Hoofdtekst
Er was eens een lief, klein meisje dat samen met haar moeder in een lief, klein huisje aan de rand van een groot bos woonde. Als het meisje buiten was droeg ze altijd de mooie rode cape die Grootmoeder, de oma van het meisje, speciaal voor haar gemaakt had. Ze zette daarbij steeds de rode capuchon op, die prachtig kleurde bij haar donkere vlechten, zodat je haar al van ver aan zag komen. 'Kijk, daar gaat Roodkapje,' zeiden de mensen tegen elkaar als ze het meisje zagen lopen. En al gauw noemde iedereen haar zo, zelfs haar eigen moeder
Op een dag zei de moeder van Roodkapje: 'Grootmoeder is ziek; ze zal wel een paar dagen in bed moeten blijven. Ik heb een mandje ingepakt met brood, honing, fruit en lekkere koekjes. Wil jij het naar haar toe brengen?' 'Maar natuurlijk!' zei Roodkapje. 'Die arme Grootmoeder.' Ze trok meteen haar rode cape aan, zette de capuchon op, pakte het mandje, zoende haar moeder, en liep naar buiten
'Roodkapje!' riep de moeder haar achterna. 'Loop een beetje door, want Grootmoeder zal wel honger hebben.' 'Ja, moeder.' 'En blijf op het pad lopen!’ 'Ja, moeder.' 'En kijk goed uit in het bos!' 'Ja, moeder.'
Roodkapje was nog maar net op weg, toen er vanachter een boom een grote grijze wolf tevoorschijn kwam. 'Goeiemorgen!' zei de wolf. 'Wie ben jij, als ik vragen mag?' 'Roodkapje,' antwoordde ze geschrokken. 'Wees maar niet bang, hoor, ik eet je heus niet op. Daar ben je veel te klein voor hahaha!' lachte de wolf. Toen vroeg hij vriendelijk: ‘Zeg eens, Roodkapje, waar ga je heen op deze mooie dag?' 'Naar Grootmoeder, aan de andere kant van het bos.' 'Zo, zo, Grootmoeder,' lispelde de wolf. 'En woont die helemaal alleen daar?' 'Ja,' zei Roodkapje, 'ze is ziek. Ik breng haar een mandje met lekkers.' 'Lekkers, herhaalde de wolf en likte zijn lippen af. 'Ik moet gaan, want ze zal wel honger hebben. Dag, wolf!' groette Roodkapje hem. Ze draaide zich om en liep vrolijk verder.
'Wacht!' riep de wolf. Met een paar grote sprongen was hij bij haar. 'Waarom neem je niet wat bloemen voor haar mee? Er staan er genoeg hier in het bos.' 'Eh, tja ...' aarzelde Roodkapje, want Grootmoeder hield heel veel van bloemen 'Maar Moeder heeft gezegd dat ik op het pad moet blijven.' 'Om bloemen te plukken hoef je niet van het pad af te gaan,' meende de wolf. 'Ze groeien ook langs de kant. Bovendien zal je grootmoeder er zeker van opvrolijken.'
'Ja, daar heb je gelijk in,' zei Roodkapje. En ze zette haar mandje neer om een mooie bos bloemen te gaan plukken. 'Bedankt, lieve wolf, 't is een goed idee.' 'Niks te danken,' bromde de wolf. 'Goeiedag maar weer!' Terwijl de wolf wegslenterde was Roodkapje al druk aan het plukken. Ze zong: 'Ik ga voor Grootmoeder bloemen plukken, in het bos, in het bos ...'
