Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

BEATRIJS1 - Beatrijs. Een middeleeuws Maria-mirakel.

Een legende (boek), 1995

beatrijs.jpg

Hoofdtekst

Het dichten brengt me weinig voordeel.
De meeste mensen zijn van oordeel
dat ik een ander vak moet leren,
En toch, om haar te eren.
die als moeder maagd kon blijven,
wil ik een wonder gaan beschrijven
waarmee de Here God beoogde
Maria te loven, die hem zoogde.
Over een non wil ik gaan dichten:
moge God mijn geest verlichten,
want ik moet hoofd- en bijzaak scheiden
en dit tot een goed einde leiden.
Ik moet me aan de feiten houden
die Gijsbrecht me eens toevertrouwde,
een monnik die als schriftgeleerde
dagelijks boeken bestudeerde
en daarin ook dit wonder las.
De non, van wie al sprake was,
was een edelvrouw, zo fijn van zeden
dat men er, naar ik meen, op heden
niet één meer vindt van dat gehalte,
van zowel zeden als gestalte.
Als ik de lof zong van haar leden
en van al haar bekoorlijkheden,
zou dat de hoorder weinig stichten.
Hoor dan, wat ze voor werk verrichtte
gedurende de lange tijd
dat ze gekleed was in 't habijt,
daar in dat mooie klooster, waar
ze kosteres was, jaar na jaar.
Ze was nooit lui of onzorgvuldig,
bij dag of nacht nooit ongeduldig,
was vlug en vaardig in haar werk,
moest de klok luiden in de kerk,
lei boeken klaar, stak kaarsen aan,
heeft 's morgens 't klooster op doen staan.
Maar met dat al was ze niet zonder
't gevoel dat aandoet als een wonder
bij wie het treft, in alle landen:
de liefde, die nu eens tot schande,
ziekte, wraak of weemoedigheid
en dan ook weer tot vreugde leidt.
De wijze maakt ze tot zo'n zot
dat hij de slaaf wordt van zijn lot,
of dat hem nu verheugt of spijt.
Sommigen raken de kluts goed kwijt:
moeten ze nu spreken of zwijgen
om het gewenste te verkrijgen?
Liefde loopt menigeen onder de voet,
die ze al dan niet weer opstaan doet
en ze maakt tot gulle lieden
wie geen stuiver zouden bieden
als zij het niet voor zou schrijven.
Er zijn er ook, die standvastig blijven,
die samen delen in hun leven
al wat de liefde heeft gegeven
aan blijdschap en genot en rouw
en zulke liefde noem ik: trouw.
Er is niemand die overziet
hoeveel geluk, hoeveel verdriet
de liefde kunnen vergezellen.
Daarom mag je geen oordeel vellen
over de liefde van die non,
waar ze niet aan ontkomen kon.
Want de duivel ziet er op toe
de mens te verleiden, hij wordt het nooit moe:
bij dag of nacht en vroeg of laat
is hij druk doende met het kwaad.
Veel streken heeft hij uitgevonden
om te bekoren met vleselijke zonden.
De arme non stierf duizend doden
en ze bad God, haar in haar noden
troost te geven door Zijn genade.
Ze zei: 'Ik ben zo zwaar beladen
met niets dan liefde, en zo gewond
- Hij weet het, die tot op de grond
van de zielen af kan dalen -
dat mijn ziekte me doet verdwalen.
Ik moet een ander leven leiden,
dus ik leg mijn habijt terzijde.'
Hoor, hoe het haar hierna verging.
zij deed meteen de jongeling
van wie ze hield een brief toekomen
met wat moest worden ondernomen:
hij zou in't klooster haar ontmoeten
en zo zijn nieuw geluk begroeten.
De bode kwam, waar de jongen was.
Die pakte de brief en las
wat zijn vriendin hem had geschreven.
Het heeft hem grote vreugde gegeven
en hij haastte zich naar daar.
er was al sinds hun twaalfde jaar
liefde tussen deze twee
en ze hadden het daar moeilijk mee.
Naar 't klooster ging hij rijden
waar hij bij 't raampje haar verbeidde
dat daar in de bezoekzaal zat.
Voorzichtig vroeg hij naar zijn schat,
of hij haar mocht spreken en zien.
Ze kwam een ogenblik nadien
om een blijk van liefde op te vangen
bij 't raampje, dat met ijzeren stangen
in lengte en breedte was bevlochten.
Hoe ze toch tegen hun tranen vochten,
want hij zat buiten en zij zat binnen
en zo konden ze niets beginnen.
Daar zaten ze, het leken uren
en zij hadden zoveel te verduren:
verblekend, blozend, droef en blij.
'Ach lieveling,' verzuchtte zij,
'ik heb er zo veel moeite mee,
toe, zeg me gauw een woordje of twee
dat mij een beetje troosten kan.
Ik word er zo wanhopig van,
de liefdesangel in mijn hart
steekt me en geeft me pijn en smart.
Ik zal dagelijks moeten lijden
totdat jij me komt bevrijden.'
Hij koos zijn woorden keurig:
'Ook ik, vriendin, ben treurig,
want al vele lange dagen
moeten wij dit verdragen.
Als ik je wilde kussen,
dan kwam er steeds wat tussen.
Aan Venus met haar streken
zijn wij bijna bezweken;
moge God haar verdoemen,
want ze laat twee mooie bloemen
moedeloos de kopjes buigen.
Als ik jou kon overtuigen
het habijt terzij te leggen
en mij dan de tijd te zeggen
dat ik je hier vandaan kon leiden...
Ik zou alles voorbereiden:
mooie kleren zou je dragen,
rijke voering, bonten kragen,
mantel, jurk en overkleed.
Met jou deel ik lief en leed,
ik blijf bij je in de zure
en de zoete avonturen
als jij geloof hecht aan mijn woorden.'
'Vriend, dit is wat ik graag hoorde,'
