Hoofdtekst
Roodkapje is een meisje. Waarom ze zo heet? Wel, ze heeft altijd een rood kapje op. Roodkapje woont in een huis. Het staat aan de rand van het bos. Daar woont ze niet alleen. Haar moeder woont er ook.
Op een dag zegt mama: “Grootmoeder is ziek. Ga maar eens bij haar op bezoek. Ik geef je wat mee voor haar.” Ze pakt een mand. Ze haalt koekjes uit de oven. Die gaan in een zakje. Dat gaat weer in de mand. Moeder bakt nog een taartje. Dat kan er nog net bij. Een doek dekt alles af. Moeder pakt de mand op. Roodkapje pakt hem aan. Moeder zegt: “Loop door! Treuzel niet!” Het meisje vraagt: “Hoe laat moet ik thuis zijn ?” “Voor het donker is.” Roodkapje gaat naar de kast. Ze pakt haar kapje. Dat zet ze op. Moeder kijkt toe. Ze glimlacht. Roodkapje neemt de mand. O, wat is die zwaar! “Dag mams!” roept ze. “Dag kind!” De deur slaat dicht. Roodkapje loopt het bos in. “Wat fijn, dat ik naar oma mag,” denkt ze nog.
Hup! Hup! Hup! Zo gaat Roodkapje naar oma. Ze houdt de mand goed vast. “Die mag niet vallen,” had moeder gezegd. Dan huppelt Roodkapje niet meer. Ze stapt wel goed door. “Zou oma erg ziek zijn ?” denkt ze.
Ineens hoort ze wat. Daar beweegt iets. Een wolf! Hij springt het pad op. Roodkapje schrikt. De mand valt haast. De wolf lacht. Praten kan hij ook. “Waar ga je heen ?” “Naar mijn grootmoeder.” “Waarom ?” “Ze is ziek. Ik ga op bezoek. Zie je dit mandje ?” Roodkapje wijst op de mand. “Wat er in zit is voor haar.” De wolf vraagt dan weer: “Waar woont ze ?” “In een huisje.” “Wat voor kleur heeft het ?” Roodkapje denkt na. Dan zegt ze: “Wit! Ja, wit!” “Waar staat het ?” “Midden in het bos.” “Ik weet genoeg,” denkt de wolf. Hij lacht gemeen. Roodkapje loopt weer door. “Ik hoop, dat je oma snel beter is!” roept de wolf haar na.
Er is een bocht in het pad. Het meisje is weg. De wolf schiet de struiken in. O, wat holt hij! Hij heeft een boos plan. Wat later staat hij hijgend stil. Daar is een huisje. Het is wit ... Daar woont grootmoeder. De wolf moet er voor het meisje zijn. De wolf sluipt op het huis af. Hij klopt aan. “Wie is daar ?” vraagt grootmoeder. “Roodkapje.” De wolf doet haar stem na. Grootmoeder merkt niets. Ze roept: “Doe de klink maar omhoog. Kom binnen, kind.” De wolf springt naar binnen. Hij staat meteen naast het bed. Zijn bek gaat wijd open. Hij neemt een hap. Hij slikt... Weg is grootmoeder. De wolf wipt in haar bed. Eerst doet hij een nachtjapon aan. Hij zet ook een slaapmuts op. De wolf kruipt onder de dekens.
Klop! Klop! Klop! “Dat is Roodkapje,” denkt de wolf. Hij doet de stem van de oude vrouw na. “Wie is daar ?” “Ik ben het! Roodkapje !” De wolf zegt poeslief: “Doe de klink maar omhoog. Kom binnen, kind.” De deur gaat open. Het meisje zet de mand neer. “Kom eens hier, liefje,” zegt de wolf. Roodkapje loopt op het bed toe. Dan merkt ze op: “O, wat heeft u grote oren!” Even is het stil. De wolf denkt na. Wat moet hij zeggen? Ineens weet hij het en roept: “Daar kan ik je goed mee horen.” Hij doet erg zijn best om als grootmoeder te spreken. Roodkapje merkt nog meer op. “Wat heeft u grote ogen!” Weer is het stil. De wolf denkt weer na. Wat moet hij zeggen ? Even later weet hij het. “Met grote ogen kan ik je beter zien,” zegt hij. Het meisje zegt nog meer. “Oma, wat heeft u grote tanden!” Dan is het niet stil meer. De wolf denkt niet na. Hij brult: “Daar kan ik je fijn mee opeten!” Dan springt hij uit bed. De wolf wil het meisje pakken.
