Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ROODKAPJE316 - Roodkapje

Een sprookje (boek), 1974

Hoofdtekst

ROODKAPJE
naar Charles Perrault
Alle mooie sprookjes beginnen met "Er was eens...". Dus er was eens een meisje dat in een klein dorpje woonde ergens op het platteland. Het was een erg aardig meisje en iedereen zei van haar: "Haar wangen zijn zo rood als appels" of "Ze heeft ogen zo mooi als de dag zelf". Zij was niet alleen erg leuk om te zien, maar ook ijverig, geduldig en moedig en stond altijd klaar om haar ouders of de buren ergens mee te helpen. Iedereen hield van haar en bovenal haar moeder en haar grootmoeder. Grootmoeder zag haar kleinkind echter niet zo vaak omdat zij ver weg woonde. Maar dat zullen we later nog wel uitleggen. Op een dag kreeg dit meisje van haar moeder een rode cape die zij voortaan altijd droeg: naar school, naar de kerk en als zij boodschappen ging doen. Zo kwam zij aan haar bijnaam Roodkapje.
- Dag, Roodkapje!
- Waar ga je naartoe, Roodkapje?
En het meisje antwoordde dan alsof Roodkapje inderdaad haar echte naam was.
Op een dag had haar moeder heerlijke koekjes gebakken.
- Roodkapje, zei ze tegen haar dochtertje, zou jij wat koekjes naar grootmoeder willen brengen? Ik heb gehoord dat zij al een paar dagen ziek in bed ligt en zich niet lekker voelt. Ik zal je een mandje meegeven, vol met lekkers, dat zal grootmoeder vast fijn vinden.
- Ja, moeder, antwoordde Roodkapje, ik ga meteen.
We hebben al gezegd dat het een behoorlijk eind lopen was naar het huisje van grootmoeder en een deel van de weg leidde door een bos. Dat was het minst leuke deel van de tocht en Roodkapje voelde zich nooit erg op haar gemak onder de donkere bomen van dat bos. Maar als haar moeder zei dat ze naar grootmoeder moest gaan, gehoorzaamde Roodkapje.
Die dag was het mooi weer en Roodkapje maakte een kleine omweg door het bos en bewonderde de vlinders die op levende bloemen leken. Verderop in het bos hoorde zij houthakkers bezig en dat stelde haar gerust. Plotseling bij een bocht van het pad stond zij oog in oog met de wolf.
- Dag meisje, zei hij. Waar ga jij in je eentje naartoe?
- Ik ben op weg naar grootmoeder, zei Roodkapje, die niet wist dat de wolf een boos dier was en dat je hem nimmer kunt vertrouwen.
- En woont je grootmoeder ver weg?
- Ja, meneer de wolf. Ze woont in een wit huisje aan de andere kant van het bos. Het is het eerste huis van het dorpje, niet ver van de molen.
- En wat ga je doen bij je grootmoeder?
- Ik ga haar een mandje vol met lekkere dingen brengen. Dat zal ze vast wel fijn vinden. Ze is een beetje ziek en ligt in bed.
- Dat zal ze zeker fijn vinden, zei de wolf. Luister, ik ga met je mee want ik wil je grootmoeder weleens leren kennen. Ik zou haar misschien wel met een en ander kunnen helpen. Wat vind je daarvan?
- Ik weet het niet, antwoordde Roodkapje. Maar ze zal zeker wel kennis met u willen maken.
- Ik heb een plannetje, zei de wolf. Ik neem de linker weg en jij neemt de rechter en dan zien we wie er het eerst is. Goed?
- Goed, zei het meisje.
Maar de gemene wolf zei er niet bij dat zijn weg veel korter was en dat het pad dat Roodkapje nam, veel langer en moeilijker was.
Daar kwam nog bij dat Roodkapje zich helemaal niet haastte. Ze rende vlinders achterna en gunde zich alle tijd om bloemen te plukken en zo kwam het dat de wolf verreweg als eerste bij het witte huis je van grootmoeder bij de molen aankwam.
De gemene wolf had zijn plan al gereed terwijl Roodkapje de wolf met al die haren allang vergeten was.
Als jij ook eens zoiets in het bos meemaakt, pas dan altijd goed op en ga niet op mooie praatjes in zoals Roodkapje. Daar zouden weleens onaangename dingen uit kunnen voortkomen.
Ik heb nog vergeten te zeggen dat Roodkapje nog een ander ontmoeting in het bos had. Tijdens de wandeling naar het witte huisje van haar grootmoeder, kwam Roodkapje een man tegen die achter een boom op de loer lag. Ze schrok even, maar was meteen gerustgesteld toen de man tegen haar begon te spreken.
- Wees maar niet bang, meisje. Ik ben een jager en het verbaast me een beetje dat je zo helemaal alleen in het bos loopt. Ben je niet bang? Waar ga je naartoe?