zei ze, 'dus neem ik het aan
en wil zover met je gaan
dat geen mens in de abdij
meer iets weet van jou en mij.
Kom dan over zeven nachten
en dan moet je op me wachten
in die mooie boomgaard daar,
bij de wilde rozelaar.
Dan kom ik een deurtje uit
en dan ben ik dus je bruid,
die zal gaan waar jij begeert.
Zolang mij geen ziekte deert
en geen narigheid of pijn,
zal ik zijn waar jij zult zijn
en je zorgen helpen dragen.
'k Wou van jou hetzelfde vragen.'
Toen dit was overeengekomen,
heeft hij afscheid van haar genomen
en ging naar zijn gezadeld paard
en toen reed hij in volle vaart
over gras en over hei
naar een stad, daar vrij dichtbij.
Denk niet dat hij zijn lief vergat:
hij ging winkelen in die stad,
kocht blauwe stof en ook scharlaken
en daarvan liet hij maken:
een mantel en een kap, heel breed,
een jurk en ook een overkleed,
alles afgezet met bont.
Niemand die ooit vrouwen vond
met mooiere kleren om te dragen:
ze werden geprezen door al wie ze zagen.
Mes en gordel, beugeltas
kocht hij haar, hoe duur 't ook was,
gouden haarnetten en ringen,
en nog veel meer mooie dingen.
Naar al 't bijzondere liet hij vragen
dat een bruid maar kan behagen.
Met geld genoeg voor een paleis
ging hij in de avond laat op reis,
is de stad heimelijk uitgereden
met op zijn paard de kostbaarheden
goed opgetast. Met flinke spoed
reed hij het klooster tegemoet.
Volgens afspraak zat hij daar
onder de wilde rozelaar
tussen de bloemen en de dauw
totdat zijn liefste komen zou.
We laten hem daar even blijven
om 't mooie meisje te beschrijven
dat hem niet uit haar hoofd kon zetten,
die nacht, bij 't luiden van de metten.
Toen de metten waren gezongen
door zowel de ouden als de jongen
die in dat klooster waren gegaan
en ze uit het koor vandaan
naar de slaapzaal gingen met hun allen,
liet zij zich op haar knieën vallen
en ze sprak innige gebeden,
zoals zo vaak in het verleden.
Heel angstig lag ze voor 't altaar
en deze woorden bad ze daar:
'Maria, moeder vol genade,
mijn lichaam, het kan na mijn daden
het habijt niet meer verdragen.
U kent in al zijn levensdagen
de mens en zijn onzekerheden.
Ik heb gevast en heb gebeden
en ben mezelf ook gaan kastijden,
maar 't bracht geen oplossing voor 't lijden.
De liefde liep me onder de voet,
zodat ik het wereldse dienen moet.
Zo waar, Heer, als u werd gevangen
en tussen twee boeven gehangen
aan een kruis dat uw leden rekte,
zo waarlijk als U Lazarus wekte
uit zijn graf en uit zijn dood,
zo waarlijk kent U al mijn nood.
U kunt mij de zonden vergeven
waarin ik zal moeten leven.'
Daarna heeft ze het koor verlaten
om met Maria te gaan praten:
ze is voor haar klein beeld getreden
en knielde daar en heeft gebeden,
dat ogenblik van angst bevrijd:
'Dag en nacht heb ik wat ik lijd
U toevertrouwd: al mijn verdriet,
maar veel geholpen heeft het niet.
Ik raak al mijn verstand nog kwijt
als ik langer blijf in dit habijt!'
Ze trok haar pij uit en legde die daar
op het Onze Lieve Vrouwe-altaar.
Ze heeft haar sandalen uitgedaan
en hoor, hoe dit nu door zal gaan:
De sleutels van de sacristie
hing ze vlak bij Maria, die
daar stond, vlak tegenover haar.
Ze hing die zware sleutels daar
opdat die in het oog zouden springen
als de getijden weer aanvingen.
Want iedereen is wel zo goed
dat hij Maria even groet,
iedereen kijkt haar toch aan,
zegt 'ave', voor weer door te gaan.
Dat leek de non een zeker ding,
zodat ze daar de sleutels hing.
Daar ging ze dan in al haar leed,
slechts in een onderjurk gekleed,
is naar een deurtje toegelopen
en deed het voorzichtig open
en ongemerkt ging ze daaruit,
stilletjes, zonder geluid.
Vol van vrees kwam ze onder de bomen
en de jongeling zag haar komen
en hij zei 'Lieveling, schrik maar niet,
het is je vriend, die je hier ziet.'
Toen die twee daar samenkwamen,
toen begon ze zich te schamen,
want ze stond in haar ondergoed,
met niets op 't hoofd of aan de voet.
Hij zei: 'Meisje van mijn verlangen,
ik zal je lichaam gaan omhangen
met mooie sjaals en mooie kleren,
je hoeft je niet lang meer te generen,
want alles ligt al voor je klaar.'
Toen gingen ze onder de rozelaar
en daar waren kleren genoeg,
veel meer dan waar ze ooit om vroeg.
Van alles gaf hij haar twee paar;
de blauwe kleren nam ze daar,
fijn van snit en goed van pas.
en zo vriendelijk als hij was...
Hij lachte: 'Lief, dit hemelsblauw
staat beter dan dat kloostergrauw.'
Twee kousen trok ze aan,
twee Cordoba-schoenen, welgedaan,
die haar zoveel beter stonden
dan die sandalen, met linten gebonden.
Hij wilde haar ook verblijden
met sluiers van witte zijde,
die ze over haar hoofd heenhing.
Nu kuste haar de jongeling
vriendelijk op haar mond.
Het leek hem, toen ze voor hem stond,
of de zon al was gaan stralen.
Vlug is hij zijn paard gaan halen
en heeft haar vóór zich in 't zadel gezet
en ze reden, door geen mens belet
aan één stuk door tot het ging dagen
en ze geen achtervolgers zagen.
