Hoofdtekst
In vroeger dagen wemelde de Dollard van de meerminnen. Het was niet zoo dat er eens een enkele keer eentje verscheen, nee, de Dollard was er vol van. Ze speelden er op de zandbanken en dartelden in de golven dat het een lieve lust was. En maar schippers lokken hè.
Nu hadden die meerminnen lang niet altijd succes met haar gelok. De schippers kenden haar streken. Maar een enkele keer gebeurde het toch dat een zeeman er in liep. En het met de dood bekocht meestal.
Zoo was er eens een visscher op de Dollard aan het visschen. Hij was goed geluimd want hij had een goede vangst gehad. De bun zat vol met haring en bot en schol.
't Was afloopend tij en de banken kwamen bloot te liggen. En toen die visscher daar zoo aan het roer stond, een deuntje te fluiten, zie, daar viel zijn oog op een troep meerminnen die zich in het droge warme zand lagen te koesteren.
Begeerte brandde in hem op. Ha! als hij er eens eentje kon vangen. Als het hem een gelukte er een te bemachtigen.
Maar hoe moest hij het aanleggen? Ze waren immers veel te schuw. Wanneer ze merkten dat hij het op haar gemunt had zouden ze zich zoo gelijk in de blauwe golven laten glijden en dan het hij nog niets.
Maar zijn maat, die op de voorplecht zat, touw te splitsen, zei dat hij er ook niet heen moest varen maar er naar toe moest loopen. Jazeker, het was afloopend tij, er was geen gevaar bij. Hij kon gerust buiten boord stappen en naar de zandbank loopen. Door het water moest hij maar waden. Het zou hem niet hooger komen dan tot het middel.
Maar er kwam nog iets bij.
Wat dan? vroeg de schipper nieuwsgierig.
Hij kon het niet helpen maar een heet verlangen steeg in hem op. De meerminnen lagen daar zoo verleidelijk in het zand.
Het was heel eenvoudig. Hij had alleen maar wat te roepen.
Wat dat dan wel was? vroeg de visscher.
Stap naar buiten boord en loop naar de bank.
Goed, maar dan?
Dan roep je maar voortdurend : "domme man!"
De schipper keek een beetje verbouwereerd.
Maar zijn maat hield vol. Zoo moest het. Wanneer hij die woorden riep en steeds herhaalde zou hij zonder ongelukken bij de zandbank kunnen komen en de schoonste meermin zou zijn belooning zijn.
Is 't echt waar?
Echt!
En de visscher, het verlangen brandde in zijn bloed, deed wat hem gezegd werd. Hij stapte overboord en waadde door het water in de richting van de zandbank.
De meerminnen, die hem zagen komen, lachten en lokten. Haar groene lijven glansden in de zon en haar geschubde staart schitterde in duizend kleuren. Kom! wenkten ze, kom! vang ons!
Vervoerend klonk haar betooverend gezang over de golven. De man waadde in de richting van de meerminnen en steeds herhaalde hij de woorden die zijn maat hem voorgezegd had.
Maar wat was dat? Was het nu reeds de tijd voor de vloed? Had hij al zóólang door het water geloopen?
De meerminnen lachten en lonkten, en zongen haar geheimzinnige zangen.
Maar de visscher maakte keert en zette koers naar zijn schip.
En dat was maar goed ook want de vloed zou hem verzwolgen hebben. Het steeds weer uitroepen van zijn eigen naam had hem niet kunnen helpen.
De meerminnen van de Dollard waren hem te slim afgeweest.
Nu hadden die meerminnen lang niet altijd succes met haar gelok. De schippers kenden haar streken. Maar een enkele keer gebeurde het toch dat een zeeman er in liep. En het met de dood bekocht meestal.
Zoo was er eens een visscher op de Dollard aan het visschen. Hij was goed geluimd want hij had een goede vangst gehad. De bun zat vol met haring en bot en schol.
't Was afloopend tij en de banken kwamen bloot te liggen. En toen die visscher daar zoo aan het roer stond, een deuntje te fluiten, zie, daar viel zijn oog op een troep meerminnen die zich in het droge warme zand lagen te koesteren.
Begeerte brandde in hem op. Ha! als hij er eens eentje kon vangen. Als het hem een gelukte er een te bemachtigen.
Maar hoe moest hij het aanleggen? Ze waren immers veel te schuw. Wanneer ze merkten dat hij het op haar gemunt had zouden ze zich zoo gelijk in de blauwe golven laten glijden en dan het hij nog niets.
Maar zijn maat, die op de voorplecht zat, touw te splitsen, zei dat hij er ook niet heen moest varen maar er naar toe moest loopen. Jazeker, het was afloopend tij, er was geen gevaar bij. Hij kon gerust buiten boord stappen en naar de zandbank loopen. Door het water moest hij maar waden. Het zou hem niet hooger komen dan tot het middel.
Maar er kwam nog iets bij.
Wat dan? vroeg de schipper nieuwsgierig.
Hij kon het niet helpen maar een heet verlangen steeg in hem op. De meerminnen lagen daar zoo verleidelijk in het zand.
Het was heel eenvoudig. Hij had alleen maar wat te roepen.
Wat dat dan wel was? vroeg de visscher.
Stap naar buiten boord en loop naar de bank.
Goed, maar dan?
Dan roep je maar voortdurend : "domme man!"
De schipper keek een beetje verbouwereerd.
Maar zijn maat hield vol. Zoo moest het. Wanneer hij die woorden riep en steeds herhaalde zou hij zonder ongelukken bij de zandbank kunnen komen en de schoonste meermin zou zijn belooning zijn.
Is 't echt waar?
Echt!
En de visscher, het verlangen brandde in zijn bloed, deed wat hem gezegd werd. Hij stapte overboord en waadde door het water in de richting van de zandbank.
De meerminnen, die hem zagen komen, lachten en lokten. Haar groene lijven glansden in de zon en haar geschubde staart schitterde in duizend kleuren. Kom! wenkten ze, kom! vang ons!
Vervoerend klonk haar betooverend gezang over de golven. De man waadde in de richting van de meerminnen en steeds herhaalde hij de woorden die zijn maat hem voorgezegd had.
Maar wat was dat? Was het nu reeds de tijd voor de vloed? Had hij al zóólang door het water geloopen?
De meerminnen lachten en lonkten, en zongen haar geheimzinnige zangen.
Maar de visscher maakte keert en zette koers naar zijn schip.
En dat was maar goed ook want de vloed zou hem verzwolgen hebben. Het steeds weer uitroepen van zijn eigen naam had hem niet kunnen helpen.
De meerminnen van de Dollard waren hem te slim afgeweest.
Beschrijving
In de Dollard wemelde het vroeger van de meerminnen die schippers lokten. Eens zag een visser de meerminnen op de banken en wilde er een vangen. Zijn maat vertelden hem dat als hij naar hen toe waadde, hij voortdurend "domme man" moest roepen. Toen hij het water inging, lachten en lokten de meerminnen naar hem. Opeens kwam de vloed al, de visscher had niet door dat hij al zo lang door het water had gelopen. Snel ging hij terug naar zijn schip.
Bron
Legenden langs de Noordzee/ S. Franke. - Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1934, p. 160-162.
Naam Locatie in Tekst
Dollard   
