Hoofdtekst
De grootmoeder, de moeder, de dochter en meneer de wolf
Een verhaal uit Frankrijk
Een hele tijd geleden woonde er op het Franse platteland eens een moeder. Toen die moeder haar koe had gemolken en een vers brood uit haar oven had gehaald, dacht ze aan haar eigen moeder, die oud en ziek te bed lag. Ze riep haar jonge dochter. 'Dochter, breng gauw dit stuk brood en deze fles melk naar grootmoeder. Wat verse kost zal haar deugd doen.' De dochter pakte het brood en de melk, en vertrok naar het huis van grootmoeder.
Bij het kruispunt aan de rand van het bos voelde ze dat iemand naar haar keek. Uit het kreupelhout kwam meneer de wolf tevoorschijn. 'Dag, mooi meisje, waar ga je naartoe ?' De dochter antwoordde : 'Ik breng brood en melk naar grootmoeder. Dat zal haar deugd doen, want ze is oud en ziek.' 'Dat is goed,' knikte meneer de wolf. 'En, mooi meisje, welk pad wil je volgen, dat van de spelden of dat van de naalden?' De dochter dacht na. Zowel naalden als spelden waren scherp en prikten je tot bloedens toe, maar verder was er geen groot verschil. Met spelden kon het kleinste kind aan de slag, naalden vroegen om een vrouwenhand. 'Ik kies het pad van de naalden!' riep de dochter. 'Dan zal ik het pad van de spelden volgen,' zei meneer de wolf.
Onderweg raapte de dochter alle naalden op die ze op haar pad vond. Ze plukte ook alle bessen en wilde aardbeien die ze zag, en stopte ze in haar mond. Ze deed er uren over voordat ze bij het huis van grootmoeder kwam. Meneer de wolf had zich intussen gehaast en kwam veel eerder aan. Hij klopte op de deur. 'Grootmoeder, ik ben het, uw kleindochter.'
'Kleindochter, wat heb je een zware stem!' riep de grootmoeder geschrokken uit. Meneer de wolf schraapte zijn keel. 'Dat is omdat ik verkouden ben. Maak gauw open. Ik breng u warm brood en verse melk.' 'Duw dan de deur maar open,' zei de grootmoeder. 'Slechts een nat stropijltje houdt ze tegen.' Meneer de wolf duwde tegen de deur tot het stropijltje brak, en stapte over de drempel.
Nog voordat de oude vrouw een kreet kon slaken, stortte meneer de wolf zich op haar en verslond haar met huid en haar.
Maar zelfs de gulzige meneer de wolf kon grootmoeders vlees en bloed niet in één keer op. Hij besloot om de beste stukjes voor later te bewaren, stopte de malse brokjes vlees in een pot en borg die op in de kast. Hij goot de rest van het bloed in een fles en zette die op een plank. Daarna trok meneer de wolf grootmoeders nachtgoed aan, kroop in haar bed en trok de lakens tot over zijn muil.
Eindelijk was de dochter bij grootmoeders huis aangekomen. Ze klopte op de deur. 'Grootmoeder, ik ben het, uw kleindochter. Ik breng warm brood en verse melk.' 'Duw tegen de deur, kleindochter,' klonk het van onder de lakens. 'Slechts een nat stropijltje houdt ze tegen.' 'Grootmoeder, wat hebt u een zware stem !' riep de dochter geschrokken uit. Meneer de wolf schraapte zijn keel. 'Dat is omdat ik verkouden ben. Kom gauw naar binnen.' De dochter duwde tegen de deur tot het stropijltje brak, en stapte over de drempel. 'Hier is brood en melk, grootmoeder. Dat zal u deugd doen. ' 'Leg alles maar in mijn kast, kleindochter.' 'Wat heb ik een honger en een dorst, grootmoeder!' 'Er ligt nog een pot vers vlees in de kast en er staat nog een fles wijn op de plank. Neem wat je wilt, en eet en drink tot je genoeg hebt!' Het meisje stookte het vuur in de kachel op. Ze nam de pot met vlees uit de kast, zette die op de kachel en roerde erin. Ze pakte de fles van de plank en schonk zich een glas vol. Ze proefde een mals brokje vlees en nipte van het glas. Zo gauw ze de eerste hap had doorgeslikt, miauwde de kat : 'Bah ! Wat vreet ze daar ! De borsten van haar grootmoeder !' Zo gauw ze haar eerste slok had doorgeslikt, miauwde de kat: 'Bah ! Wat drinkt ze daar ! Het bloed van haar grootmoeder !' Het meisje keek op. 'Wat zegt de kat, grootmoeder ? Ik kan het niet zo goed verstaan.' 'Ach,' klonk het van onder de lakens, 'dat beest jankt om eten, zoals katten altijd doen.'