- Ik ben op weg naar mijn grootmoeder, antwoordde Roodkapje.
- Waar woont zij?
- In het dorpje buiten het bos bij de molen. Het is het eerste, witte huisje.
- Ben je niet bang alleen in het bos?
- Een beetje, gaf Roodkapje toe. Maar er waren houthakkers in het bos bezig en dat stelde me gerust. Ik heb ook een wolf ontmoet die erg lelijk was maar die me vriendelijk heeft toegesproken...
- Zo, zo en hoe zag hij eruit?
- Groot en donker met heldere ogen en blinkende tanden...
- Zo, zo ... Dat zou weleens het dier kunnen zijn dat ik al zo lang zoek en dat steeds weer weet te ontsnappen, zei de jager meer tegen zichzelf dan tegen Roodkapje. Toen vroeg hij aan het meisje:
- Heb je tegen hem gezegd waar je naartoe ging? - Jazeker, want hij vroeg ernaar.
- Dat zou je nog weleens duur te staan kunnen komen, meisje. Maar nu ben je veilig. Ga maar gerust naar je grootmoeder toe en doe haar mijn groeten.
- Dank u wel, meneer.
Roodkapje liep door en kwam even later aan bij het witte huisje van grootmoeder.
Ik zal nooit meer zoveel tijd onderweg verliezen, dacht zij bij zichzelf. Ik heb bloemen geplukt, ik heb achter vlinders aangezeten en ik heb horen gegeten. Nu ben ik veel te laat. Dat zal me niet weer overkomen!
De wolf was natuurlijk al veel eerder bij het huisje van grootmoeder aangekomen. De molen stond stil en de molenaar zou wel een dutje doen. Ook waren er geen bewoners van het dorp te zien want die werkten op de akkers verderop. Ook de oude visser die altijd zat te vissen in de kolk bij de molen, was niet te zien. Waarschijnlijk lag hij ergens in het riet te slapen.
Maar het ging de wolf niet om de molenaar of de oude visser. O nee, hij had heel andere plannen ...
Alsof er niets aan de hand was, liep de wolf kalm om het huis heen. De wolf had al meteen gezien dat de voordeur van grootmoeders huis je op slot zat, dat alle ramen dicht waren en dat ook de gordijnen gesloten waren. Het leek wel alsof er niemand thuis was. De wolf liet zich echter niet van de wijs brengen ...
Want grootmoeder was inderdaad thuis, wist de wolf.
Ze lag in bed of zat in een luie stoel. Ze wachtte op haar kleindochtertje die haar een bezoek kwam brengen en die haar nieuws van het andere dorp kwam vertellen.
Inderdaad, binnenshuis wachtte grootmoeder ongeduldig op de komst van Roodkapje.
- Ze zal nu wel direkt komen, zei het oudje bij zichzelf. Ik zal blij zijn als ze er is.
Maar op dat moment sloop er iemand anders rond haar witte huisje en nadat de boze wolf had gezien dat ook de achterdeur op slot zat, besloot hij een list toe te passen.
- We zullen eens zien wie er het slimst is, beste grootmoeder, zei hij tegen zichzelf. Hij drukte zijn hoed tot over zijn ogen, sloeg zijn kraag op en klopte aan de deur. Klop, klop, tweemaal, klop, klop … driemaal, maar niemand gaf antwoord.
- Zou ze dan toch niet thuis zijn, dacht de wolf. Dat zou wel jammer zijn. Hij probeerde het nog eens en klopte nu erg hard zodat de deur trilde onder de slagen.
- Klop, klop, klop …
- Wie is daar? zei een oude en vermoeide stem. Wie is daar? Ben jij het meisje?
- Ja, ik ben het, grootmoeder, zei de wolf en hij deed de stem van Roodkapje na.
- Aha, jij bent het! klonk het van binnen. Gelukkig maar!
- Moeder heeft me heerlijke koekjes voor u meegegeven en verse boter, en nog véél meer lekkere dingen, een mand vol. Daar houdt u toch zo van? Doe open, grootmoeder!
- Ja, mijn lieve kind, zei grootmoeder. Maar ik kan mijn bed niet uit. Trek maar aan het pinnetje, dan gaat de klink omhoog.
Je moet weten dat vroeger op het platteland de meeste deuren geen goede sloten hadden zoals nu het geval is. Vaak kon met een pinnetje of met een koord de klink aan de binnenkant van de deur worden gelicht.
- Trek aan het pinnetje, dan gaat de klink omhoog.
Dat liet de boze wolf zich geen tweemaal zeggen. In minder dan de tijd om het op te schrijven, had hij aan het pinnetje getrokken en de deur opengeduwd. Hupzakee, daar was hij binnen. En eenmaal binnen deed hij vlug de deur achter zich dicht. Hij was helemaal alleen met de oude vrouw en hij had geen mandje met koekjes en verse boter bij zich! Het is niet eenvoudig je uit te leggen wat er precies gebeurde, maar in elk geval begroette grootmoeder de wolf vriendelijk omdat zij dacht dat het Roodkapje was.