Toen het al licht werd in het oosten,
zei ze: 'God, die de wereld kan troosten...
laat Uw zegen op ons dalen.
Ik zie de eerste zonnestralen:
was ik het klooster nog niet uit,
ik had de ochtendklok geluid,
was als eerste in 't koor gekomen
in dat klooster met zoveel vromen.
Mijn reis zal mij misschien berouwen,
de wereld is zo slecht te vertrouwen
en ik krijg mijn deel daarvan.
De wereld lijkt op een handelsman
die waardeloze kermisdingen
aan de man brengt als gouden ringen.'
'Hemels mooi meisje, zo moet je niet praten.
als ik jou ooit zou verlaten,
dan moge God mij kwellen.
Ik zal je altijd vergezellen,
in voorspoed en grote nood,
niets kan ons scheiden dan de dood.
Waarom twijfel je aan mij?
Kwade trouw was er nooit bij
en op jou was ik nog nooit boos.
Sinds ik jou als de liefste koos,
liet ik zelfs geen keizerinnen
meer in mijn gedachten binnen.
Wou er zo een met me leven,
'k zou aan jou de voorkeur geven.
Ons kan weinig overkomen,
ponden heb ik meegenomen,
geld genoeg voor een paleis.
Wees een dame, tot elke prijs.
Al gaan we naar Parijs of Wenen,
ik zal geen geld hoeven te lenen
nog in geen zeven jaren.'
Ze zagen plotseling waar ze waren:
aan de zoom van een prachtig bos.
De vogels zongen er lustig op los,
zodat je hun verliefd chanson
ver in de omtrek horen kon.
Elk zong zoals 't hem mocht gebeuren.
En bloemen in hun felle kleuren
waren op 't groene veld ontloken,
zo mooi, en die zo heerlijk roken.
Onder de heldere, wonderschone
hemel stonden veel fraaie bomen,
allemaal rijk gevuld met blaren.
Nu ging de jongen iets verklaren
dat hij al heel lang in zich droeg.
'Liefste,' zei hij, ''tis hier mooi genoeg
om wat te dwalen en bloemen te plukken
en de dingen te doen die het hart verrukken:
't is hier geschikt voor het minnespel.'
'Boerenkinkel,' zei ze, 'wat denk je wel!
Moet ik vrijen in 't open veld,
zoals vrouwen het doen, voor geld
met hun ordinaire lijven?
Ik zou niet weten waar ik moest blijven
van schaamte. Nu weet ik, vent,
dat je een boerenhufter bent.
God zal je om dit voorstel haten
en met zo iemand heb ik me ingelaten.
Nou ja, als je 't maar niet zult herhalen.
Hoor! De vogeltjes in de dalen,
hoor ze zingen en hoe ze kwelen,
dan hoef je je niet te vervelen.
Als ik bij je ben en naakt
op een bed, goed opgemaakt,
doe dan al wat je behaagt,
alles waar je hart om vraagt,
maar je maakt me witheet van binnen
door er hier over te beginnen.'
Hij zei: 'Liefste, wees niet meer kwaad.
Ik luisterde naar Venus' raad.
God geve me schande en plagen
als ik er ooit weer van zal gewagen.'
Ze zei: 'ik vergeef het je dan.
Je bent voor mij de enige man
van al wie er op aarde wonen.
Al leefde Absalom, de schone,
en al zou hij mij verklaren
dat ik met hem duizend jaren
in weelde en rust zou mogen leven,
ik zou jou er niet voor geven.
Liefste, ik heb jou uitverkoren.
Geen die over mij zal horen
dat ik jou ooit was vergeten.
Was ik in 't hemelrijk gezeten
en jij hier beneden,
ik kwam naar jou met rasse schreden.
Oei...God, laat het ongewroken
dat ik zo dwaas heb gesproken:
aan de blijdschap in het hemelrijk
is hier geen enkele vreugde gelijk.
Daar is de minste zo volmaakt
dat hij naar niets anders haakt
dan zijn gezicht naar God te wenden.
Al het aardse is ellende,
het beste op aarde haalt het niet
bij het minste dat men daar ziet.
Wie dat beseffen, leven goed.
Dat weet ik, ook nu 'k dwalen moet
en mij in zonden ga begeven,
lieveling, door met jou te leven.'
Aldus verliepen hun gesprekken.
Ze zijn door berg en dal gaan trekken
en daar is zoveel meer geschied,
dat zeg ik allemaal maar niet.
Een lange reis was dat,
toen kwamen ze bij een stad
in een van de mooiste dalen.
Daar konden ze hun hart ophalen:
een aantal jaren, en wel zeven,
hadden ze daar een luxe leven
en bedreven de liefde samen
zodat er twee kinderen kwamen.
Maar toen ze na die zeven jaren
door al hun geld heen waren,
toen moesten ze van alles belenen
en toen, achter elkaar, verdwenen
kleren, sieraden en paarden:
alles verkocht voor de halve waarde,
heel hun welvaart naar de maan.
Ze hadden geen middelen van bestaan:
zij kon zelfs geen garen spinnen
om de kost ermee te winnen.
Daarbij: er kwamen steeds hogere prijzen
voor bier en wijn en alle spijzen,
voor al wat je drinken kon of bijten.
En toen kwamen de verwijten.
Ze waren allebei liever dood
dan te gaan bedelen om brood.
De armoede spaarde hun liefde niet
al deed het hun beiden veel verdriet.
De man brak al zijn dure eden
en liet haar in de narigheden,
is naar zijn eigen land getogen
en was voor altijd uit haar ogen.
Zij moest het met haar wondermooie
twee kinderen maar zien te rooien.
Ze zei: 'Het is precies gegaan
als ik vreesde van het begin af aan.
Ik ben nu in alle staten,
want diegene heeft mij verlaten
op wie ik mij altijd verliet.
Maria, Vrouwe, vergeet mij niet,
bid voor ons drieën, hemelse bode,
dat de honger ons niet kan doden.