Roodkapje schrikt. Ze holt naar de deur. Weg is ze. Ze roept zo hard ze kan: “Help!” Ze rent het pad af. De wolf gaat achter haar aan. Hij denkt: “Vlug ! Vlug ! Dit hapje mag me niet ontgaan.” In het bos is iemand aan het werk. Het is een houthakker. Die is reuze sterk. Hij gaat achter de wolf aan. Hij slaat hem op zijn kop. De wolf valt neer. Roodkapje hijgt. Ze kan niet meer. Wat is ze blij. Ze is gered.
De houthakker kijkt naar de wolf. Hee, wat raar! Zijn buik beweegt. Meteen snijdt hij de wolf open. Daar komt grootmoe te voorschijn. Ze mankeert gelukkig niets. Ze is alleen erg van streek. De houthakker tilt haar op. Hij draagt haar op zijn rug naar huis. Even later ligt ze weer in bed.
De mand staat nog bij de deur. Roodkapje pakt hem. Ze geeft de mand aan oma. De houthakker schuift een stoel bij. Oma tilt de doek op. Dan ziet ze wat er in de mand zit. Ze deelt meteen uit. O, wat smullen ze!
Tegen de houthakker zegt oma: “Heel, heel erg bedankt!” “Ach, het was niets,” zegt de sterke houthakker. Grootmoeder geeft Roodkapje een kus. De houthakker neemt haar bij de hand. Ze gaan samen door het bos. Hij brengt Roodkapje weg. Zo is ze nog net voor donker thuis.
Op een dag zegt mama: “Grootmoeder is ziek. Ga maar eens bij haar op bezoek. Ik geef je wat mee voor haar.” Ze pakt een mand. Ze haalt koekjes uit de oven. Die gaan in een zakje. Dat gaat weer in de mand. Moeder bakt nog een taartje. Dat kan er nog net bij. Een doek dekt alles af. Moeder pakt de mand op. Roodkapje pakt hem aan. Moeder zegt: “Loop door! Treuzel niet!” Het meisje vraagt: “Hoe laat moet ik thuis zijn ?” “Voor het donker is.” Roodkapje gaat naar de kast. Ze pakt haar kapje. Dat zet ze op. Moeder kijkt toe. Ze glimlacht. Roodkapje neemt de mand. O, wat is die zwaar! “Dag mams!” roept ze. “Dag kind!” De deur slaat dicht. Roodkapje loopt het bos in. “Wat fijn, dat ik naar oma mag,” denkt ze nog.
Hup! Hup! Hup! Zo gaat Roodkapje naar oma. Ze houdt de mand goed vast. “Die mag niet vallen,” had moeder gezegd. Dan huppelt Roodkapje niet meer. Ze stapt wel goed door. “Zou oma erg ziek zijn ?” denkt ze.
Ineens hoort ze wat. Daar beweegt iets. Een wolf! Hij springt het pad op. Roodkapje schrikt. De mand valt haast. De wolf lacht. Praten kan hij ook. “Waar ga je heen ?” “Naar mijn grootmoeder.” “Waarom ?” “Ze is ziek. Ik ga op bezoek. Zie je dit mandje ?” Roodkapje wijst op de mand. “Wat er in zit is voor haar.” De wolf vraagt dan weer: “Waar woont ze ?” “In een huisje.” “Wat voor kleur heeft het ?” Roodkapje denkt na. Dan zegt ze: “Wit! Ja, wit!” “Waar staat het ?” “Midden in het bos.” “Ik weet genoeg,” denkt de wolf. Hij lacht gemeen. Roodkapje loopt weer door. “Ik hoop, dat je oma snel beter is!” roept de wolf haar na.
Er is een bocht in het pad. Het meisje is weg. De wolf schiet de struiken in. O, wat holt hij! Hij heeft een boos plan. Wat later staat hij hijgend stil. Daar is een huisje. Het is wit ... Daar woont grootmoeder. De wolf moet er voor het meisje zijn. De wolf sluipt op het huis af. Hij klopt aan. “Wie is daar ?” vraagt grootmoeder. “Roodkapje.” De wolf doet haar stem na. Grootmoeder merkt niets. Ze roept: “Doe de klink maar omhoog. Kom binnen, kind.” De wolf springt naar binnen. Hij staat meteen naast het bed. Zijn bek gaat wijd open. Hij neemt een hap. Hij slikt... Weg is grootmoeder. De wolf wipt in haar bed. Eerst doet hij een nachtjapon aan. Hij zet ook een slaapmuts op. De wolf kruipt onder de dekens.