De dochter gaf de kat een brokje, maar het beest stoof ervandoor. Het meisje geeuwde. 'Wat heb ik een slaap, grootmoeder !' 'Kleed je dan uit en kom bij mij in bed, kleindochter.'
'Waar zal ik mijn schort leggen ?'
'Gooi 'm in het vuur, die schort heb je niet meer nodig !'
'Waar zal ik mijn rokje leggen ?'
'Gooi het in het vuur, dat rokje heb je niet meer nodig!’
'Waar zal ik mijn bloesje leggen ?'
'Gooi het in het vuur, dat bloesje heb je niet meer nodig!’
'Waar zal ik mijn onderrokje leggen ?'
'Gooi het in het vuur, dat onderrokje heb je niet meer nodig!’
'Waar zal ik mijn sokjes leggen ?'
'Gooi ze in het vuur, die sokjes heb je niet meer nodig !'
'Waar zal ik mijn schoenen leggen ?'
'Gooi ze in het vuur, die schoenen heb je niet meer nodig !'
'Waar zal ik mijn onderbroekje leggen ?'
‘Gooi het in het vuur, dat onderbroekje heb je niet meer nodig !'
Toen de dochter bloot was, bleef het even stil onder de lakens.
Toen klonk het : 'Kruip snel bij mij in bed. Ik heb het zo koud.'
De dochter kroop in bed en drukte zich tegen grootmoeder aan.
'Grootmoeder, wat hebt u een ruwe huid !' riep ze geschrokken uit.
'Dat overkomt alle vrouwen die lang hebben geleefd, kleindochter.'
'Grootmoeder, wat bent u behaard!’ riep ze geschrokken uit.
'Dat overkomt alle vrouwen die kou hebben geleden, kleindochter.'
'Grootmoeder, wat hebt u scherpe nagels !' riep ze geschrokken uit.
'Dat overkomt alle vrouwen die hard hebben gewerkt, kleindochter.'
'Grootmoeder, wat hebt u brede schouders !' riep ze geschrokken uit.
'Dat overkomt alle vrouwen die kinderen hebben gedragen, kleindochter.'
'Grootmoeder, wat hebt u platte borsten !' riep ze geschrokken uit.
'Dat overkomt alle vrouwen die kinderen hebben gezoogd, kleindochter.'
Nu gluurde de dochter voorzichtig naar het gezicht van grootmoeder.
'Grootmoeder, wat hebt u grote oren !' fluisterde ze.
'Dat is om jou beter te kunnen horen.'
'Grootmoeder, wat hebt u grote ogen !' fluisterde ze.
'Dat is om jou beter te kunnen zien.'
'Grootmoeder, wat hebt u brede neusgaten !' fluisterde ze.
'Dat is om jou beter te kunnen ruiken.'
'Grootmoeder, wat hebt u een grote mond !' fluisterde ze.
'Dat is om jou beter te kunnen opeten.'
'Ach, grootmoeder, laat me even naar buiten,' smeekte de dochter. 'Ik moet echt dringend!'
'Doe het maar in bed, kleindochter, dat vind ik helemaal niet erg!'
'Nee, grootmoeder, ik moet naar buiten,' drong de dochter aan.
'Het duurt niet lang.'
'Goed dan.' Meneer de wolf maakte een touwtje aan de enkel van de dochter vast. Het andere uiteinde hield hij in zijn klauw.
'Ga maar. Als je wegloopt, voel ik het meteen.'
Zo gauw de dochter buiten was, maakte ze het touwtje los en bond het aan de pruimenboom op het erf.
Meneer de wolf werd ongeduldig. 'Ben je nu nog niet klaar, kleindochter ?'
'Grootmoeder, ik doe het zo snel als ik kan,' riep de dochter.
Meneer de wolf trok aan het touwtje, voelde weerstand en was gerustgesteld.
