Hoofdtekst
ROODKAPJE
Er was eens een heel lief meisje. Ze heette Anna, maar alle mensen noemden haar Roodkapje. Want ze droeg altijd een rood mutsje. Dat had ze van haar grootmoe gekregen. Grootmoe hield zoveel van de lieve Anna. Ze was altijd heel blij, als Roodkapje een poosje bij haar kwam praten. Want ze woonde alleen in een huisje, heel ver het bos in.
Eens was grootmoe ziek. Ze moest de hele dag te bed liggen. En nu kon ze geen eten koken. Daarom zei moeder: “Roodkapje, ik heb pannekoekjes voor grootmoe gebakken. Die moest jij haar gauw even brengen, dan kan ze lekker smullen. Je moogt wel een uurtje bij grootmoe blijven. Maar dan moet je weer terug gaan. Je kunt nog weer thuis zijn, vóórdat het donker is. Zeg maar aan grootmoe, dat ik morgen zélf een poosje kom. En niet zeuren onderweg, maar flink oplopen, hoor!"
Roodkapje nam het mandje, en ging dadelijk op weg. Ze moest door een groot bos. Daar was het lekker fris. De zon kon niet door de bladeren schijnen. Tussen de bomen groeide veel mos. Op enkele plekjes stonden prachtige bloemen. En wat zongen de vogeltjes mooi! In het bos woonde een wolf. Die had de hele dag nog geen eten gehad. Hij lustte graag hazen en wilde konijnen. Maar nu kon hij er geen enkele vinden. Dat vond hij heel verdrietig. Zijn maag was leeg, en hij had een erge honger. Daar zag hij Roodkapje aankomen. “Hè," dacht hij, “dat meisje moest ik kunnen opeten! Wat zou dát een lekker hapje zijn." Maar hij durfde haar toch niet te grijpen. Want ze kon wel eens hard beginnen te schreeuwen. En dan zou de jager er misschien op af komen, en hem doodschieten.
Roodkapje was nu al vlak bij hem. Ze keek wel verwonderd, toen daar opeens een wolf bij haar stond. Maar ze was toch niet bang, want hij leek heel vriendelijk. ”Dag lief meisje," zei de wolf. “Waar moet je heen? En wat is daar in die mand?" “Daar heb ik pannekoekjes in," zei Roodkapje; “en die moet ik naar mijn grootmoe brengen." “En waar woont je grootmoe dan? Is dat hier nog ver vandaan?" “O ja, ik moet nog een heel eind lopen, Ik zie haar huisje nog niet. Maar 't is die kant uit." “Nu," zei de wolf, “dan weet ik een heel mooi plannetje. We zullen eens zien, wie het eerst bij grootmoe is. Jij loopt hier langs de grote weg, en ik ga langs dit smalle paadje." Dat vond Roodkapje wel leuk. Ze dacht, dat zij er wel het eerst zou zijn. Want ze wilde op een drafje lopen.
Eerst liep Roodkapje ook heel vlug. Maar na een poosje zag ze tussen de bomen toch zulke mooie bloemen staan! Ze kon niet laten, er even een paar van te plukken. En een eindje verder groeiden weer andere. Die zou grootmoe óók wel keurig vinden. Roodkapje wilde er een mooie ruiker van maken. Daar zag ze op een van de bloemen een erg vreemde vlinder. Wat had die prachtige kleuren op de vleugels. Die moest Roodkapje toch even vangen. Ze sloop er heel zachtjes heen en... flap! deed haar handje. Maar 't was mishoor. De vlinder fladderde al gauw weer naar een andere bloem. “Nog eens weer proberen," dacht Roodkapje. Maar neen, 't was al wéér mis; ze kon hem niet krijgen.
Nu, dan maar gauw naar grootmoe. Ze dacht er opeens weer aan, dat ze een afspraakje met de wolf had gemaakt. Die was haar nu stellig al een eind vóór gekomen. Maar als ze hard liep, kon zij het nog wel winnen.
