Hoofdtekst
Mien schoonvader ging ‘saovends met de vrouwe umme un uur of zövvene naor hoes hen. Ton komt ze langs ne boer en ton zeg mien schoonmoder, want zee heurt zon gerammelte: Ut is joo net of ter ne dekkel van ne doodkiste volt. En vear dage later brachten ze den boer dood in hoes, want hee was onder ne kaore met mest terechte ekommene in ne graven en verdronk. Ne ach dage der naor geet de buurte der hen bean en umme stro an böllekes fien te sniene, want dat leggen zea altied onder in de kist. De kiste ston achter op deale en de koo stöt den dekkel umme den achter teggen den enddeure an ston. En ut gaf preceis dat geloed, dat mien schoonmoder eheurd had. Ut was net zo oetekommene.
Beschrijving
Mijn schoonvader ging 's avonds met de vrouw om 7 uur naar huis. Toen ze langs de boer kwamen hoorde mijn schoonmoeder gerammel, alsof er een deksel van een doodskist viel. Vier dagen later vonden ze de boer dood in huis, want hij was onder een kar met mest gekomen in een sloot en verdronken. Na acht dagen ging de buurt erheen. De kist stond op deel en de koe stootte de deksel om. En dat gaf precies dat geluid dat mijn schoonmoeder had gehoord
Bron
Corpus Krosenbrink, verslag 8, verhaal 5 (archief Meertens Instituut)