Na een poosje riep hij weer: 'Ben je nu nog niet klaar, kleindochter ?' Hij trok opnieuw aan het touwtje. Hij voelde weerstand, maar een antwoord kwam er niet.
Meneer de wolf stormde naar buiten en zag dat hij was beetgenomen. De dochter had een flinke voorsprong. Ze rende tot ze bij een rivier kwam. Op beide oevers waren de wasvrouwen witte doeken aan het wassen.
De dochter smeekte : 'Help me naar de overkant of meneer de wolf vreet me op !'
De wasvrouwen op de ene oever wierpen de grootste doek naar de wasvrouwen op de andere oever. Samen trokken ze die doek strak boven het water. 'Loop, dochter, tot aan de overkant.'
Toen meneer de wolf bij de rivier kwam, vroeg hij aan de wasvrouwen: 'Wat zijn jullie aan het wassen ?' 'Luier voor de ene, lijkwade voor de andere,' antwoordde de oudste wasvrouw. 'Hebben jullie soms een meisje gezien ?' 'Jazeker,' zeiden de wasvrouwen. 'We hebben de grootste doek zo strak getrokken dat ze erover kon lopen naar de overkant.' 'Helpen jullie me ook naar de overkant ?' vroeg meneer de wolf. Weer wierpen de wasvrouwen op de ene oever de grootste doek naar de wasvrouwen op de andere oever. Weer trokken ze die doek strak boven het water. Ze wenkten meneer de wolf. 'Loop maar naar de overkant.' Meneer de wolf holde over de strakke doek. Maar toen hij in het midden van de rivier was gekomen, lieten de wasvrouwen de uiteinden los. 'Luier voor de ene, lijkwade voor de andere,' riep de oudste wasvrouw terwijl meneer de wolf naar de bodem zonk.
Een verhaal uit Frankrijk
Een hele tijd geleden woonde er op het Franse platteland eens een moeder. Toen die moeder haar koe had gemolken en een vers brood uit haar oven had gehaald, dacht ze aan haar eigen moeder, die oud en ziek te bed lag. Ze riep haar jonge dochter. 'Dochter, breng gauw dit stuk brood en deze fles melk naar grootmoeder. Wat verse kost zal haar deugd doen.' De dochter pakte het brood en de melk, en vertrok naar het huis van grootmoeder.
Bij het kruispunt aan de rand van het bos voelde ze dat iemand naar haar keek. Uit het kreupelhout kwam meneer de wolf tevoorschijn. 'Dag, mooi meisje, waar ga je naartoe ?' De dochter antwoordde : 'Ik breng brood en melk naar grootmoeder. Dat zal haar deugd doen, want ze is oud en ziek.' 'Dat is goed,' knikte meneer de wolf. 'En, mooi meisje, welk pad wil je volgen, dat van de spelden of dat van de naalden?' De dochter dacht na. Zowel naalden als spelden waren scherp en prikten je tot bloedens toe, maar verder was er geen groot verschil. Met spelden kon het kleinste kind aan de slag, naalden vroegen om een vrouwenhand. 'Ik kies het pad van de naalden!' riep de dochter. 'Dan zal ik het pad van de spelden volgen,' zei meneer de wolf.
Onderweg raapte de dochter alle naalden op die ze op haar pad vond. Ze plukte ook alle bessen en wilde aardbeien die ze zag, en stopte ze in haar mond. Ze deed er uren over voordat ze bij het huis van grootmoeder kwam. Meneer de wolf had zich intussen gehaast en kwam veel eerder aan. Hij klopte op de deur. 'Grootmoeder, ik ben het, uw kleindochter.'
'Kleindochter, wat heb je een zware stem!' riep de grootmoeder geschrokken uit. Meneer de wolf schraapte zijn keel. 'Dat is omdat ik verkouden ben. Maak gauw open. Ik breng u warm brood en verse melk.' 'Duw dan de deur maar open,' zei de grootmoeder. 'Slechts een nat stropijltje houdt ze tegen.' Meneer de wolf duwde tegen de deur tot het stropijltje brak, en stapte over de drempel.
Nog voordat de oude vrouw een kreet kon slaken, stortte meneer de wolf zich op haar en verslond haar met huid en haar.