- Neem me niet kwalijk dat ik in bed blijf, Roodkapje, zei grootmoeder. Ik voel me nog een beetje ziek. Maar over een dag of twee ben ik weer beter.
- Ja, grootmoeder, zei de wolf terwijl hij naar het bed liep.
- Leg de koekjes maar op de kast en zet de boter koel in de kelder.
- Ja, grootmoeder.
Natuurlijk deed de wolf helemaal niet wat grootmoeder vroeg. In plaats daarvan likte hij zijn lippen en klakte smakkend met zijn lange, rode tong. Hij was vel over been en had al dagen geen voedsel kunnen vinden. Zijn maag rammelde van de honger. Hij had konijnen in het bos achterna gezeten, maar die waren sneller dan hij. Ook had hij geprobeerd eekhoorns te vangen, maar die vluchtten naar de toppen van de bomen waar hij niet bij kon komen.
En het andere wild zoals muizen en mollen lachten hem in hun holletjes uit.
Hij kreeg steeds meer honger en toen hij van Roodkapje hoorde dat zij op weg was naar haar zieke grootmoeder had hij snel zijn keus gemaakt. Roodkapje was voor hem maar een klein hapje. Bovendien was hij bang dat haar geschreeuw de houthakkers zou waarschuwen. Hij bekeek grootmoeder aandachtig en tevreden. Dat was tenminste een behoorlijke hap!
- Kom eens wat dichterbij, Roodkapje, zodat ik je lieve gezichtje en je mooie krullen kan zien.
De wolf gehoorzaamde meteen.
- Daar ben ik al, grootmoeder, zei hij en deed geen moeite meer de stem van het kind te imiteren.
En omdat hij een afschuwelijke honger had, zo hongerig als een wolf zei men vroeger, opende hij zijn muil zo wijd hij kon en verslond grootmoeder in één, geweldige hap. Het ging allemaal zo snel in zijn werk dat grootmoeder niet wist wat haar overkwam.
- Dat is tenminste gelukt, dacht de wolf. Nu dat meisje nog opeten, want ik heb nog meer trek. Ik moet voortmaken, want zij kan nu elk ogenblik aankomen. Aha, ik heb een goed idee, ik ga zolang in grootmoeders bed liggen. Dan kan ik wat uitrusten en mijn voedsel verteren dat toch wel een beetje zwaar op de maag ligt.
De wolf ging in het bed liggen. Hij kroop onder de dekens en probeerde zijn lange lijf zo klein mogelijk te doen lijken. Hij lag juist even te sluimeren toen hij op de deur hoorde kloppen.
- Klop, klop … klop, klop ...
Het was Roodkapje die eindelijk bij het huisje van grootmoeder was aangekomen. Dat is ze, dacht de wolf. Ik moet er voor zorgen dat ze niets in de gaten krijgt. Als ze eenmaal binnen is, gaat alles vanzelf. Hij probeerde zijn stem zo zacht mogelijk te laten klinken, maar dat lukte hem natuurlijk niet. Hij riep:
- Wie is daar? Wie klopt er aan de deur?
Roodkapje gaf niet meteen antwoord. Die vreemde stem die zij niet kende, maakte haar bang. Ze dacht na en besefte toen dat haar grootmoeder ziek was en dat daardoor haar stem misschien wat heser klonk dan anders. Ze nam zich meteen voor om straks wat bouillon voor grootmoeder te maken.
Roodkapje antwoordde:
- Ik ben het, grootmoeder. Ik ben het, Roodkapje, en ik heb een mand vol met lekkere dingen voor U meegenomen.
Onder de dekens lag de boze wolf te giechelen van de pret.
- Stel je voor dat ze eens wist dat ik hier lag, dacht hij. Als ze maar binnenkomt. Ik moet mijn stem nog zachter laten klinken. Hij deed grootmoeders stem zo goed mogelijk na en riep:
- Trek aan het pinnetje, dan gaat de klink omhoog.
- Wat vreemd, dacht Roodkapje voor de deur. Ik herken grootmoeders stem helemaal niet.
Ze aarzelde maar trok dan toch aan het pinnetje. De deur was open en Roodkapje ging naar binnen. Het was donker in de slaapkamer want de gordijnen waren gesloten en de wolf was zo verstandig geweest ze niet te openen. Het rook erg vreemd in huis maar het meisje meende dat dit kwam door de medicijnen. Hoe had Roodkapje ook kunnen vermoeden dat een enorme wolf de plaats van haar grootmoeder had ingenomen ? De wolf lag nog altijd in bed onder de dekens en hoestte af en toe alsof er echt een zieke in bed lag. Hij moest zich vreselijk beheersen want het liefst was hij uit bed gesprongen om het meisje in één hap te verslinden. Dat zou niet verstandig zijn geweest want het meisje zou misschien gaan gillen of weten te vluchten zodat zijn plan, wat tot dusverre nog steeds goed was verlopen, in duigen zou vallen.