Doch de wolf zat al lang in grootmoe's huisje. Hij was er met grote sprongen naar toe gedraafd. Het smalle paadje was veel korter dan de brede weg. Toen hij bij het huisje kwam, was de deur dicht. Hij klopte er tegen, en grootmoe riep: “Wie is daar?" De wolf maakte een mooi fijn stemmetje, net of hij een meisje was. En hij riep: “Hier is Roodkapje, grootmoe!" “O, ben jij het kind? Trek dan maar aan het touwtje hoor, dan gaat de deur wel open." De wolf trok aan het touwtje, en ja, daar kon hij maar zó in het huisje lopen! Hij deed de kamerdeur open, en ging naar het bed. O, wat kreeg die grootmoe een schrik! Ze sprong gauw uit haar bed, en liep op een draf naar het schuurtje. De deur deed ze op slot, zodat de wolf er niet in kon komen. Op een stoel voor het bed lagen nog kleren van grootmoe. De wolf trok de jurk aan, zette de muts op, en deed ook nog de bril op zijn neus. Hij keek eens in de spiegel, en zei: “Ziezo, nu lijk ik net op grootmoe." Hij kroop in het bed, en trok de dekens over zich heen. En nu wachtte hij maar.
Roodkapje liep op een drafje. Want ze dacht, dat zij er nog het eerst zou zijn. Toen ze bij grootmoe's huisje kwam, zag ze de wolf nog niet aankomen. “Ziezo," zei ze, “dat heb ik toch nog gewonnen." Ze klopte aan de deur, en de wolf riep van het bed: “Wie is daar?" “Hier is Roodkapje, grootmoe!" “Och, ben jij het, lief kind? Trek maar aan het touwtje hoor! Ik ben zo ziek, ik kan niet van het bed af komen." Roodkapje trok aan het touwtje, en stond al gauw in de kamer. "Hoe is het met u, grootmoe?" vroeg Roodkapje. “Och," zei de wolf, "ik ben erg ziek, kind. Ik heb de hele dag al te bed gelegen." "Kijk eens, ik heb deze lekkere pannekoekjes meegebracht. Die zult u wel lusten. En hier zijn ook mooie bloemen. Die heb ik voor u in 't bos geplukt. Morgen komt moeder ook een poosje bij u." "Dank je wel hoor," zei de wolf. "Kom eens wat dichter bij me, kind; ik kan je haast niet meer zien." Roodkapje ging nu vlak voor 't bed staan, en boog zich wat voorover. "Hé, grootmoe," zei ze, "wat hebt u grote ogen!" "Ja, dat is, om er beter mee te zien." "En wat een grote neus!" sprak Roodkapje weer. "Ja, dat is, om er beter mee te ruiken." "En wat grote oren hebt u toch!" "Ja, dat is, om beter te kunnen horen." "Maar wat hebt u een haar op uw gezicht, en wat een grote mond!" "Ja," riep de wolf, "daar kan ik beter mee eten!" Nu vloog hij overeind, om Roodkapje te grijpen.
Maar wat was dat? Pief, paf, poef! daar werd een geweer afgeschoten. Dat deed de jager, die voor het venster stond. Hij had net gezien, dat de wolf Roodkapje wou grijpen. De kogels waren juist in de kop van de wolf gekomen. En nu lag hij dood in het bed. De jager kwam al in de kamer. “Waar is grootmoe?" vroeg hij. "Ik weet het niet," zei Roodkapje. "Ik dacht, dat grootmoe hier op ’t bed lag. Die lelijkerd heeft háár kleren aangetrokken." "Hier ben ik al!" klonk het opeens. En daar stond grootmoe in haar nachtkleren. Ze had horen schieten, en was nu weer uit het schuurtje gekomen. "Wat gelukkig," zei ze, "dat die lelijke wolf dood is. O, ik heb toch zo'n schrik gekregen!" Roodkapje moest nu alles vertellen. En toen zei grootmoe: "Pas maar op kindje, praat nooit weer met een wolf. En nu maar gauw naar moeder, want anders wordt die ongerust." Grootmoe at nog een paar pannekoekjes. Ze vond ze heel lekker. En de bloemen kwamen in een vaas op de tafel. Toen ging grootmoe gauw weer in 't bed. En de jager nam Roodkapje mee naar huis.
Er was eens een heel lief meisje. Ze heette Anna, maar alle mensen noemden haar Roodkapje. Want ze droeg altijd een rood mutsje. Dat had ze van haar grootmoe gekregen. Grootmoe hield zoveel van de lieve Anna. Ze was altijd heel blij, als Roodkapje een poosje bij haar kwam praten. Want ze woonde alleen in een huisje, heel ver het bos in.
Eens was grootmoe ziek. Ze moest de hele dag te bed liggen. En nu kon ze geen eten koken. Daarom zei moeder: “Roodkapje, ik heb pannekoekjes voor grootmoe gebakken. Die moest jij haar gauw even brengen, dan kan ze lekker smullen. Je moogt wel een uurtje bij grootmoe blijven. Maar dan moet je weer terug gaan. Je kunt nog weer thuis zijn, vóórdat het donker is. Zeg maar aan grootmoe, dat ik morgen zélf een poosje kom. En niet zeuren onderweg, maar flink oplopen, hoor!"