Toen hij zag dat Roodkapje niet meer naar hem omkeek, zette de wolf het op een lopen. Zo snel hij kon rende hij naar de andere kant van het bos, tot aan het huisje van Grootmoeder, waar hij even uitrustte. Daarna sloop de wolf naar de deur en klopte aan
'Wie is daar?' vroeg Grootmoeder vanuit haar bed. 'Roodkapje,' antwoordde de wolf met een vreemd hoog stemmetje. 'Wie?' vroeg Grootmoeder weer, want ze was een beetje doof. 'Ik ben het, Roodkapje,' piepte de wolf zo hard hij kon. 'Ik kom wat lekkers brengen.' ‘Kom maar binnen, liefje,' zei Grootmoeder. 'De deur is niet op slot. Je moet wel flink duwen, want hij klemt een beetje.' Grootmoeder schrok zich een ongeluk toen ze de wolf zag. Nog voor ze om hulp kon roepen sprong het gemene beest op haar af en slokte haar in één grote hap op. Nu lag alleen de nachtmuts van Grootmoeder nog maar in bed. 'Hmm, dat was lekker,' zei de wolf. 'Maar ze was niet zo groot als ik gedacht had. Eigenlijk lust ik nog wel een hapje.' Hongerig keek hij naar de nachtmuts van Grootmoeder, en kreeg toen een idee
Roodkapje had inderdaad een prachtige bos bloemen geplukt. Ze was er wèl voor van het pad af gegaan, maar daarna had ze stevig doorgelopen. Nu klopte ze op de deur van Grootmoeders huisje. 'Wie is daar?' vroeg een vreemde, beverige stem. 'Ik ben het, Roodkapje,' antwoordde ze verbaasd. 'Maar Grootmoeder, waarom praat u zo raar?' 'Dat komt doordat ik zo ziek ben,' klonk er vanuit het huisje. 'Ja, daarom ben ik ook gekomen,' zei Roodkapje. 'Ik heb een mandje met lekkers bij me en bloemen uit het bos.' 'Kom maar binnen, liefje, de deur is niet op slot.' Roodkapje moest flink duwen, want de deur klemde nogal. Ze stapte naar binnen, maar bleef stilstaan toen ze naar het bed keek ... Grootmoeder moest wel heel erg ziek zijn, dat ze er zo vreemd uitzag
Roodkapje liet van schrik haar bloemen vallen en fluisterde: 'Maar Grootmoeder, wat heeft u een grote oren!' 'Dat is om je beter te kunnen horen,' zei de zieke. 'Maar kom eens wat dichterbij, liefje, want ik kan je haast niet zien.' Roodkapje liep naar het bed toe. Ze zette haar mandje op het voeteneind, terwijl Grootmoeder haar aanstaarde. 'Maar Grootmoeder, wat heeft u een grote ogen!' zei Roodkapje zacht. 'Dat is om je beter te kunnen zien. Maar kom eens wat dichterbij, liefje, dan kan ik je een zoen geven.' Langzaam liep Roodkapje om het bed heen ... Eigenlijk wilde ze Grootmoeder niet zoenen, nu die er zo vreemd uitzag. Maar ze wilde haar zeker geen verdriet doen, dus Roodkapje kwam toch steeds dichterbij. Tot ze opeens zei: 'Maar Grootmoeder, wat heeft u een grote tanden!' 'Dat is om je beter te kunnen OPETEN!' zei de wolf, want die was het natuurlijk al die tijd geweest. Hij sprong overeind en slokte de arme Roodkapje in één hap op
Tevreden wreef de wolf over zijn dikke buik. Hij vond zichzelf erg slim en was zo vol, dat hij niet meer overeind kon komen. Wat maakt het uit, dacht hij. Ik lig lekker hier. Al gauw viel de wolf in een diepe, diepe slaap.
Even later kwam er toevallig een houthakker langs Grootmoeders huisje, waar een zwaar geronk uit klonk. De houthakker wist dat het oude vrouwtje ziek was en hij besloot te gaan kijken of alles wel in orde was. Toen hij de snurkende wolf op het bed zag liggen, begreep de houthakker meteen wat er gebeurd was. Grootmoeder zat ongetwijfeld in de ontzettend dikke buik van het beest. 'Ik zal je wel krijgen, lelijke mensenvreter,' fluisterde de houthakker. Hij sloop naar het bed toe en hief zijn bijl op ... Met één houw hakte hij de kop van de wolf af. Daarna sneed hij met een scherp mes voorzichtig de buik van het beest open. Gelukkig had de wolf in zijn gulzigheid Roodkapje en Grootmoeder in één hap opgeslokt, zodat ze nu weer heelhuids tevoorschijn kwamen.
'Maar Grootmoeder, u heeft zelfs uw bril nog op!' lachte Roodkapje. 'Ja, dat is om je beter te kunnen zien,' zei Grootmoeder. 'Maar kom eens wat dichterbij, m'n lieve, dan kan ik je omhelzen.' Ze vielen elkaar in de armen en Grootmoeder moest huilen, lachen en niezen tegelijk
Toen vierden ze feest. Grootmoeder maakte thee met honing en ze aten alle lekkere koekjes uit het mandje van Roodkapje op. De houthakker zong een vrolijk lied en ze leefden nog lang en gelukkig.
Op een dag zei de moeder van Roodkapje: 'Grootmoeder is ziek; ze zal wel een paar dagen in bed moeten blijven. Ik heb een mandje ingepakt met brood, honing, fruit en lekkere koekjes. Wil jij het naar haar toe brengen?' 'Maar natuurlijk!' zei Roodkapje. 'Die arme Grootmoeder.' Ze trok meteen haar rode cape aan, zette de capuchon op, pakte het mandje, zoende haar moeder, en liep naar buiten
'Roodkapje!' riep de moeder haar achterna. 'Loop een beetje door, want Grootmoeder zal wel honger hebben.' 'Ja, moeder.' 'En blijf op het pad lopen!’ 'Ja, moeder.' 'En kijk goed uit in het bos!' 'Ja, moeder.'