- Roodkapje, zei hij, en de wolf deed zijn best dezelfde woorden als grootmoeder te gebruiken, neem me niet kwalijk dat ik in bed blijf. Ik voel me nog ziek maar over twee dagen ben ik weer beter.
- Dat hoop ik van harte, zei Roodkapje die vond dat haar grootmoeder een erg onaangename stem had gekregen door haar ziekte.
- Leg de koekjes maar op de kast en zet de boter koel in de kelder. Kom daarna naast me liggen. Ik wil graag de nieuwtjes uit jullie dorp weten. Kom, haast je, ik lig al ongeduldig op je te wachten. Wat ben je laat.
Het meisje deed wat haar gevraagd werd. Ze kleedde zich uit en legde haar kleren netjes over de leuning van de stoel. Daarna gleed Roodkapje onder de dekens. Het meisje was eigenlijk veel liever niet onder de dekens gaan liggen, maar blijven staan om grootmoeder het nieuws te vertellen. Maar ze durfde haar zieke grootmoeder niet tegen te spreken, en trouwens, ze was toch wel moe geworden van de lange wandeling.
Roodkapje merkte echter meteen dat haar grootmoeder wel erg veranderd was. Zij herkende haar nauwelijks.
Maar wellicht kwam het omdat het zo donker was in de kamer. Roodkapje werd nieuwsgierig en kon niet nalaten haar grootmoeder enkele vragen te stellen:
- Grootmoeder, wat hebt u een lange benen! Ik heb nooit eerder gemerkt dat ze zo lang waren. Waarom zijn ze zo lang?
De wolf wist niet wat hij moest antwoorden, maar het meisje hield aan en daarom zei hij:
- Dat is om harder te kunnen lopen, mijn kind.
Roodkapje wilde eerst zeggen dat grootmoeders meestal niet hard lopen, maar ze wou eerst toch nog een paar andere vragen stellen:
- Grootmoeder, wat is er met uw armen? Wat hebt u een lange armen!
De wolf had inderdaad de grootste moeite zijn lange poten onder de dekens zo klein mogelijk te laten lijken. Hij probeerde ze te verstoppen, maar ze bleven in de weg zitten. Als Roodkapje nu eens de dekens had opgelicht, zou ze erg verbaasd zijn geweest de wolf te zien in plaats van haar goede grootmoeder. Wat zou ze van angst gegild hebben!
- Grootmoeder, wat hebt u een lange armen. Wat doet u met die lange armen? herhaalde ze.
De wolf wist alleen maar te zeggen:
- Dat is om je beter te kunnen omhelzen, mijn kind.
Roodkapje was tevreden met dit antwoord omdat zij wist dat grootmoeder veel van haar hield.
Maar Roodkapje merkte nu ook dat er iets met grootmoeders oren aan de hand was. Vroeger had grootmoeder toch niet zulke grote oren? Zou dat ook van het ziek zijn komen? Lieve hemel, wat was grootmoeder veranderd! Roodkapje herkende haar nauwelijks meer. En wat was het toch donker in de slaapkamer met de gordijnen dicht.
- Grootmoeder, het lijkt wel alsof uw oren groter zijn geworden! Grootmoeder wat hebt u een grote oren. Waarom zijn uw oren zo groot?
Deze vraag bracht de wolf in moeilijkheden. Evenals bij de vorige vragen, voelde hij zich beslist niet op zijn gemak. Uit voorzorg had hij nog wel een slaapmuts op zijn kop gezet. Hij probeerde onder de slaapmuts zijn oren zo klein mogelijk te laten lijken, maar het meisje bleef vragen:
- Waarom hebt u zulke grote oren?
Hij voelde de woede in zich opkomen, maar het was nog geen tijd om tot aktie over te gaan. Daarom zei de wolf met zijn zachtste en liefste stem:
- Dat is om je beter te kunnen horen, mijn kind.
- Zij heeft gelijk, dacht Roodkapje. Wat ben ik toch een dwaas om zieke grootmoeder met al mijn vragen lastig te vallen. Het spreekt immers vanzelf dat grote oren dienen om beter te kunnen horen? Ik zou beter een tukje kunnen gaan doen om wat bij te komen van de vermoeiende wandeling. Ik moet haar lange benen en armen en haar grote oren maar vergeten.
Roodkapje wilde juist haar ogen sluiten om wat te gaan slapen, toen ze zag hoe grootmoeder naast haar de ogen opende. Ze kon een kreet van verrassing nauwelijks onderdrukken. De wolf had zijn ogen natuurlijk meteen weer gesloten, maar Roodkapje had gezien hoe groot ze waren. Was dit haar grootmoeder wel bij wie zij in bed lag? Was dit werkelijk grootmoeder die anders zo zacht sprak en haar zo vriendelijk aankeek?
- Grootmoeder, wat hebt u een grote ogen. Waarom hebt u zulke grote ogen? vroeg Roodkapje verschrikt.