Roodkapje nam het mandje, en ging dadelijk op weg. Ze moest door een groot bos. Daar was het lekker fris. De zon kon niet door de bladeren schijnen. Tussen de bomen groeide veel mos. Op enkele plekjes stonden prachtige bloemen. En wat zongen de vogeltjes mooi! In het bos woonde een wolf. Die had de hele dag nog geen eten gehad. Hij lustte graag hazen en wilde konijnen. Maar nu kon hij er geen enkele vinden. Dat vond hij heel verdrietig. Zijn maag was leeg, en hij had een erge honger. Daar zag hij Roodkapje aankomen. “Hè," dacht hij, “dat meisje moest ik kunnen opeten! Wat zou dát een lekker hapje zijn." Maar hij durfde haar toch niet te grijpen. Want ze kon wel eens hard beginnen te schreeuwen. En dan zou de jager er misschien op af komen, en hem doodschieten.
Roodkapje was nu al vlak bij hem. Ze keek wel verwonderd, toen daar opeens een wolf bij haar stond. Maar ze was toch niet bang, want hij leek heel vriendelijk. ”Dag lief meisje," zei de wolf. “Waar moet je heen? En wat is daar in die mand?" “Daar heb ik pannekoekjes in," zei Roodkapje; “en die moet ik naar mijn grootmoe brengen." “En waar woont je grootmoe dan? Is dat hier nog ver vandaan?" “O ja, ik moet nog een heel eind lopen, Ik zie haar huisje nog niet. Maar 't is die kant uit." “Nu," zei de wolf, “dan weet ik een heel mooi plannetje. We zullen eens zien, wie het eerst bij grootmoe is. Jij loopt hier langs de grote weg, en ik ga langs dit smalle paadje." Dat vond Roodkapje wel leuk. Ze dacht, dat zij er wel het eerst zou zijn. Want ze wilde op een drafje lopen.
Eerst liep Roodkapje ook heel vlug. Maar na een poosje zag ze tussen de bomen toch zulke mooie bloemen staan! Ze kon niet laten, er even een paar van te plukken. En een eindje verder groeiden weer andere. Die zou grootmoe óók wel keurig vinden. Roodkapje wilde er een mooie ruiker van maken. Daar zag ze op een van de bloemen een erg vreemde vlinder. Wat had die prachtige kleuren op de vleugels. Die moest Roodkapje toch even vangen. Ze sloop er heel zachtjes heen en... flap! deed haar handje. Maar 't was mishoor. De vlinder fladderde al gauw weer naar een andere bloem. “Nog eens weer proberen," dacht Roodkapje. Maar neen, 't was al wéér mis; ze kon hem niet krijgen.
Nu, dan maar gauw naar grootmoe. Ze dacht er opeens weer aan, dat ze een afspraakje met de wolf had gemaakt. Die was haar nu stellig al een eind vóór gekomen. Maar als ze hard liep, kon zij het nog wel winnen.
Doch de wolf zat al lang in grootmoe's huisje. Hij was er met grote sprongen naar toe gedraafd. Het smalle paadje was veel korter dan de brede weg. Toen hij bij het huisje kwam, was de deur dicht. Hij klopte er tegen, en grootmoe riep: “Wie is daar?" De wolf maakte een mooi fijn stemmetje, net of hij een meisje was. En hij riep: “Hier is Roodkapje, grootmoe!" “O, ben jij het kind? Trek dan maar aan het touwtje hoor, dan gaat de deur wel open." De wolf trok aan het touwtje, en ja, daar kon hij maar zó in het huisje lopen! Hij deed de kamerdeur open, en ging naar het bed. O, wat kreeg die grootmoe een schrik! Ze sprong gauw uit haar bed, en liep op een draf naar het schuurtje. De deur deed ze op slot, zodat de wolf er niet in kon komen. Op een stoel voor het bed lagen nog kleren van grootmoe. De wolf trok de jurk aan, zette de muts op, en deed ook nog de bril op zijn neus. Hij keek eens in de spiegel, en zei: “Ziezo, nu lijk ik net op grootmoe." Hij kroop in het bed, en trok de dekens over zich heen. En nu wachtte hij maar.