Roodkapje was nog maar net op weg, toen er vanachter een boom een grote grijze wolf tevoorschijn kwam. 'Goeiemorgen!' zei de wolf. 'Wie ben jij, als ik vragen mag?' 'Roodkapje,' antwoordde ze geschrokken. 'Wees maar niet bang, hoor, ik eet je heus niet op. Daar ben je veel te klein voor hahaha!' lachte de wolf. Toen vroeg hij vriendelijk: ‘Zeg eens, Roodkapje, waar ga je heen op deze mooie dag?' 'Naar Grootmoeder, aan de andere kant van het bos.' 'Zo, zo, Grootmoeder,' lispelde de wolf. 'En woont die helemaal alleen daar?' 'Ja,' zei Roodkapje, 'ze is ziek. Ik breng haar een mandje met lekkers.' 'Lekkers, herhaalde de wolf en likte zijn lippen af. 'Ik moet gaan, want ze zal wel honger hebben. Dag, wolf!' groette Roodkapje hem. Ze draaide zich om en liep vrolijk verder.
'Wacht!' riep de wolf. Met een paar grote sprongen was hij bij haar. 'Waarom neem je niet wat bloemen voor haar mee? Er staan er genoeg hier in het bos.' 'Eh, tja ...' aarzelde Roodkapje, want Grootmoeder hield heel veel van bloemen 'Maar Moeder heeft gezegd dat ik op het pad moet blijven.' 'Om bloemen te plukken hoef je niet van het pad af te gaan,' meende de wolf. 'Ze groeien ook langs de kant. Bovendien zal je grootmoeder er zeker van opvrolijken.'
'Ja, daar heb je gelijk in,' zei Roodkapje. En ze zette haar mandje neer om een mooie bos bloemen te gaan plukken. 'Bedankt, lieve wolf, 't is een goed idee.' 'Niks te danken,' bromde de wolf. 'Goeiedag maar weer!' Terwijl de wolf wegslenterde was Roodkapje al druk aan het plukken. Ze zong: 'Ik ga voor Grootmoeder bloemen plukken, in het bos, in het bos ...'
Toen hij zag dat Roodkapje niet meer naar hem omkeek, zette de wolf het op een lopen. Zo snel hij kon rende hij naar de andere kant van het bos, tot aan het huisje van Grootmoeder, waar hij even uitrustte. Daarna sloop de wolf naar de deur en klopte aan
'Wie is daar?' vroeg Grootmoeder vanuit haar bed. 'Roodkapje,' antwoordde de wolf met een vreemd hoog stemmetje. 'Wie?' vroeg Grootmoeder weer, want ze was een beetje doof. 'Ik ben het, Roodkapje,' piepte de wolf zo hard hij kon. 'Ik kom wat lekkers brengen.' ‘Kom maar binnen, liefje,' zei Grootmoeder. 'De deur is niet op slot. Je moet wel flink duwen, want hij klemt een beetje.' Grootmoeder schrok zich een ongeluk toen ze de wolf zag. Nog voor ze om hulp kon roepen sprong het gemene beest op haar af en slokte haar in één grote hap op. Nu lag alleen de nachtmuts van Grootmoeder nog maar in bed. 'Hmm, dat was lekker,' zei de wolf. 'Maar ze was niet zo groot als ik gedacht had. Eigenlijk lust ik nog wel een hapje.' Hongerig keek hij naar de nachtmuts van Grootmoeder, en kreeg toen een idee
Roodkapje had inderdaad een prachtige bos bloemen geplukt. Ze was er wèl voor van het pad af gegaan, maar daarna had ze stevig doorgelopen. Nu klopte ze op de deur van Grootmoeders huisje. 'Wie is daar?' vroeg een vreemde, beverige stem. 'Ik ben het, Roodkapje,' antwoordde ze verbaasd. 'Maar Grootmoeder, waarom praat u zo raar?' 'Dat komt doordat ik zo ziek ben,' klonk er vanuit het huisje. 'Ja, daarom ben ik ook gekomen,' zei Roodkapje. 'Ik heb een mandje met lekkers bij me en bloemen uit het bos.' 'Kom maar binnen, liefje, de deur is niet op slot.' Roodkapje moest flink duwen, want de deur klemde nogal. Ze stapte naar binnen, maar bleef stilstaan toen ze naar het bed keek ... Grootmoeder moest wel heel erg ziek zijn, dat ze er zo vreemd uitzag