Nu mijn bestaan in duigen viel,
moet ik mijn lichaam en mijn ziel
bevlekken met zondige daden.
Maria, Vrouwe, heb genade.
Ook al kon ik garen spinnen,
wat zou ik ermee winnen?
In twee weken en half brood.
Ik moet.gedwongen door de nood,
buiten de stad, in't open veld
mijn lichaam verkopen voor geld
om eten te kunnen krijgen,
want ik moet toch mijn eigen
kinderen te eten geven?'
Zo ging ze in een zondig leven,
want men vertelt, en het is waar,
dat ze gedurende zeven jaar
als publieke vrouw in het leven ging
en menige zonde ontving
door aan wildvreemde lieden
haar lichaam aan te bieden.
Ze vond er weinig genoegen in,
ze deed het voor een schamel gewin,
waarmee ze haar kinderen te eten gaf.
Ik zie ervan af
haar zonden te beschrijven, onnoemelijk zwaar,
waar ze in leefde, veertien jaar.
Maar één ding vergat ze niet
in al haar ellende en verdriet:
ze bad alle dagen in vol vertrouwen
de zeven getijden van Onze Lieve Vrouwe.
Dat deed ze om Maria te eren:
die kon haar terug doen keren
uit de zondige daden
waarmee ze was beladen
al een volle veertien jaar
en dat is maar al te waar.
Zeven jaar was ze met een man,
daar kwamen twee kinderen van,
hij liet haar in de ellende,
zodat ze niets dan zorgen kende.
De volgende zeven hebt u ook gehoord,
maar hoe zette ze haar leven voort?
De veertien jaren waren voorbij.
Toen gaf God haar berouw, zodat zij
zich schuldig voelde en zo bezwaard
dat ze liever met een scherp zwaard
haar hoofd eraf had laten slaan
dan dat ze meer zonden had begaan,
haar lichaam nog langer had bevuild.
Dag en nacht heeft ze zo gehuild
dat haar ogen maar zelden droogden.
Ze zei: 'Maria, die God zoogde,
bron van genade boven alle vrouwen,
laat mij niet nog langer rouwen.
Vrouwe, U hebt ondervonden
dat ik spijt heb van mijn zonden
en U weet, ze doen me zeer.
Er waren er zoveel, ik weet niet meer
waar ik ze deed en met wie allemaal.
Helaas! Ze worden me fataal,
want nu God me uit het oog heeft verloren,
op de dag dat de zonden blijken
van de armen zowel als de rijken:
als alle misdaden worden gewroken
die niet in een biecht werden besproken
en waarvoor geen boete is gedaan.
Daar is geen enkele twijfel aan
en daarvoor vrees ik al mijn dagen.
Al zou ik een haren kleed gaan dragen
en er in gaan kruipen, om te boeten,
van land naar land, op handen en voeten,
barrevoets, zonder kous of schoen,
het zou niet zoveel goed kunnen doen
dat mijn schuld me dan verliet.
Maria, waarom troost U me niet?
Bron van genade, boven alles verheven,.
die alle mensen hoop kan geven:
Theophilus is er een voorbeeld van.
Geen groter zondaar dan die man,
die zowel zijn ziel als zijn leven
aan de duivel in leen had gegeven
en alles deed wat de duivel wou
en toch door U verlost werd, o, Vrouw.
Al ging ik ook door alles heen
en word ik geminacht door iedereen,
wat voor een leven ik ook had,
Vrouwe, U weet het toch, ik bad
voor U altijd weer mijn gebeden.
Veracht mij niet om mijn verleden,
want hoe meer me dat zal bedroeven,
des te meer zal ik Uw hulp behoeven.
Ik vertrouw toch met reden:
niemand heeft vergeefs gebeden
van wie er dagelijks baden
'Ave Maria, vol van genade.'
Wie U hun gebed doen horen,
ze weten al van tevoren
dat er troost komt en erbarmen:
U ontvangt ons in Uw armen,
Gods uitverkoren bruid!
Uw Zoon toch stuurde een bode uit,
in Nazareth heeft hij U gevonden,
met een bericht, nooit eer verzonden,
en nog nooit van een bode gehoord:
dat Gij volgens dit heilig woord
gezegend onder de vrouwen zijt.
Daardoor bent U nog steeds verblijd,
en spreekt iemand U aldus aan,
al leidt hij nog zo'n zondig bestaan,
U maakt hem geen verwijten
en zult bij Uw Zoon voor hem pleiten.'
Zo bad de zondares alle dagen,
zo bleef ze almaar smeken en klagen.
Ze nam een kind in elke hand
en zo trok ze door het hele land,
bedelend of men wat wilde geven,
want ze moest van de aalmoezen leven.
Ze doolde net zo lang de wereld rond
tot ze bij toeval het klooster vond
waar ze verbleven had als non.
Ze is na 't laatste licht van de zon
bij het huis van een weduwe aangekomen
waar ze vroeg om een onderkomen
omdat ze nu niet verder kon reizen.
'Ik kan u echt de deur niet wijzen,'
zei de weduwe, 'met die twee schapen,
die al bijna lopen te slapen.
Rust daar maar even,
uw deel zal ik u geven
van wat God mij wilde schenken
om Zijn Moeder te gedenken.'
Met haar kinderen mocht ze daar eten
en nu zou ze heel graag weten
hoe in 't klooster de zaken stonden.
'Beste vrouw,' vroeg ze onomwonden,
'is dat daar het klooster van de edelvrouwen?'
'Ja,' zei die, 'daar kunt u op vertrouwen
en u zult nergens een klooster betreden
met zoveel aanzien en kostbaarheden.
De nonnen die er habijten dragen,
u kunt het bij iedereen na gaan vragen,
die zijn zo rein en vol goede werken,
daar is niet dat op aan te merken.'
En zij die bij haar kinderen zat,
ze zei: 'Waarom zegt u dat?
Ik hoorde nog geen week geleden
over zekere narigheden,