Opnieuw was de boze wolf in verlegenheid gebracht. Wat was dat kleine meisje toch nieuwsgierig. Ze stelde haar grootmoeder steeds maar vragen over haar benen, armen, oren en ogen! Ze verdiende straf en de wolf wist al waaruit die straf straks zou bestaan. Maar voor het ogenblik vulde grootmoeder zijn hele maag en daarom moest hij wel stil blijven liggen. Maar na een tijdje zou grootmoeder verteerd zijn en dan was er plaats voor Roodkapje die hij met één hap naar binnen zou werken. Nog een beetje geduld!
- Grootmoeder, wat hebt u een grote ogen. Ze zijn nog nooit zo rond en helder geweest. Waarom, grootmoeder, waarom? herhaalde Roodkapje.
Tenslotte wist de wolf een antwoord en het klonk beheerst en gewoon:
- Dat is om je beter te kunnen zien, mijn kind. Dat is om beter je lieve gezichtje, je blonde krullen, je mooie jurkje en je rode cape te kunnen bewonderen. Dat is om je beter te kunnen gadeslaan, mijn kind. Kom, rust een beetje. Je maakt me moe ... We kunnen beter een uurtje gaan slapen. Ik zal het voorbeeld geven. Draai je nu om en welterusten! Ja, grootmoeder. Welterusten.
- Mooi zo, het is gelukt, zei de wolf tegen zichzelf. Nu laat ze me misschien een beetje met rust met die dwaze vragen. En als ze straks slaapt, weet ik wel wat me te doen staat!
En de boze wolf grinnikte binnensmonds als hij dacht aan het lekkere hapje dat hem straks wachtte. Maar terwijl hij zo grinnikte, had hij zonder het te willen zijn lip opgetrokken en waren zijn tanden te zien. Roodkapje had de tanden gezien en kon een kreet van angst nauwelijks onderdrukken. Ze had nog nooit gemerkt dat haar grootmoeder van die lange tanden had! Het had natuurlijk niets te betekenen als iemand van die lange tanden had, maar deze waren wel erg wit en scherp als een mes. Wat had dat te betekenen?
Grootmoeder had lange benen, lange armen, lange oren en grote tanden! Wat was die grootmoeder veranderd! Roodkapje kreeg tranen in haar ogen. Arme grootmoeder, die door haar ziekte zo veranderd was. Ze wilde haar grootmoeder graag troosten.
- Grootmoeder, wat hebt u een grote tanden! Waarom hebt u van die grote tanden?
Maar nu kon de boze wolf zich niet langer beheersen.
- Nu is het genoeg, riep hij uit terwijl hij de dekens van zich afwierp. Ik heb grote tanden om jou beter te kunnen verslinden!
Hij voegde meteen de daad bij het woord en sprong op het meisje af dat hem, verstijfd van angst, aanstaarde. Natuurlijk denk je dat Roodkapje het lot van haar grootmoeder zou delen, dat de boze wolf haar in één hap zou verslinden ... Maar dat gebeurde niet. Op het moment dat de wolf wilde toehappen, werd er op de deur geklopt.
- Klop, klop, klop ... Doe open, monster, doe open. Ik weet dat je hier binnen bent. Ik heb je spoor tot hier gevolgd en je zult wel weer een of andere misdaad hebben gepleegd zoals je gewoonte is. Maar dit keer zul je voor je zonden boeten ... Klop, klop, klop ... Aha je wilt niet open doen? Wacht maar eens even!
- Help! help! riep Roodkapje in doodsangst.
- Help, hij wil me opeten!
Plotseling werd één van de ramen ingeslagen en de gordijnen werden opzij gerukt.
De jager, die Roodkapje in het bos had ontmoet, klom met een enorm mes in de hand naar binnen terwijl hij schreeuwde:
- Kalm maar, meisje. Ik kom je redden. Die bandiet zal boeten voor zijn misdaden!
De wolf wilde zich op de jager storten, maar deze week geen pas achteruit. Met één haal van zijn grote mes, sneed hij de buik van het beest open en de wolf viel dood op de vloer. Het ondier had zelfs geen gebruik van zijn scherpe tanden kunnen maken. Dat is het lot van alle misdadigers. Wat was Roodkapje verbaasd toen zij uit de buik van de wolf haar eigen grootmoeder zag komen die een beetje met haar ogen tegen het daglicht stond te knipperen!
- Ik dank u wel, zei grootmoeder tegen de jager. Foei, wat had ik het benauwd! U hebt Roodkapje en mij het leven gered. Dat zal ik nimmer vergeten!
En nadat Roodkapje van de schrik bekomen was, vloog zij op de jager af en omhelsde hem om hem zo te bedanken voor wat hij gedaan had. Daarna kookte zij een heerlijk maal dat ze gedrieën smakelijk opaten. Enkele dagen later was grootmoeder weer helemaal beter.