Roodkapje liet van schrik haar bloemen vallen en fluisterde: 'Maar Grootmoeder, wat heeft u een grote oren!' 'Dat is om je beter te kunnen horen,' zei de zieke. 'Maar kom eens wat dichterbij, liefje, want ik kan je haast niet zien.' Roodkapje liep naar het bed toe. Ze zette haar mandje op het voeteneind, terwijl Grootmoeder haar aanstaarde. 'Maar Grootmoeder, wat heeft u een grote ogen!' zei Roodkapje zacht. 'Dat is om je beter te kunnen zien. Maar kom eens wat dichterbij, liefje, dan kan ik je een zoen geven.' Langzaam liep Roodkapje om het bed heen ... Eigenlijk wilde ze Grootmoeder niet zoenen, nu die er zo vreemd uitzag. Maar ze wilde haar zeker geen verdriet doen, dus Roodkapje kwam toch steeds dichterbij. Tot ze opeens zei: 'Maar Grootmoeder, wat heeft u een grote tanden!' 'Dat is om je beter te kunnen OPETEN!' zei de wolf, want die was het natuurlijk al die tijd geweest. Hij sprong overeind en slokte de arme Roodkapje in één hap op
Tevreden wreef de wolf over zijn dikke buik. Hij vond zichzelf erg slim en was zo vol, dat hij niet meer overeind kon komen. Wat maakt het uit, dacht hij. Ik lig lekker hier. Al gauw viel de wolf in een diepe, diepe slaap.
Even later kwam er toevallig een houthakker langs Grootmoeders huisje, waar een zwaar geronk uit klonk. De houthakker wist dat het oude vrouwtje ziek was en hij besloot te gaan kijken of alles wel in orde was. Toen hij de snurkende wolf op het bed zag liggen, begreep de houthakker meteen wat er gebeurd was. Grootmoeder zat ongetwijfeld in de ontzettend dikke buik van het beest. 'Ik zal je wel krijgen, lelijke mensenvreter,' fluisterde de houthakker. Hij sloop naar het bed toe en hief zijn bijl op ... Met één houw hakte hij de kop van de wolf af. Daarna sneed hij met een scherp mes voorzichtig de buik van het beest open. Gelukkig had de wolf in zijn gulzigheid Roodkapje en Grootmoeder in één hap opgeslokt, zodat ze nu weer heelhuids tevoorschijn kwamen.
'Maar Grootmoeder, u heeft zelfs uw bril nog op!' lachte Roodkapje. 'Ja, dat is om je beter te kunnen zien,' zei Grootmoeder. 'Maar kom eens wat dichterbij, m'n lieve, dan kan ik je omhelzen.' Ze vielen elkaar in de armen en Grootmoeder moest huilen, lachen en niezen tegelijk
Toen vierden ze feest. Grootmoeder maakte thee met honing en ze aten alle lekkere koekjes uit het mandje van Roodkapje op. De houthakker zong een vrolijk lied en ze leefden nog lang en gelukkig.
Onderwerp
ATU 0333 - Little Red Riding Hood   
AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   
Beschrijving
Moeder waarschuwt Roodkapje om onderweg naar grootmoeder op het pad te blijven en niet te treuzelen. In het bos komt ze de wolf tegen, vertelt dat ze naar grootmoeder gaat en waar ze woont, en laat zich verleiden om bloemen te plukken. Intussen gaat de wolf naar grootmoeders huis, klopt aan, doet de stem van Roodkapje na, kan binnenkomen, eet grootmoeder op, verkleedt zich als grootmoeder en gaat in bed liggen. Als Roodkapje aanklopt doet de wolf de stem van grootmoeder na, Roodkapje verbaast zich over de ogen en tanden van grootmoeder, waarna de wolf haar opeet. De wolf snurkt zo luid dat een houthakker gaat kijken. Als hij de wolf met zijn dikke buik ziet, begrijpt hij wat er is gebeurd. De houthakker houwt met zijn bijl de kop van de wolf af, snijdt de buik open waar Roodkapje en grootmoeder uit komen.
Bron
Rebecca Heller. Roodkapje. Amsterdam: Loeb, [1989]
KB: KW BJ 52455
Collectie Roodkapje/Karsdorp
KB: KW BJ 52455
Collectie Roodkapje/Karsdorp
Motief
B211.2.4 - Speaking wolf.   
J21.5 - ”Do not leave the highway“:   
K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   
Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   
Commentaar
Oorspr. uitg. [S.l.]: Western Publ., 1989
Ills Marsha Winborn
Ills Marsha Winborn
Naam Overig in Tekst
Roodkapje   
Datum Invoer
2019-06-26
