschen wijn, hang het aan je arm, goed zoo!"
Roodkapje was juist op het punt om heen te gaan, toen haar moeder haar terugriep. "Denk er aan, kindje," zei ze, "dat je voorzichtig bent in het bosch, en op de wolven past. Vooral niet met ze praten, hoor, want die heertjes zijn niet te vertrouwen."
Roodkapje beloofde het, gaf haar moeder een kus, en ging vroolijk op weg.
Het was prachtig weer, het zonnetje scheen, de hemel was blauw en klaar, de boomen in het bosch geurden. Hier en daar waren plekjes zonneschijn waarin de muggen lustig dansten. Roodkapje moest ook dansen, omdat alles zoo mooi en prettig was. Ze huppelde voort, lachte tegen de vogeltjes, die in de takken zongen, en plukte bloemetjes, roode en witte, blauwe en gele. Zelf leek ze wel een bloemetje, zooals ze daar geknield lag met haar roode kapje tusschen al het groen.
Roodkapje lag nog gebukt toen ze opeeens dicht bij zoch een stem hoorde. Ze stond haastig op en zag een wolf, die van achter een boom te voorschijn kwam.
"Waar ga je heen, Roodkapje, en wat het je in dat mandje?" vroeg de wolf.
"Ik ga naar Grootmoeder, die ziek is," zei Roodkapje, "ik moet wijn en wafels brengen."
Roodkapje had heelemaal vergeten wat ze haar moeder beloofd had.
"Waar woont je Grootmoeder?" vroeg de wolf.
"aan het eind van het bosch," zei Roodkapje, "in een huisje met een rood afdakje boven de deur."
"Wel, dat is aardig," riep de wolf, "daar moet ik ook heen. Willen we zien wie er het eerst is? Ik ga deezen weg, neem jij dan den anderen."
"Goed," zei Roodkapje, en ze stapte heen met vlugge passen.
Ze had nog maar een klein eindje geloopen, toen ze een vlinder zag met bonte vleugels. "Dien moet ik hebben," dacht ze en ze liep het beestje na.
Het fladderde naar links en rechts, voor en achteruit, het verschool zich in den kelk van een lelie, maar als Roodkapje het grijpen wou, wipte het weer weg en zat opeens hoog boven haar hoofd op een boomblad.
Toen Roodkapje merkte, dat ze het toch niet krijgen kon, liep ze maar weer verder. Ze dacht niet meer aan de afspraak met den wolf, ze dacht alleen aan de mooie kleurig bloemen die om haar heen bloeiden, en ze plukte een mooien ruiker voor haar lieve zieke Grootmoeder.
De wolf, die in dien tusschentijd den kortsten weg gegaan was, had al lang Grootmoeders huisje bereikt.
Hij klopte aan, en een zwakke stem riep:
"Wie is daar?"
"Ik ben Roodkapje en ik kom wafels brengen," riep de wolf met een zachte, veranderde stem.
"Trek maar aan het touwtje, dan gaat de deur vanzelf open."
De wolf deed het en de deur ging open, maar nauwelijks was hij binnen, of hij sprong op het bed en at de arme zieke Grootmoeder op.
Toen Roodkapje aanklopte, lag hij met zijn rug naar den muur in het bed, hij had Grootmoeders nachtjapon aangetrokken en haar geplooide muts op het hoofd gezet.
"Wie is daar?" riep hij, terwijl hij zijn stem zoo zacht en vriendelijk maakte, als hij maar kon.
"Ik, Roodkapje, ik kom u wafeltjes brengen."
"Trek maar aan het touwtje, dan gaat de deur vanzelf open," bromde de wolf.
"Goedemorgen, lieve Grootmoeder," zei Roodkapje binnentredend, "hoe gaat het u?"
"Dat gaat nogal," zei de wolf van onder de dekens.
"Wat is Grootmoeder heesch geworden," dacht Roodkapje, en ze zei: "Ik heb lekkere wafels voor u meegebracht, Grootje."
"Zet ze maar op tafel en kom bij me zitten," klonk het heesch.
Roodkapje ging bij het bed zitten en met verwondering bemerkte ze hoe vreemd haar Grootmoeder er uitzag. "Grootmoeder," zei ze, "wat hebt u groote ooren."
"Des te beter kan ik je hooren," zei de wolf.
"Grootmoeder," zei Roodkapje opnieuw, toen de wolf zich had omgedraaid, "wat hebt u groote oogen."
"Des te beter kan ik je zien," zei de wolf grimmig.
"Grootmoeder," klonk het nu, "wat hebt u lange armen."
"Des te beter kan ik je omhelzen," gaf de wolf ten antwoord.
"Grootmoeder," riep Roodkapje angstig, "wat hebt u een grooten mond."
"Des te beter kan ik je verslinden," riep de wolf, en tegelijk sprong hij op Roodkapje af met wijd open muil.
Zeker zou hij haar verscheurd hebben, maar gelukkig werd te rechter tijd de deur geopend.
Twee houthakkers, die in het bosch aan het werk waren, hadden Roodkapje's gillen gehoord en kwamen in allerijl toeschieten, net bijtijds om den wolf te dooden vóór hij nog Roodkapje eenig leed gedaan had.
Verschrikt en bevend snelde Roodkapje naar huis en schreiend kwam ze bij haar moeder aan. Was ze toch maar gehoorzaam geweest, had ze maar naar haar moeder geluisterd en niet met den wolf gesproken, dan zou haar arme grootmoeder nog leven!
"Ik zal nooit meer ongehoorzaam zijn, moesje," beloofde ze snikkend, en ze heeft trouw haar woord gehouden.

Onderwerp

ATU 0333 - Little Red Riding Hood    ATU 0333 - Little Red Riding Hood   

AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)    AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   

Beschrijving

Ondanks haar belofte aan moeder om onderweg naar grootmoeder niet met wolven te praten, vertelt Roodkapje de wolf die ze tegenkomt, dat ze naar grootmoeder gaat en waar ze woont. Ze doen wie het eerste bij grootmoeder is, maar Roodkapje vergeet de afspraak als in het bos bloemen plukt en vlinders ziet. Intussen gaat de wolf gaat naar grootmoeders huis, klopt aan, doet de stem van Roodkapje na, kan binnenkomen, eet grootmoeder op, verkleedt zich als grootmoeder en gaat in bed liggen. Roodkapje verbaast zich over de ogen, oren, armen en mond van grootmoeder, waarna de wolf haar wil opeten. Houthakkers horen Roodkapje gillen en doden de wolf. Roodkapje belooft nooit meer ongehoorzaam te zijn, want door haar is grootmoeder dood.

Bron

Tine van Berken. Roodkapje en Asschepoester. Amsterdam: Becht, [1898]
KB: NBM Mfe 10595
Collectie Roodkapje/Karsdorp

Motief

B211.2.4 - Speaking wolf.    B211.2.4 - Speaking wolf.   

J21.5 - ”Do not leave the highway“:    J21.5 - ”Do not leave the highway“:   

K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.    K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   

Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.    Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   

Commentaar

Pseud. van Anna Christina Witmond-Berkhout

Naam Overig in Tekst

Roodkapje    Roodkapje   

Datum Invoer

2019-05-02