Hoofdtekst
Bij m’n moeder [bons] die lag in de bedstee want die had ’n bedstee, m’n moeder [bons] lag in de bedstee en d’r stond de de ken je wel zo’n, zo’n staand koperen kruis met [Interviewer: Ja] met drie z’n pootje. Je had toch altijd zo’n plank hè, daar stond dat kruis. En de, de kinder-, maar ik weet het niet meer ik ben erbij geweest maar ik heb ‘t niet geweten, want en toen had eh mijn moeder gezegd eh alsof ze ja alsof ze zei: ‘We hebben niet langer meer tijd hè’, zei: ‘Ja nu moet ik goan, want eh ’t kruus dat wenkt me’, zei ze tegen die ander: ‘nu moet ik gaan want m’n eh’, in het plat: ‘nu moet ik goan want het kruus da wenkt me’, en eh toen stak ze de handen uit, ze komt naar voren zegt ze: ‘Ja God, ik kom’, en ze sterft! [bons] [stilte] Nou eh toen helemaal, en was ik, misschien heeft ze ook werkelijk wel God gezien die haar kwam halen. Want ze, daar heeft ze toch naar toegeleefd hè? [Interviewer: Ja, Ja] En dan zeg ze tegen ’t kind: ‘Nou, nu moet ik gaan want eh het kruis wenkt me’, en dan steekt de armen in het kruis en zeg: ‘Ja God, ik kom’, en meteen is ze dood. [bons]
Beschrijving
Moeder ligt in bed, en op een plank naast het bed staat een kruis. Moeder beweert dat het kruis haar wenkt. Ze pakt het kruis met haar armen vast en zegt: 'Ja God, ik kom.' Direct daarna is ze dood.
Bron
Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)
Naam Overig in Tekst
God   