het waren hele vreemde zaken
en 't had met de kosteres te maken.
Iemand bezwoer me als echt waar
dat die hier voor veertien jaar
zomaar uit het klooster verdween
en dat niemand weet waarheen
en in welk land ze overleed.'
Toen werd de weduwe witheet
en zei: 'U zit uit uw nek te praten!
Ik zou het nu maar laten
om u zo over haar te uiten,
of u staat subiet weer buiten!
In de veertien jaar dat zij
kosteres was in de abdij,
heeft men haar, zo vlijtig is ze,
nog geen uur hoeven te missen
-of ze was dus ongesteld-
zodat wie kwaad van haar vertelt,
zich wel heel diep schamen moet.
Zij is zo zuiver van gemoed
als alle nonnen wensen mochten.
Als ze in alle kloosters zochten
tussen de Elbe en de Gironde,
denk dan maar niet dat ze iemand vonden
die het in vroomheid bij haar haalt.'
Zij, die zo lang had gedwaald,
voelde een wonder in deze woorden
en ze zei: 'Als ik nou eens hoorde
hoe haar vader en moeder heten.'
Toen de vrouw haar dat liet weten,
wist ze dat die haar bedoelde.
Ach, God, hoe ze zich die nacht voelde,
huilend op de bedderand.
'Niets,' zei ze, 'heb ik als pand
dan alleen mijn diep berouwen.
Help me dan, Maria, Vrouwe!
mijn zonden doen me wel zo'n pijn,
als er een hete oven zou zijn,
die zo verschrikkelijk gloeide
dat de vlammen er uitsproeiden,
ik zou er binnenlopen
als dat mijn zonden vrij kon kopen.
Heer, U vindt wanhoop uit den boze,
daarom ben ik geen radeloze.
Hoop op genade heb ik altijd,
al raak ik ook de schrik niet kwijt,
al leef ik ook in angst en beven.
Nooit kon er zo'n grote zondaar leven,
sinds U op aarde kwam
en de vorm van een mens aannam
en aan het kruis wilde bezwijken,
of U kwam hem de hand wel reiken
als hem zijn zonden echt berouwden:
ja, hij was alsnog behouden.
Dit deelt het evangelie ons mee
over die zondaar van de twee,
die aan Uw rechterzijde hing.
't Is ons tot troost en leniging
dat U zijn ziel wilde behouden
zodra zijn zonden hem berouwden.
Ik vertrouw hierop, met reden,
want U zei: "Vriend, je zult heden
met mij mijn koninkrijk in gaan,
dat geef ik je te verstaan."
Ook Heer, maakte U openbaar
dat Gisemans de moordenaar
op 't allerlaatst om genade bad.
Geen goud gaf hij en ook geen schat
anders dan zijn berouw van zonden.
Uw genade is niet te doorgronden,
net zo min als men ooit iemand zag
die de zee leegschepte in één dag,
tot op de allerdiepste gronden.
Er was dus nooit zo'n grote zonde
of Uw genade ging die te boven.
Dus ook voor mij, zo wil ik geloven,
geldt Uw grenzeloze barmhartigheid,
want ik heb grote, grote spijt.'
Midden in deze gebeden
kwam een slaap over al haar leden
en toen is in haar dromen
het visioen gekomen
dat een heldere stem haar riep
waar ze lag en sliep:
'Vrouw, je hebt zo lang gekermd
dat Maria zich heeft ontfermd
over jou en genade heeft afgebeden.
Je moet nu het klooster weer betreden.
Je vindt de deuren wijd open
waar je ooit bent uitgelopen
met de man die jou liefde bood,
maar je in de steek liet in de nood.
Je habijt met alles erop en eraan
moet je op het altaar zoeken gaan.
Trek pij en sandalen aan, doe meteen
ook de sluier weer om je heen.
Bedank nu Maria maar.
De sleutels van de sacristie zijn daar
waar je ze voor het beeld ophing,
die nacht dat je uit het klooster ging.
Maria kon ze zo bewaren
dat de mensen jou die veertien jaren
zelfs geen ogenblikje misten,
niets van je verdwijning wisten.
Maria houdt je zo te vriend
dat ze aldoor voor je heeft gediend
in jouw gedaante en jouw kleren.
Zij, die de hemel mag regeren,
heeft dat, zondares, voor jou gedaan.
Je moet weer naar het klooster gaan,
waar niemand je bed heeft ingenomen.
Dit bericht is van God gekomen.'
Toen hij dit duidelijk had gemaakt,
is ze onmiddellijk ontwaakt
en zei: 'God, die de wereld bouwde,
U moet de duivel nu weerhouden
van 't brengen van meer droefenis
dan er al is.
Wat zouden ze in 't klooster zeggen?
als ze me vingen als dievegge,
kwam ik in nog veel meer verdriet
dan toen ik de abdij verliet.
Ik smeek U, Heer, zo wijs en goed,
bij het kostelijke bloed
dat aan 't kruis Uw zij uitliep,
laat de stem die mij riep
-als die werkelijk is gekomen
tot mijn voordeel- toch niet schromen
zich nog eens te openbaren,
ja, laat die drie keer verklaren
dat ik echt van nu af aan
naar het klooster terug mag gaan.
Dan zegen ik U daarboven
en zal Maria altijd loven.'
En de volgende nacht... nu luister...
Kwam er een stem uit het duister
Die haar deze boodschap bracht:
'Vrouw, nu niet te lang gewacht!
Ga meteen weer in je klooster,
dan is God voortaan je trooster.
Doe wat Maria je gebiedt:
ik ben haar bode, twijfel niet!'
Toen ze de stem, tot haar gekomen,
ten tweede male had vernomen
met het bevel in 't klooster te gaan,
toen durfde ze het nog niet aan.
De derde nacht dacht ze bij zichzelf:
'Misschien heeft een boosaardige elf
een grap met me uit willen halen.
'k Zal met gelijke munt betalen
aan de duivel met al zijn kracht.