Maar zelfs de gulzige meneer de wolf kon grootmoeders vlees en bloed niet in één keer op. Hij besloot om de beste stukjes voor later te bewaren, stopte de malse brokjes vlees in een pot en borg die op in de kast. Hij goot de rest van het bloed in een fles en zette die op een plank. Daarna trok meneer de wolf grootmoeders nachtgoed aan, kroop in haar bed en trok de lakens tot over zijn muil.
Eindelijk was de dochter bij grootmoeders huis aangekomen. Ze klopte op de deur. 'Grootmoeder, ik ben het, uw kleindochter. Ik breng warm brood en verse melk.' 'Duw tegen de deur, kleindochter,' klonk het van onder de lakens. 'Slechts een nat stropijltje houdt ze tegen.' 'Grootmoeder, wat hebt u een zware stem !' riep de dochter geschrokken uit. Meneer de wolf schraapte zijn keel. 'Dat is omdat ik verkouden ben. Kom gauw naar binnen.' De dochter duwde tegen de deur tot het stropijltje brak, en stapte over de drempel. 'Hier is brood en melk, grootmoeder. Dat zal u deugd doen. ' 'Leg alles maar in mijn kast, kleindochter.' 'Wat heb ik een honger en een dorst, grootmoeder!' 'Er ligt nog een pot vers vlees in de kast en er staat nog een fles wijn op de plank. Neem wat je wilt, en eet en drink tot je genoeg hebt!' Het meisje stookte het vuur in de kachel op. Ze nam de pot met vlees uit de kast, zette die op de kachel en roerde erin. Ze pakte de fles van de plank en schonk zich een glas vol. Ze proefde een mals brokje vlees en nipte van het glas. Zo gauw ze de eerste hap had doorgeslikt, miauwde de kat : 'Bah ! Wat vreet ze daar ! De borsten van haar grootmoeder !' Zo gauw ze haar eerste slok had doorgeslikt, miauwde de kat: 'Bah ! Wat drinkt ze daar ! Het bloed van haar grootmoeder !' Het meisje keek op. 'Wat zegt de kat, grootmoeder ? Ik kan het niet zo goed verstaan.' 'Ach,' klonk het van onder de lakens, 'dat beest jankt om eten, zoals katten altijd doen.'
De dochter gaf de kat een brokje, maar het beest stoof ervandoor. Het meisje geeuwde. 'Wat heb ik een slaap, grootmoeder !' 'Kleed je dan uit en kom bij mij in bed, kleindochter.'
'Waar zal ik mijn schort leggen ?'
'Gooi 'm in het vuur, die schort heb je niet meer nodig !'
'Waar zal ik mijn rokje leggen ?'
'Gooi het in het vuur, dat rokje heb je niet meer nodig!’
'Waar zal ik mijn bloesje leggen ?'
'Gooi het in het vuur, dat bloesje heb je niet meer nodig!’
'Waar zal ik mijn onderrokje leggen ?'
'Gooi het in het vuur, dat onderrokje heb je niet meer nodig!’
'Waar zal ik mijn sokjes leggen ?'
'Gooi ze in het vuur, die sokjes heb je niet meer nodig !'
'Waar zal ik mijn schoenen leggen ?'
'Gooi ze in het vuur, die schoenen heb je niet meer nodig !'
'Waar zal ik mijn onderbroekje leggen ?'
‘Gooi het in het vuur, dat onderbroekje heb je niet meer nodig !'
Toen de dochter bloot was, bleef het even stil onder de lakens.
Toen klonk het : 'Kruip snel bij mij in bed. Ik heb het zo koud.'
De dochter kroop in bed en drukte zich tegen grootmoeder aan.
'Grootmoeder, wat hebt u een ruwe huid !' riep ze geschrokken uit.
'Dat overkomt alle vrouwen die lang hebben geleefd, kleindochter.'
'Grootmoeder, wat bent u behaard!’ riep ze geschrokken uit.
'Dat overkomt alle vrouwen die kou hebben geleden, kleindochter.'
'Grootmoeder, wat hebt u scherpe nagels !' riep ze geschrokken uit.
'Dat overkomt alle vrouwen die hard hebben gewerkt, kleindochter.'
'Grootmoeder, wat hebt u brede schouders !' riep ze geschrokken uit.
'Dat overkomt alle vrouwen die kinderen hebben gedragen, kleindochter.'
'Grootmoeder, wat hebt u platte borsten !' riep ze geschrokken uit.