Roodkapje liep op een drafje. Want ze dacht, dat zij er nog het eerst zou zijn. Toen ze bij grootmoe's huisje kwam, zag ze de wolf nog niet aankomen. “Ziezo," zei ze, “dat heb ik toch nog gewonnen." Ze klopte aan de deur, en de wolf riep van het bed: “Wie is daar?" “Hier is Roodkapje, grootmoe!" “Och, ben jij het, lief kind? Trek maar aan het touwtje hoor! Ik ben zo ziek, ik kan niet van het bed af komen." Roodkapje trok aan het touwtje, en stond al gauw in de kamer. "Hoe is het met u, grootmoe?" vroeg Roodkapje. “Och," zei de wolf, "ik ben erg ziek, kind. Ik heb de hele dag al te bed gelegen." "Kijk eens, ik heb deze lekkere pannekoekjes meegebracht. Die zult u wel lusten. En hier zijn ook mooie bloemen. Die heb ik voor u in 't bos geplukt. Morgen komt moeder ook een poosje bij u." "Dank je wel hoor," zei de wolf. "Kom eens wat dichter bij me, kind; ik kan je haast niet meer zien." Roodkapje ging nu vlak voor 't bed staan, en boog zich wat voorover. "Hé, grootmoe," zei ze, "wat hebt u grote ogen!" "Ja, dat is, om er beter mee te zien." "En wat een grote neus!" sprak Roodkapje weer. "Ja, dat is, om er beter mee te ruiken." "En wat grote oren hebt u toch!" "Ja, dat is, om beter te kunnen horen." "Maar wat hebt u een haar op uw gezicht, en wat een grote mond!" "Ja," riep de wolf, "daar kan ik beter mee eten!" Nu vloog hij overeind, om Roodkapje te grijpen.
Maar wat was dat? Pief, paf, poef! daar werd een geweer afgeschoten. Dat deed de jager, die voor het venster stond. Hij had net gezien, dat de wolf Roodkapje wou grijpen. De kogels waren juist in de kop van de wolf gekomen. En nu lag hij dood in het bed. De jager kwam al in de kamer. “Waar is grootmoe?" vroeg hij. "Ik weet het niet," zei Roodkapje. "Ik dacht, dat grootmoe hier op ’t bed lag. Die lelijkerd heeft háár kleren aangetrokken." "Hier ben ik al!" klonk het opeens. En daar stond grootmoe in haar nachtkleren. Ze had horen schieten, en was nu weer uit het schuurtje gekomen. "Wat gelukkig," zei ze, "dat die lelijke wolf dood is. O, ik heb toch zo'n schrik gekregen!" Roodkapje moest nu alles vertellen. En toen zei grootmoe: "Pas maar op kindje, praat nooit weer met een wolf. En nu maar gauw naar moeder, want anders wordt die ongerust." Grootmoe at nog een paar pannekoekjes. Ze vond ze heel lekker. En de bloemen kwamen in een vaas op de tafel. Toen ging grootmoe gauw weer in 't bed. En de jager nam Roodkapje mee naar huis.
Onderwerp
ATU 0333 - Little Red Riding Hood   
AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   
Beschrijving
Moeder waarschuwt om onderweg naar grootmoeder niet te treuzelen, maar als ze de wolf ontmoet, vertelt dat ze naar grootmoeder gaat, waar ze woont, en doet met de wolf wie het eerste bij grootmoeder is. Ze plukt in het bos bloemen, terwijl de wolf naar grootmoeders huis gaat. Hij klopt aan, doet de stem van Roodkapje na, mag binnenkomen, grootmoeder schrikt en sluit zich in een schuur op. De wolf verkleedt zich als grootmoeder en gaat in bed liggen. Roodkapje klopt aan, de wolf doet de stem van grootmoeder na, Roodkapje gaat naar binnne en verbaast zich over de ogen, oren, neus en mond van grootmoeder, waarna de wolf haar wil opeten. Een jager ziet het en schiet de wolf dood, grootmoeder komt terug. Grootmoeder vertelt Roodkapje nooit weer met een wolf te spreken.
Bron
B.J. Douwes. Sprookjesleesboek voor het tweede leerjaar. 3e, omgewerkte dr. Meppel: Ten Brink, [1934]
KB: KW XKR 4807
Collectie Roodkapje/Karsdorp
KB: KW XKR 4807
Collectie Roodkapje/Karsdorp
Motief
B211.2.4 - Speaking wolf.   
Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   
K1832 - Disguise by changing voice.   
Commentaar
Bevat Roodkapje; Hans en Grietje; Tafeltje, dek je; Sneeuwwitje; Vrouw Holle; Doornroosje; Klein Duimpje; Assepoester; De kikvors-prins; Het gouden gansje
Ills Jeanne Faure
Ills Jeanne Faure
Naam Overig in Tekst
Anna   
Roodkapje   
Datum Invoer
2019-05-15
