Hoofdtekst
Rozerood en Lelieblank
In een groot woud woonden vele eeuwen geleden een boschwachter en zijn vrouw, met twee mooie dochtertjes. De oudste der twee, die tien jaar oud was, werd Rozerood genoemd, om haar frische roode kleur en gezonde gestalte. De jongste was in tegenstelling met haar zuster tenger van leden en had een fijne, witte, doorschijnende kleur; ze werd daarom Lelieblank genoemd en was zes jaar oud. Het waren beide lieve meisjes, waarvan de ouders veel plezier hadden. Rozerood hielp haar moeder al ijverig in 't werken. De winter liep ten einde. Toch was het nog erg guur en koud buiten. Als zij 's avonds gegeten hadden, schoven zij genoeglijk rondom den warmen haard. De vader stak dan zijn pijp op; moeder verstelde kleederen; Rozerood breide kousen en Lelieblank speelde met haar pop of naaide een poppenlapje.
Op zekeren stormachtigen avond, dat de regen hevig tegen de vensters kletterde en allen weer gezellig om den haard zaten, werd er een paar maal hard op de voordeur geklopt. De kinderen verschrokken hevig ervan en allen waren benieuwd, wie die late gast mogt zijn. Moeder beval aan Rozerood de deur te openen en niet bang te zijn. Het meisje deed het, toch hoe verschrok ze, toen ze bij het schijnsel van 't licht niet een reiziger, maar een grooten bruinen beer zag. Nog meer was zij verwonderd toen hij begon te spreken.
"Kindlief," zeide hij, "wees niet bang voor mij, ik zal je geen leed doen, maar vraag alleen een onderkomen voor dezen nacht."
Rozerood liep naar binnen en vertelde het aan haar ouders. Daarop werd Bruintje ook binnengelaten en men gaf hem een stoel aan den haard, terwijl de moeder wat eten haalde en versch stroo neven den haard lei, waarop de beer zou slapen. De kinderen hadden veel schik met Bruintje en aaiden en streelden hem over zijn ruige haren.
Toen Bruintje gegeten had en weer bij 't vuur gezeten was, verhaalde hij wie hij was: "Ik woon in een groot hol in 't bosch. Nu wonen er in een grooten berg een vijftigtal booze dwergen; het hoofd ervan is mijn ergsten vijand, die mij nooit met rust laat en als ik dagelijks uit ga mijn voedsel zoeken, achtervolgt hij mij steeds en plaagt mij op allerlei wijzen. Als ik hem vangen wil, is hij mij steeds te vlug af en klautert snel in een boom en vlucht zoo verder. Nu ook was ik uit om voedsel te zoeken; de vijand achtervolgde mij weer met een grooten stok waarmede hij mij dreigde en ben daarom hierheen gevlucht en het is uit vrees voor hem, dat ik niet meer vanavond naar 't hol durf wederkeeren."
Allen hadden het verhaal met groot medelijden aangehoord waarop de boschwachter besloot den anderen dag met verschillende lieden de dwergen te gaan dooden. Den volgenden dag na het ontbijt, en Bruintje na hun hartelijk bedankt te hebben, hoorde men bij het openen der voordeur een akelig gekerm, dat dichtbij uit het bosch kwam. Allen gingen er naar toe, terwijl de boschwachter tevens een bijl meenam. Op de plaats van 't gekerm aangekomen zijnde, zagen zij een lelijke dwerg wiens langen witten baard geraakt was onder een dikken boom, die door den storm omgevallen was. Bruintje herkende in den dwerg zijn ergsten vijand. Deze eveneens erkende ook den beer, doch van de erge pijn riep hij maar om hulp, en riep: "Tracht den boomstam ervan te krijgen, toch snijdt mijn baard niet af, want dan heb ik mijn tooverkracht verloren."
Doch de boschwachter die verheugd was, den leelijkert nu eens te kunnen straffen, sneê den baard toch door. Nu was de dwerg zoo woedend, dat hij op den man wilde aanvliegen, doch deze nam flinks zijn bijl en hakte daarmee den dwerg het hoofd in. Daarop ging de boschwachter even naar huis, haalde kalk en steenen en metselde den eenigen ingang van den berg waarin nog al de andere dwergen waren toe, zoodat al de booze dwergen levend begraven waaren. Nauwelijks was hij hiermede klaar of zie! aan hunne oogen vertoonde zich een schoonen prins in prachtige schitterende kleeding uitgedost.