'Dat overkomt alle vrouwen die kinderen hebben gezoogd, kleindochter.'
Nu gluurde de dochter voorzichtig naar het gezicht van grootmoeder.
'Grootmoeder, wat hebt u grote oren !' fluisterde ze.
'Dat is om jou beter te kunnen horen.'
'Grootmoeder, wat hebt u grote ogen !' fluisterde ze.
'Dat is om jou beter te kunnen zien.'
'Grootmoeder, wat hebt u brede neusgaten !' fluisterde ze.
'Dat is om jou beter te kunnen ruiken.'
'Grootmoeder, wat hebt u een grote mond !' fluisterde ze.
'Dat is om jou beter te kunnen opeten.'
'Ach, grootmoeder, laat me even naar buiten,' smeekte de dochter. 'Ik moet echt dringend!'
'Doe het maar in bed, kleindochter, dat vind ik helemaal niet erg!'
'Nee, grootmoeder, ik moet naar buiten,' drong de dochter aan.
'Het duurt niet lang.'
'Goed dan.' Meneer de wolf maakte een touwtje aan de enkel van de dochter vast. Het andere uiteinde hield hij in zijn klauw.
'Ga maar. Als je wegloopt, voel ik het meteen.'
Zo gauw de dochter buiten was, maakte ze het touwtje los en bond het aan de pruimenboom op het erf.
Meneer de wolf werd ongeduldig. 'Ben je nu nog niet klaar, kleindochter ?'
'Grootmoeder, ik doe het zo snel als ik kan,' riep de dochter.
Meneer de wolf trok aan het touwtje, voelde weerstand en was gerustgesteld.
Na een poosje riep hij weer: 'Ben je nu nog niet klaar, kleindochter ?' Hij trok opnieuw aan het touwtje. Hij voelde weerstand, maar een antwoord kwam er niet.
Meneer de wolf stormde naar buiten en zag dat hij was beetgenomen. De dochter had een flinke voorsprong. Ze rende tot ze bij een rivier kwam. Op beide oevers waren de wasvrouwen witte doeken aan het wassen.
De dochter smeekte : 'Help me naar de overkant of meneer de wolf vreet me op !'
De wasvrouwen op de ene oever wierpen de grootste doek naar de wasvrouwen op de andere oever. Samen trokken ze die doek strak boven het water. 'Loop, dochter, tot aan de overkant.'
Toen meneer de wolf bij de rivier kwam, vroeg hij aan de wasvrouwen: 'Wat zijn jullie aan het wassen ?' 'Luier voor de ene, lijkwade voor de andere,' antwoordde de oudste wasvrouw. 'Hebben jullie soms een meisje gezien ?' 'Jazeker,' zeiden de wasvrouwen. 'We hebben de grootste doek zo strak getrokken dat ze erover kon lopen naar de overkant.' 'Helpen jullie me ook naar de overkant ?' vroeg meneer de wolf. Weer wierpen de wasvrouwen op de ene oever de grootste doek naar de wasvrouwen op de andere oever. Weer trokken ze die doek strak boven het water. Ze wenkten meneer de wolf. 'Loop maar naar de overkant.' Meneer de wolf holde over de strakke doek. Maar toen hij in het midden van de rivier was gekomen, lieten de wasvrouwen de uiteinden los. 'Luier voor de ene, lijkwade voor de andere,' riep de oudste wasvrouw terwijl meneer de wolf naar de bodem zonk.
Onderwerp
ATU 0333 - Little Red Riding Hood   
AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   
Beschrijving
Versie waarin de naam Roodkapje niet voorkomt, en naast de gewone elementen ook andere elementen bevat.