Klop! Klop! Klop! “Dat is Roodkapje,” denkt de wolf. Hij doet de stem van de oude vrouw na. “Wie is daar ?” “Ik ben het! Roodkapje !” De wolf zegt poeslief: “Doe de klink maar omhoog. Kom binnen, kind.” De deur gaat open. Het meisje zet de mand neer. “Kom eens hier, liefje,” zegt de wolf. Roodkapje loopt op het bed toe. Dan merkt ze op: “O, wat heeft u grote oren!” Even is het stil. De wolf denkt na. Wat moet hij zeggen? Ineens weet hij het en roept: “Daar kan ik je goed mee horen.” Hij doet erg zijn best om als grootmoeder te spreken. Roodkapje merkt nog meer op. “Wat heeft u grote ogen!” Weer is het stil. De wolf denkt weer na. Wat moet hij zeggen ? Even later weet hij het. “Met grote ogen kan ik je beter zien,” zegt hij. Het meisje zegt nog meer. “Oma, wat heeft u grote tanden!” Dan is het niet stil meer. De wolf denkt niet na. Hij brult: “Daar kan ik je fijn mee opeten!” Dan springt hij uit bed. De wolf wil het meisje pakken.
Roodkapje schrikt. Ze holt naar de deur. Weg is ze. Ze roept zo hard ze kan: “Help!” Ze rent het pad af. De wolf gaat achter haar aan. Hij denkt: “Vlug ! Vlug ! Dit hapje mag me niet ontgaan.” In het bos is iemand aan het werk. Het is een houthakker. Die is reuze sterk. Hij gaat achter de wolf aan. Hij slaat hem op zijn kop. De wolf valt neer. Roodkapje hijgt. Ze kan niet meer. Wat is ze blij. Ze is gered.
De houthakker kijkt naar de wolf. Hee, wat raar! Zijn buik beweegt. Meteen snijdt hij de wolf open. Daar komt grootmoe te voorschijn. Ze mankeert gelukkig niets. Ze is alleen erg van streek. De houthakker tilt haar op. Hij draagt haar op zijn rug naar huis. Even later ligt ze weer in bed.
De mand staat nog bij de deur. Roodkapje pakt hem. Ze geeft de mand aan oma. De houthakker schuift een stoel bij. Oma tilt de doek op. Dan ziet ze wat er in de mand zit. Ze deelt meteen uit. O, wat smullen ze!
Tegen de houthakker zegt oma: “Heel, heel erg bedankt!” “Ach, het was niets,” zegt de sterke houthakker. Grootmoeder geeft Roodkapje een kus. De houthakker neemt haar bij de hand. Ze gaan samen door het bos. Hij brengt Roodkapje weg. Zo is ze nog net voor donker thuis.
Onderwerp
ATU 0333 - Little Red Riding Hood   
AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   
Beschrijving
Moeder waarschuwt Roodkapje om onderweg naar grootmoeder niet te treuzelen. In het bos komt ze de wolf tegen, vertelt dat ze naar grootmoeder gaat en waar ze woont. De wolf neemt een kortere weg naar grootmoeders huis, klopt aan, doet de stem van Roodkapje na, kan binnenkomen, eet grootmoeder op, verkleedt zich als grootmoeder en gaat in bed liggen. Als Roodkapje aanklopt doet de wolf de stem van grootmoeder na, Roodkapje verbaast zich over de ogen, oren en tanden van grootmoeder, waarna de wolf haar wil opeten. Roodkapje kan vluchten, krijgt hulp van een houthakker die de wolf doodslaat en hem opensnijdt, waarna grootmoeder tevoorschijn komt. De houthakker brengt Roodkapje naar huis.
Bron
Richard McClure Scarry. Leukste sprookjes. Aartselaar [etc.]: Zuidnederlandse Uitgeverij [etc.], [1981]
KB: FA 1981 26
Collectie Roodkapje/Karsdorp
KB: FA 1981 26
Collectie Roodkapje/Karsdorp
Motief
B211.2.4 - Speaking wolf.   
J21.5 - ”Do not leave the highway“:   
Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   
Naam Overig in Tekst
Roodkapje   
Datum Invoer
2019-06-05