Nog voor zij iets konden zeggen sprak de prins: "Ik was de beer van zoo even; hartelijk dank ik U voor uw vriendelijk onthaal en voor den grooten dienst, dien gij mij bij 't dooden der dwergen bewezen hebt. Die booze dwerg had mij eens in een beer veranderd en uit mijn slot gedreven, naar een groot hol hier in 't bosch gebracht, waarin ik voortaan moest leven en evenals een beest mijn voedsel zoeken moest. Niet eer zou ik weer een mensch worden vooraleer hij, de dwerg zelf, dood was. Dit nu is geschied. Tot belooning moet gij nu alle vier op mijn kasteel komen wonen en er altijd blijven."
Zij allen hadden het verhaal met belangstelling aangehoord en waren nu zeer blijde [dat] de booze dwergen gedood waren. Ze verkochten hun huis met tuin en gingen op 't slot van den prins leven. Deze vroeg na[ar] eenige jaren de hand van Rozerood, waarop een groote bruiloft plaats had; algemeen was de vreugde, toen weer na eenige jaren Lelieblank trouwde met een broeder van den prins, die ook een prins was en dichtbij een prachtig kasteel bewoonde; ook nu werd een groote bruiloft gevierd en heerschte er weer algemeene vreugde. Voortaan nu leefden allen gerust en tevreden en behoefden noch prinsen, noch burgerluî ooit weer bevreesd te zijn voor de booze dwergen, daar allen zonder uitzondering verdelgd waren.
In een groot woud woonden vele eeuwen geleden een boschwachter en zijn vrouw, met twee mooie dochtertjes. De oudste der twee, die tien jaar oud was, werd Rozerood genoemd, om haar frische roode kleur en gezonde gestalte. De jongste was in tegenstelling met haar zuster tenger van leden en had een fijne, witte, doorschijnende kleur; ze werd daarom Lelieblank genoemd en was zes jaar oud. Het waren beide lieve meisjes, waarvan de ouders veel plezier hadden. Rozerood hielp haar moeder al ijverig in 't werken. De winter liep ten einde. Toch was het nog erg guur en koud buiten. Als zij 's avonds gegeten hadden, schoven zij genoeglijk rondom den warmen haard. De vader stak dan zijn pijp op; moeder verstelde kleederen; Rozerood breide kousen en Lelieblank speelde met haar pop of naaide een poppenlapje.
Op zekeren stormachtigen avond, dat de regen hevig tegen de vensters kletterde en allen weer gezellig om den haard zaten, werd er een paar maal hard op de voordeur geklopt. De kinderen verschrokken hevig ervan en allen waren benieuwd, wie die late gast mogt zijn. Moeder beval aan Rozerood de deur te openen en niet bang te zijn. Het meisje deed het, toch hoe verschrok ze, toen ze bij het schijnsel van 't licht niet een reiziger, maar een grooten bruinen beer zag. Nog meer was zij verwonderd toen hij begon te spreken.
"Kindlief," zeide hij, "wees niet bang voor mij, ik zal je geen leed doen, maar vraag alleen een onderkomen voor dezen nacht."
Rozerood liep naar binnen en vertelde het aan haar ouders. Daarop werd Bruintje ook binnengelaten en men gaf hem een stoel aan den haard, terwijl de moeder wat eten haalde en versch stroo neven den haard lei, waarop de beer zou slapen. De kinderen hadden veel schik met Bruintje en aaiden en streelden hem over zijn ruige haren.
Toen Bruintje gegeten had en weer bij 't vuur gezeten was, verhaalde hij wie hij was: "Ik woon in een groot hol in 't bosch. Nu wonen er in een grooten berg een vijftigtal booze dwergen; het hoofd ervan is mijn ergsten vijand, die mij nooit met rust laat en als ik dagelijks uit ga mijn voedsel zoeken, achtervolgt hij mij steeds en plaagt mij op allerlei wijzen. Als ik hem vangen wil, is hij mij steeds te vlug af en klautert snel in een boom en vlucht zoo verder. Nu ook was ik uit om voedsel te zoeken; de vijand achtervolgde mij weer met een grooten stok waarmede hij mij dreigde en ben daarom hierheen gevlucht en het is uit vrees voor hem, dat ik niet meer vanavond naar 't hol durf wederkeeren."
