Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ROODKAPJE346

Een sprookje (boek), 1920

Hoofdtekst

Er was eens een allerliefst, klein meisje van wie iedereen veel hield, omdat ze altijd zoo vriendelijk lachen kon. Ze was de lieveling van haar grootmoeder, die steeds voor haar kleinkind bezig was en op de verjaardagen met de mooiste presentjes aankwam. Eens, toen het meisje zeven jaar werd, haakte grootmoeder een rood wollen kapje voor haar. Dat droeg ze voortaan iederen dag en omdat het haar zoo aardig stond, noemden alle menschen in 't dorp haar "Roodkapje."
Op zekeren mooien zomerdag, toen haar moeder wafeltjes had gebakken, zei ze tegen haar dochtertje: "Kijk eens, klein vrouwtje, hier is een potje boter, dat je met de wafeltjes naar grootmoeder moet brengen. Ons oudje is ziek en erg zwak. Zoo'n lekkernijtje zal haar welkom zijn en dan kun je meteen eens vragen, hoe het met grootmoeder gaat. 't Is 't beste, maar vroeg op stap te gaan, anders wordt het te donker. Maar denk er om, niet van den grooten weg af te dwalen, want als je struikelt, breek je het boterpotje. Natuurlijk moet je ook niet vergeten, grootmoeder de groeten van me te doen, hoor. Zal mijn nieuwsgierigaagje ook niet overal rondkijken en het oudje met vragen lastig vallen?" "Ik zal alles zoo goed mogelijk doen," beloofde Roodkapje en gaf moeder bij 't afscheid een dikken kus.
Om aan 't huisje van de zieke te komen, moest ze een groot bosch door. In dat bosch waren wolven, maar deze vertoonden zich nooit op den grooten weg, dien Roodkapje te volgen had. Ongelukkig vergat het meisje de belofte, aan moeder gedaan, toen ze in 't bosch een bont kapelletje naliep. Daar ontmoette ze werkelijk een wolf. Roodkapje wist echter niet, dat 't zoo'n ondeugend dier was en ging er niet voor op den loop.
"Goeden dag, Roodkapje," zei hij. "Dag wolf," lachte 't kleine ding. "Waar ga je heen, dreumes?" "Naar grootmoeder. Die is ziek, weet je." "Wat draag je daar onder je schortje?" vroeg de wolf weer. "Boter en wafeltjes. Moeder heeft ze vanmorgen gebakken, omdat ze weet, dat grootmoeder zooveel van wafeltjes houdt." "Woont dat oudje hier heel ver vandaan, lief meisje?" "'t Gaat nog al. 'k Zal nog een kwartiertje moeten loopen. Dicht bij gindsche eikeboomen staat haar huisje. Het is ook vlak bij den molen, weet je die te vinden?" "Zeker kleintje," antwoordde de stoute wolf, die bij zich zelf bedacht had, dat het lieve kind een lekkerder hapje voor hem zou zijn dan de oude grootmoeder. Maar hij moest 't slim aanleggen, want Roodkapje mocht hem niet ontsnappen. Hij stapte een poosje naast het vroolijk babbelende meisje voort en zei vriendelijk: "Kijk toch eens, wat een mooie, bonte bloemen daar allemaal langs den weg staan en je let er niet eens op. Ik geloof, beste meid, dat je zelfs niet hoort, hoe lief de vogeltjes zingen. 't Is hier zoo prachtig in het bosch en jij kijkt maar voor je uit, net of je gewoon naar school gaat. Houd je soms niet van mooie bloemen?" Roodkapje keek om zich heen, Ja, de wolf had gelijk, onder 't drukke praten lette ze nergens op. Alle bloempjes had ze zoo maar voorbij geloopen en de blauwe boschviooltjes waren toch wel de moeite waard, bekeken te worden. "Wacht," dacht ze, "als ik grootmoeder eens een mooi ruikertje meebracht, dat zou ze zeker aardig vinden. 'k Zal er nog best op tijd komen, want 't is nog vroeg genoeg." "Weet je wat ik doe, wolf?" riep ze. "'t Staat hier vol bloempjes van allerlei kleur. Hoe bonter bouquetje, hoe mooier! Ik zal ze plukken en aan grootmoeder brengen." "Doe dat," lachte het ondeugend dier en toen nam Roodkapje afscheid van hem, om wat dieper het bosch in te gaan. De wolf had haar gezegd, dat ze eindelijk op een veld zou komen, waar de bloemen volop bloeiden.
Onderwijl stapte de wolf naar 't huis van de grootmoeder en klopte aan de deur. "Wie is daar?" vroeg een schorre stem. "Roodkapje, ik kom u boter en wafeltjes brengen!" "Trek maar aan het touwtje, dan zal de deur wel opengaan!" riep de grootmoeder. De wolf deed dit. De deur ging werkelijk open en zonder een woord te zeggen, stommelde hij de trappen op. Meteen liep hij naar 't bed van 't arme oudje en at haar op. Haastig trok hij haar kleeren aan, zette het witte mutsje op den ruige kop en kroop diep onder de dekens.
Roodkapje was intusschen een aardig eindje omgeloopen en toen ze zooveel bloemen bij elkaar had, dat haar klein handje de steeltjes nauwelijks omvatten kon, dacht ze er opeens aan, dat 't al laat zou zijn. Als een haas holde ze naar grootmoeders huisje. Het verbaasde haar, dat de deur aanstond en toen ze in 't kamertje kwam, waar de gordijnen bijna geheel dicht waren, kreeg ze zoo'n angstig gevoel, dat ze haar hartje in haar heel voelde kloppen. "Dag grootmoedertje!" riep ze, maar er kwam geen antwoord. Toen sloop ze naar 't bed en deed de gordijnen op zij. Daar lag grootmoeder; het mutsje had ze over de ooren getrokken en 't kleine meisje vond, dat ze er zoo vreemd uitzag.
"O grootmoeder," zei ze, "wat heeft u groote ooren!"
"Dat is om beter te kunnen hooren, kind."
"En wat heeft u groote oogen!"
"Dat is om beter te kunnen zien."
"Grootmoedertje, grootmoedertje, wat heeft u groote handen!" riep ze weer.
"Dat is om je beter te kunnen omhelzen, liefje."
"Maar wat heeft u ook een vreeselijk grooten mond!"
"Ja, ja, om je beter te kunnen opeten."
Nauwelijks had hij dit gezegd, of hij deed een stap uit bed en slokte het arme Roodkapje op. Nu de wolf zooveel gegeten had, besloot hij een dutje te doen. 't Was vreeselijk, zooals hij na een paar minuutjes snorkte!
Toevallig ging er juist een jager 't huisje voorbij. "Wel verbazen, wat snorkt dat oude vrouwtje daar," dacht hij. "'k Moet toch eens zien, of haar soms wat mankeert." Hij stapte het huisje in en toen hij voor 't bed stond, zag hij, dat niet het zieke grootje, maar de wolf er in lag. "Zoo, zoo, vind ik jou hier, deugniet?" zei de jager. "Ik heb je al lang gezocht." Juist wilde hij zijn geweer aanleggen, om de slokop dood te schieten, toen hij bedacht, dat het dier de oude vrouw wel opgegeten kon hebben en dan was 't nog mogelijk, haar te redden. Hij schoot dus niet, maar haalde een schaar voor den dag om daarmee den buik van den slapenden wolf opeen te knippen. Toen hij even met 't gevaarlijke werkje bezig was, kwam het roode mutsje van Roodkapje te voorschijn. Nog een paar knippen en daar wipte het lieve meisje er uit. "O jagertje, best jagertje, wat ben ik vreeselijk geschrokken!" riep ze. "'t Was toch zoo akelig donker in 't lichaam van den wolf." De goede man streek haar even over de wangen en ging door met zijn werk. Want de kleuter vertelde hem, dat de gulzigaard grootmoeder ook opgegeten moest hebben. Daar kwam zoowaar de oude vrouw ook nog levend voor den dag, maar ze kon bijna geen adem meer halen, omdat ze veel langer opgesloten was geweest.
Roodkapje haalde gauw een paar groote steenen, om daarmee 't lichaam van den wolf op te vullen. Al slapende merkte hij nergens iets van, maar toen hij wakker werd, wou hij uit bed springen en op den loop gaan. Doch dit viel den deugniet tegen, want toen hij op den grond stapte, viel hij, door 't zware gewicht omver en was meteen dood.
Wat waren ze met hun drietjes in hun nopjes! De jager stroopte den wolf en ging met 't vel weg om 't te verkoopen. Grootmoeder, die weer bij gekomen was, smulde in de wafeltjes, die Roodkapje had meegebracht. En het kleine ding overlegde bij zich zelf, dat ze nooit, nee nooit weer ongehoorzaam zou wezen. Want als ze moeder's raad gevolgd had en op den grooten weg was gebleven, zou ze den wolf niet ontmoet hebben.