Als hij hier komt, vannacht,
Heer, laat hem dan de kluts kwijtraken
en zich uit de voeten maken
eer hij mij nog meer schade doet.
Moeder Maria, wees zo goed
en laat mij weer de stem verstaan
die zegt dat ik in 't klooster moet gaan.
Om het kind dat U hebt gedragen,
Vrouwe, wil ik U dit vragen.'
Ze bleef wakker, die derde nacht.
Een stem met goddelijke kracht
en door een schittering omgeven,
sprak: 'Zo kun jij niet verder leven.
Wat Maria jou via mij gebiedt,
waarom doe je dat toch niet?
Vrouw, je wacht al veel te lang.
Ga in 't klooster, wees niet bang,
je ziet er de deuren wijd openstaan
en waar je gaan wilt, mag je gaan.
Je habijt vind je aldaar,
want het ligt op het altaar.'
Dit sprak de stem met veel gezag
en toen werd de zondares die daar lag
door de glans bijna verblind
En zei: 'Wat ik hier bevind,
is werkelijk door God gezonden
en door Maria in orde bevonden.
Dit is geen leugen, dit is waar,
ik besef het zonneklaar.
Nu heb ik me voorgenomen
in het klooster terug te komen.
Ik zal op de troost vertrouwen
van haar, van Onze Lieve Vrouwe,
en mijn kinderen zullen beiden
leven onder Gods geleide,
zodat het goed met hen zal gaan.'
Toen heeft ze haar kleren uitgedaan
om haar kinderen daarmee toe te dekken,
zachtjes, om ze niet te wekken.
Ze kuste hen alletwee op de mond
en zei: 'Mijn kinderen, blijf gezond.
in de troost van Onze Lieve Vrouwe
laat ik jullie achter, in goed vertrouwen.
'k Had zonder Maria als advocate
jullie hier niet achtergelaten,
niet voor alle schatten van Rome.'
Hoor, wat haar verder is overkomen.
In tranen heeft de kinderloze
de kortste weg naar het klooster gekozen.
Ze is door de boomgaard heengelopen
en vond er een zijpoortje open.
Daar liep ze dan, heel snel.
'Maria, dank U wel.
Nu ben ik binnen de muren,
geef mij geen nieuw verdriet te verduren.'
Waar ze kwam heengelopen,
stond de deur wijd voor haar open.
Ze is in de kerk gegaan
en sprak God zachtjes aan:
'Lieve Heer, dit wil ik vragen:
help mij het habijt weer dragen
dat ik neerlegde, voor veertien jaar,
op het Onze Lieve Vrouwe-altaar,
de nacht dat ik de abdij verliet.'
Wat ik nu zeg, lieg ik niet,
al kan ik het niet verklaren:
sluier, pij en sandalen waren
er onaangeroerd gebleven
sinds ze wegging uit dat leven.
Vlug ging zij zich daarin kleden
en toen heeft ze dit gebeden:
'Goede God, en Maria, zo rein,
wel gezegend moet U zijn.
U, de bloem van alle deugden,
die in maagdelijke vreugden
baarde, zonder wee of pijn,
wie voor altijd Heer zal zijn.
Ongemeten is Uw waarde,
Uw kind maakte hemel en aarde.
God heeft U 't gezag gegeven
dat wij dienen, heel ons leven.
Onze Heer, ons aller broeder,
Hij gehoorzaamt U als moeder
én mag U Zijn dochter heten,
tot grote troost voor wie dat weten.
Men kan U genade vragen
tot in de allerlaatste dagen.
Uw hulp is geweldig groot.
Ik had verdriet en was in nood,
maar U hebt het zo omgekeerd
dat me verblijdt wat me heeft bezeerd.
U te dienen is mijn verlangen.'
En toen zag ze de sleutels hangen
van de sacristie, waar ze die hing
voor ze de abdij verlaten ging.
Ze heeft de sleutels meegenomen
en ze is bij het koor gekomen,
waar ze lampen zag branden in alle hoeken.
Daarna liep ze rond met de boeken
tot ze allemaal op hun plekje lagen,
zoals ze 't deed in vroeger dagen.
Tot Maria heeft ze gebeden
om hulp uit de narigheden,
om die twee, die ze achterliet
in het huis van de weduwe, in groot verdriet.
Van deze dag waren de uren gedaan:
het kleine uurwerk begon te slaan,
hetgeen de middernacht beduidde.
Ze nam het klokketouw en luidde
de mettentijd zo diepbewogen
dat alle nonnen hun bed uitvlogen,
die boven in de slaapzaal lagen,
zowel de vluggen als de tragen.
En zonder dat ééntje had kunnen horen
dat een ander hen wekte dan daags tevoren.
Ze bleef in het klooster, de rest van haar tijd.
Er was geen geroddel, geen enkel verwijt.
Maria was in haar plaats komen werken
en niemand had het verschil kunnen merken.
Zo was de zondares bekeerd
dank zij Maria, die elk vereert,
die de hemel mag regeren
en die zonder mankeren
haar vrienden weet te bereiken
als die onder zorgen bezwijken.
De vrouw van wie u 't verhaal mocht horen,
is weer kloosterzuster als tevoren.
Maar vergeten we nu ook niet:
de kinderen die ze achterliet
in 't huis van de weduwe, in grote nood,
want daar was geen geld en ook geen brood.
Ik zou u liever maar besparen
hoe diep bedroefd ze waren
zo zonder moeder, en hoe geschrokken.
De weduwe heeft ze op schoot getrokken,
ze had verschrikkelijk medelijden.
Ze overdacht: ik ga met die beiden
me naar de abdij begeven,
waar God de abdis wel in zal geven
dat ze hen bij moet staan.
Ze deed hun de kleren en schoenen aan
en ging met hen naar de abdij.
Ze toonde ze aan de abdis en zei:
'Zie de nood van deze twee wezen:
de moeder liet ze in angst en vrezen
in mijn huisje achter, 's nachts,
en verdween toen onverwachts,
naar weet ik waar in west of oost.