Op weg naar grootmoeder komt een kleindochter de wolf tegen en vertelt waar ze naar toe gaat. Op de vraag van de wolf of ze het pad van de spelden of dat van de naalden wil volgen, kiest ze voor het pad van de naalden. Onderweg raapt ze alle naalden op, plukt bessen en aardbeien. Intussen gaat de wolf naar grootmoeders huis, klopt aan, doet de stem van kleindochter na, kan binnenkomen, eet grootmoeder op, trekt haar nachtgoed aan en gaat in haar bed liggen. De wolf kan grootmoeder niet in één keer op, stopt de rest het vlees in een pot en het overgebleven bloed in een fles. Als kleindochter aanklopt doet de wolf grootmoeders stem na, het meisje komt binnen, de wolf nodigt haar uit te eten en te drinken van het vlees en van de wijn. Dat de kat miauwt dat ze de borsten eet en het bloed drinkt van grootmoeder kan ze niet goed verstaan, de wolf zegt dat de kat om eten vraagt. De wolf vraagt het meisje zich uit te kleden, wat ze doet. Bij elk kledingstuk vraagt ze waar ze het neer kan leggen, elke keer zegt de wolf dat ze het in het vuur kan gooien, want ze heeft het niet meer nodig. In bed merkt het meisje bijzonderheden aan grootmoeder op, die ze beantwoordt. Als laatste valt de grote mond op, waarop de wolf zegt dat dat is om haar beter te kunnen opeten. Het meisje vraagt om naar buiten te mogen, want ze moet dringend. De wolf bindt een touw om haar enkel, houdt het uiteinde vast, het meisje gaat naar buiten, maakt het touw los en bindt het om een boom. De wolf trekt aan het touw, voelt weerstand, maar krijgt geen antwoord, en ziet buiten dat hij is beetgenomen. Het meisje komt bij een rivier waar vrouwen doeken wassen. Ze helpen haar door de doeken aan elkaar te binden, samen strak te trekken, zodat het meisje eroverheen kan lopen. Als de wolf bij de rivier komt willen ze hem ook helpen, trekken de doeken strak, maar als hij in het midden is laten ze uiteinden los. De wolf verdrinkt.
Op weg naar grootmoeder komt een kleindochter de wolf tegen en vertelt waar ze naar toe gaat. Op de vraag van de wolf of ze het pad van de spelden of dat van de naalden wil volgen, kiest ze voor het pad van de naalden. Onderweg raapt ze alle naalden op, plukt bessen en aardbeien. Intussen gaat de wolf naar grootmoeders huis, klopt aan, doet de stem van kleindochter na, kan binnenkomen, eet grootmoeder op, trekt haar nachtgoed aan en gaat in haar bed liggen. De wolf kan grootmoeder niet in één keer op, stopt de rest het vlees in een pot en het overgebleven bloed in een fles. Als kleindochter aanklopt doet de wolf grootmoeders stem na, het meisje komt binnen, de wolf nodigt haar uit te eten en te drinken van het vlees en van de wijn. Dat de kat miauwt dat ze de borsten eet en het bloed drinkt van grootmoeder kan ze niet goed verstaan, de wolf zegt dat de kat om eten vraagt. De wolf vraagt het meisje zich uit te kleden, wat ze doet. Bij elk kledingstuk vraagt ze waar ze het neer kan leggen, elke keer zegt de wolf dat ze het in het vuur kan gooien, want ze heeft het niet meer nodig. In bed merkt het meisje bijzonderheden aan grootmoeder op, die ze beantwoordt. Als laatste valt de grote mond op, waarop de wolf zegt dat dat is om haar beter te kunnen opeten. Het meisje vraagt om naar buiten te mogen, want ze moet dringend. De wolf bindt een touw om haar enkel, houdt het uiteinde vast, het meisje gaat naar buiten, maakt het touw los en bindt het om een boom. De wolf trekt aan het touw, voelt weerstand, maar krijgt geen antwoord, en ziet buiten dat hij is beetgenomen. Het meisje komt bij een rivier waar vrouwen doeken wassen. Ze helpen haar door de doeken aan elkaar te binden, samen strak te trekken, zodat het meisje eroverheen kan lopen. Als de wolf bij de rivier komt willen ze hem ook helpen, trekken de doeken strak, maar als hij in het midden is laten ze uiteinden los. De wolf verdrinkt.
Bron
Marita De Sterck. Stoute meisjes overal: volksverhalen over liefde en lef. Antwerpen: Manteau, 2010
KB: 12006526
Collectie Roodkapje/Karsdorp
KB: 12006526
Collectie Roodkapje/Karsdorp
Motief
B211.2.4 - Speaking wolf.   
K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   
K1832 - Disguise by changing voice.   
Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   
Commentaar
Dit is een Nederlandse navertelling van een veel ouder Frans sprookje uit de orale traditie. Mogelijk bestond deze versie al toen Charles Perrault er eind 17e eeuw een gekuiste versie van opschreef voor de jonge dames aan het hof van de Zonnekoning.
Datum Invoer
2019-05-15