Onderwerp

ATU 0333 - Little Red Riding Hood    ATU 0333 - Little Red Riding Hood   

AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)    AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   

Beschrijving

Onderweg naar grootmoeder komt Roodkapje in het bos de wolf tegen, vertelt dat ze naar grootmoeder gaat en waar ze woont, en laat zich door de wolf een langere weg wijzen. Roodkapje vertelt een jager dat ze een wolf heeft ontmoet. De wolf is als eerste bij grootmoeders huis, klopt aan, doet de stem van Roodkapje na, kan binnenkomen, eet grootmoeder op, verkleedt zich als grootmoeder en gaat in bed liggen. Als Roodkapje aanklopt doet de wolf de stem van grootmoeder na. Roodkapje komt in bed liggen, verbaast zich over de benen, armen ogen, oren en tanden van grootmoeder, waarna de wolf haar wil opeten. Op dat moment klopt een jager aan die zijn spoor is gevolgd, komt naar binnen en kan de buik van de wolf opensnijden en kan grootmoeder uit de buik komen.

Bron

Sprookjes van Perrault en Grimm. [Chevron]: Hemma, [1974]
KW BJ 53081
Collectie Roodkapje/Karsdorp

Motief

B211.2.4 - Speaking wolf.    B211.2.4 - Speaking wolf.   

J21.5 - ”Do not leave the highway“:    J21.5 - ”Do not leave the highway“:   

Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.    Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   

Naam Overig in Tekst

Roodkapje    Roodkapje   

Datum Invoer

2019-06-05