Ze liet de kinderen zonder troost.
Ik hielp ze graag, als ik wist hoe.'
De abdis sprak haar toe:
'Laat ze bij u blijven wonen,
ik zal u daarvoor belonen,
daarvoor hoeft u niet te vrezen,
want ons potje voor de wezen
kan heus nog wel wat verduren.
U moet daags een bode sturen
die drinken voor hen haalt en eten.
Ontbreekt hen iets, laat me dat weten.'
De weduwe was blij
met wat de abdis haar zei.
Ze heeft de kinderen weer meegenomen,
dus die zijn goed terechtgekomen.
De moeder, die hen eens mocht zogen,
en pijnen om hen moest gedogen,
voor haar was het een opluchting
dat het hun zoveel beter ging,
die twee, die ze zoveel verdriet
bezorgde, toen ze hen verliet.
Dat het goed ging met die kinderen,
deed haar zorgen flink verminderen.
Ze leidde voortaan een vroom leven,
met nog heel wat zuchten en beven,
zowel 's nachts als overdag
als ze haar leven overzag
en berouw had van haar zonden,
die niemand kon doorgronden,
die voor de wereld verborgen bleven
en die ze niet heeft opgeschreven.
Hierna kwam er op een dag
een abt, die men daar vaker zag:
hij inspecteerde alle jaren
het klooster, of daar dingen waren
die niet door de beugel konden.
Eens per jaar deed hij zijn ronde.
De dag dat de abt in 't klooster zat,
lag de zondares in het koor en bad
haar gebed in de stilte daar.
Twijfels overvielen haar:
de duivel had haar schaamte gegeven
om te maken dat ze haar leven
niet aan de abt zou openbaren.
Toen ze daar zo lag te staren,
zag ze een jongeling die daar schreed,
helemaal in het wit gekleed.
Op zijn arm droeg hij een bloot
klein kind, het leek haar al dood.
De jongeling gooide een paar keer
een appel op en ving hem weer
om het kindje te vermaken.
Dit moest haar in 't hart wel raken,
die daar zo heel stilletjes bad.
'Vriend,' zei ze, 'wat betekent dat?
Als u gezonden bent van God,
dan vraag ik u bij Zijn gebod
dat u me de reden leert
waarom u 't kindje amuseert
met die appel, zo mooi rood
het kind op uw arm is toch dood?
Hij merkt niet wat u voor hem doet.'
'Zeker, non, dat zie je goed.
De vreugde van het spelen
kan dit kind niet meer delen,
het is dood en hoort noch ziet.
En precies zo ... weet God ook niet
dat jij gebeden zegt en vast.
Het helpt je echt geen barst,
het kan je geen goeds bereiden,
net zo min als je zelf kastijden.
Jij leeft nog zo in zonden voort
dat God je gebeden niet hoort,
daar waar hij is gezeten.
Daarom moet je dit weten:
maak voort, non, en benader
de abt. Hij is een vader,
biecht je zonden zonder te liegen,
laat de duivel je niet bedriegen.
Al wat je de abt komt melden,
kan hij je kwijt doen schelden,
maar waar je niet van wilt spreken,
dat zal God vreselijk op je wreken!'
De jongeling hoefde niet méér te betogen
en ging voor altijd uit haar ogen,
maar 't was goed: ze begreep hem toch?
En diezelfde ochtend nog
is ze bij de abt gekomen
opdat haar de biecht werd afgenomen.
Hij was wijs en welgezind
en hij zei: 'M'n lieve kind,
dat weiger ik natuurlijk niet.
Als jij je zonden overziet
en overdenkt, zal ik ze horen.'
Naar waar niemand hen kon storen
hebben ze zich toen begeven
en ze vertelde hem heel haar leven,
alles wat haar was overkomen:
hoe haar verstand haar was ontnomen
door liefde, dat ze in dwaze grillen
niets anders had te willen
dan 't habijt toe te vertrouwen
aan 't altaar van Onze Lieve Vrouwe
om te vertrekken met een man.
Daar kwamen twee kinderen van.
Van alles wat haar was geschied,
verzweeg ze zelfs het ergste niet.
Alles wat haar had verward,
biechtte ze uit de grond van haar hart.
En de abt, die dat daar hoorde,
die vrome vader sprak de woorden:
'Dochter, ik zal je absolveren,
van de zonden die je deren,
die je pijn doen, sinds lange tijd.
Gods moeder zij gebenedijd
en boven alles geloofd.'
Hij legde een hand op haar hoofd,
waarmee de zonde van haar week.
Hij zei: 'Ik zal in een preek
de mensen van je biecht berichten,
maar ik zal het zo verdichten
dat niemand op 't idee zal komen
dat het jou en je kinderen is overkomen:
niemand zal een vermoeden krijgen.
Het zou niet goed zijn om dit te verzwijgen,
dit mooie wonder, dat de Here
voltrok om Zijn moeder te eren.
Ik zal 't verkondigen, overal,
want door dit verhaal toch zal
menige zondaar zich bekeren
en Onze Lieve Vrouwe eren.'
Hij ging 't klooster onderwijzen,
eer hij weer naar huis moest reizen,
wat er met een non was geschied.
Wie ze was, daar zijn ze niet
in de verste verte achtergekomen.
De abt heeft afscheid genomen
en hij nam de non haar beide
kinderen onder zijn geleide.
Hij gaf ze beiden een grauwe pij
en vrome mannen werden zij.
Hun moeder heette Beatrijs.
Aan God alle lof en prijs
en aan Maria, die Hem zoogde
en die met dit wonder beoogde
te tonen dat ze helpt in de nood.
Laten wij bidden, klein en groot
aan wie dit wonder is voorgedragen:
dat het Maria moge behagen
onze voorspraak te zijn in het zoete dal
waar God de wereld oordelen zal.
Amen.