Onderwerp

ATU 0333 - Little Red Riding Hood    ATU 0333 - Little Red Riding Hood   

AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)    AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   

Beschrijving

Ondanks haar belofte aan moeder om onderweg naar grootmoeder op de grote weg te blijven, is Roodkapje ongehoorzaam. Ze komt de wolf tegen, vertelt dat ze naar grootmoeder gaat en waar ze woont, en laat zich verleiden om in het bos bloemen te plukken. Intussen gaat de wolf naar grootmoeders huis, klopt aan, doet de stem van Roodkapje na, gaat naar binnen, eet grootmoeder op, verkleedt zich als grootmoeder en gaat in bed liggen. Roodkapje verbaast zich over de deur die open is, de ogen, oren, handen en mond van grootmoeder, waarna de wolf haar opeet. De wolf snurkt in zijn slaap zo hard dat een jager gaat kijken, eerst de wolf wil doodschieten, bedenkt dat de wolf grootmoeder kan hebben opgegeten, en met een schaar de buik openknipt, waar Roodkapje en grootmoeder uit komen. Roodkapje neemt zich voor nooit meer ongehoorzaam te zijn. Roodkapje haalt stenen waarmee ze buik vult. De wolf valt dood neer als hij uit bed wil springen. De jager stroopt zijn vel af om te verkopen. Roodkapje neemt zich voor voortaan altijd gehoorzaam te zijn.

Bron

Henriëtte Blaauw. Roodkapje en de wolf. Alkmaar: Kluitman, [ca. 1920]
KB: KW BJ Z0550
Collectie Roodkapje/Karsdorp

Motief

K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.    K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   

B211.2.4 - Speaking wolf.    B211.2.4 - Speaking wolf.   

J21.5 - ”Do not leave the highway“:    J21.5 - ”Do not leave the highway“:   

Q426 - Wolf cut open and filled with stones as punishment.    Q426 - Wolf cut open and filled with stones as punishment.   

Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.    Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   

Commentaar

Henriëtte Sophia Blaauw-Van den Dries
Naar Grimm
Ills Hanns Anker
Oorspr. titel en uitg. Rotkäppchen. Hannover: Molling & Co., [1914]

Naam Overig in Tekst

Roodkapje    Roodkapje   

Datum Invoer

2019-05-02