Allen hadden het verhaal met groot medelijden aangehoord waarop de boschwachter besloot den anderen dag met verschillende lieden de dwergen te gaan dooden. Den volgenden dag na het ontbijt, en Bruintje na hun hartelijk bedankt te hebben, hoorde men bij het openen der voordeur een akelig gekerm, dat dichtbij uit het bosch kwam. Allen gingen er naar toe, terwijl de boschwachter tevens een bijl meenam. Op de plaats van 't gekerm aangekomen zijnde, zagen zij een lelijke dwerg wiens langen witten baard geraakt was onder een dikken boom, die door den storm omgevallen was. Bruintje herkende in den dwerg zijn ergsten vijand. Deze eveneens erkende ook den beer, doch van de erge pijn riep hij maar om hulp, en riep: "Tracht den boomstam ervan te krijgen, toch snijdt mijn baard niet af, want dan heb ik mijn tooverkracht verloren."
Doch de boschwachter die verheugd was, den leelijkert nu eens te kunnen straffen, sneê den baard toch door. Nu was de dwerg zoo woedend, dat hij op den man wilde aanvliegen, doch deze nam flinks zijn bijl en hakte daarmee den dwerg het hoofd in. Daarop ging de boschwachter even naar huis, haalde kalk en steenen en metselde den eenigen ingang van den berg waarin nog al de andere dwergen waren toe, zoodat al de booze dwergen levend begraven waaren. Nauwelijks was hij hiermede klaar of zie! aan hunne oogen vertoonde zich een schoonen prins in prachtige schitterende kleeding uitgedost.
Nog voor zij iets konden zeggen sprak de prins: "Ik was de beer van zoo even; hartelijk dank ik U voor uw vriendelijk onthaal en voor den grooten dienst, dien gij mij bij 't dooden der dwergen bewezen hebt. Die booze dwerg had mij eens in een beer veranderd en uit mijn slot gedreven, naar een groot hol hier in 't bosch gebracht, waarin ik voortaan moest leven en evenals een beest mijn voedsel zoeken moest. Niet eer zou ik weer een mensch worden vooraleer hij, de dwerg zelf, dood was. Dit nu is geschied. Tot belooning moet gij nu alle vier op mijn kasteel komen wonen en er altijd blijven."
Zij allen hadden het verhaal met belangstelling aangehoord en waren nu zeer blijde [dat] de booze dwergen gedood waren. Ze verkochten hun huis met tuin en gingen op 't slot van den prins leven. Deze vroeg na[ar] eenige jaren de hand van Rozerood, waarop een groote bruiloft plaats had; algemeen was de vreugde, toen weer na eenige jaren Lelieblank trouwde met een broeder van den prins, die ook een prins was en dichtbij een prachtig kasteel bewoonde; ook nu werd een groote bruiloft gevierd en heerschte er weer algemeene vreugde. Voortaan nu leefden allen gerust en tevreden en behoefden noch prinsen, noch burgerluî ooit weer bevreesd te zijn voor de booze dwergen, daar allen zonder uitzondering verdelgd waren.
Onderwerp
AT 0426 - The Two Girls, the Bear, and the Dwarf   
ATU 0426 - The Two Girls, the Bear, and the Dwarf.   
Beschrijving
Een boswachter en zijn vrouw hebben twee mooie dochters. Op een dag wordt er op de deur geklopt. Als de deur opengaat zien ze een beer die onderdak bij hen vraagt. De beer vertelt dat hij achterna werd gezeten door een boze dwerg. De volgende dag horen ze gekerm uit het bos komen. Als ze gaan kijken zien ze dat de boze dwerg op de grond ligt met een omgevallen boom op zijn lange baard. Hij vertelt dat zijn baard niet afgeknipt mag worden omdat hij dan zijn toverkracht verliest. De boswachter wil de beer van zijn kwelgeest verlossen en daarom snijdt hij de dwerg zijn baard af. Vervolgens hakt met zijn bijl in het hoofd van de dwerg. De berg waarin alle andere dwergen wonen, wordt dichtgemetseld zodat de dwergen sterven. De beer verandert in een jonge prins. Hij vertelt dat de dwerg hem in een beer had omgetoverd, maar dat nu de betovering verbroken is. De oudste dochter trouwt met de prins, en de jongste dochter trouwt met de broer van de prins.
Bron
Collectie Boekenoogen (archief Meertens Instituut)
Commentaar
20 juni 1892
The Two Girls, the Bear and the Dwarf
Naam Overig in Tekst
Roozerood (Rozerood)   
Lelieblank   
Bruintje   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