Onderwerp

ATU 0770    ATU 0770   

Beschrijving

Een jonge non, inmiddels opgeklommen tot kosteres, blijft ondanks haar toewijding geobsedeerd door een jeugdliefde. Na een onderhoud met haar vriend, besluit ze het klooster te ontvluchten. Nadat de vriend kleding en andere kostbaarheden voor haar heeft gekocht, vluchten ze 's nachts te paard. De non heeft haar habijt en sleutels achtergelaten bij het beeld van Maria. Zeven jaar leven de non en de jongeman in weelde. Als het geld op is, laat de jongeman haar met haar twee kinderen in de steek. De non is gedwongen om zich te prostitueren om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. Na zeven jaar krijgt ze berouw en trekt met haar kinderen als bedelares door het land. Ze krijgt onderdak bij een weduwe nabij haar oude klooster. Driemaal krijgt de non 's nachts een goddelijke opdracht om terug te keren naar het klooster: Maria heeft al die veertien jaren haar werk waargenomen. De non keert terug naar het klooster en herneemt ongemerkt haar taak. In een visioen krijgt ze te verstaan, dat ze haar zonden moet biechten. Na de biecht ontvangt ze absolutie van de abt, die de wonderlijke geschiedenis wereldkundig maakt. De twee zoons van de non worden door de abt meegenomen en zij worden monniken.

Bron

Beatrijs. Een middeleeuws Maria-mirakel. Editie Theo Meder, vertaald door Willem Wilmink. Amsterdam, Uitgeverij Prometheus / Bert Bakker, 1995.
Koninklijke Bibliotheek: https://www.kb.nl/themas/middeleeuwen/beatrijs/beatrijs-moderne-vertaling-door-willem-wilmink

Motief

K1841 - The Virgin Mary substitutes for a mortal.    K1841 - The Virgin Mary substitutes for a mortal.   

K1841.1 - The nun who saw the world (Sister Beatrice).    K1841.1 - The nun who saw the world (Sister Beatrice).   

Naam Overig in Tekst

Maria    Maria   

Beatrijs    Beatrijs   

Gijsbrecht    Gijsbrecht   

Venus    Venus   

God    God   

Lazarus    Lazarus   

Gisemans    Gisemans   

Onze Lieve Vrouwe    Onze Lieve Vrouwe   

Here    Here   

Absalom    Absalom   

Theophilus    Theophilus   

Naam Locatie in Tekst

Parijs    Parijs   

Wenen    Wenen   

Nazareth    Nazareth   

Elbe    Elbe   

Gironde    Gironde