Hoofdtekst
Wanneer men van de kom van Eersel de zandweg volgt langs de zogenaamde drietip naar het gehucht Dalem te Hapert, komt men langs het zogenaamde Hof. In vroegere eeuwen stond daar een kasteel dat toebehoorde aan een familie Merkelbach, waarvan nog afstammelingen leven te Sint-Oederode en in het land der Belgen. Die zandweg heette de Eerselse dijk. En gedeeltelijk dichtgedempte grachten en hazelnotenstruiken wijzen ons de plek aan waar eenmaal dat kasteel stond. In het laatst van de zeventiende en ’t begin van de achttiende eeuw stond dat kasteel ledig. Het werd toen niet bewoond en het spookte er. En niemand had de durf het te betreden, laat staan er te overnachten. Maar een zekere Jan, die twintig jaren lang had gediend in de legers van de Franse zonnekoning Lodewijk XIV, en die daarin vele veldtochten en veldslagen had meegemaakt, en bijgevolg van geen klein geruchtje vervaard was, durfde wel eens te onderzoeken wat van die spokerij aldaar waarheid was. Hij zou dat zaakje wel eens opknappen. Op een avond begaf hij zich dan naar het kasteel, nam plaats bij de haard, legde een vuur aan en begon pannenkoeken te bakken, in afwachting van de dingen die zouden komen. Toen de eerste pannenkoek gaar was… plof... daar viel een mensenbot door de schoorsteen in de pan. Een ontvleesd mensenbot. Jan smeet het bot en de pannenkoek in een hoek van het vertrek en zette zijn bakkerij voort. Maar een tweede been plofde naar beneden in de pan en Jan wierp ook deze bij de eerste. Zo ging het voort en achtereenvolgens kwamen de armen, dan de ribbenkast en eindelijk de schedel naar beneden. En de dappere Jan smeet alles op een hoop in een hoek en bakte zijn zevende pannenkoek. En toen deze laatste gaar was en Jan een zijdelingse blik wierp naar de hoek, bemerkte hij dat er beweging kwam in de vormeloze massa die zich had vervormd in een volledig geraamte. Wel, magere Hein! riep Jan. Lust jij soms ook een pannenkoek? Maar het geraamte zweeg en Jan smeet koek en pan in het gezicht van de geest. Zeg, als je niet spreekt, dan zal ik je eens leren dansen! zei Jan. Op hetzelfde ogenblik sloeg de torenklok van het naburige Duizel haar twaalf doffe slagen en de geest naderde ratelend en rammelend onze Jan. Doe die deur open! gebood het geraamte op de kelderdeur wijzend. Doe het zelf, als ge niet te lui bent! was het antwoord van Jan. En het spook gehoorzaamde. Daal die trap af! was het tweede bevel. Doe het zelf! antwoordde Jan. En de geest gehoorzaamde opnieuw en Jan volgde hem. In de kelder gekomen wees het geraamte Jan op een blauwe, zware steen in de vloer en beval aan Jan die steen op te heffen. Maar Jan weigerde opnieuw, en zei: Legt het zelf op, als ge het kunt! Het spook deed het. En wat zag Jan: drie volle kisten met goud gevuld. Zie, zei het spook. Dat alles heeft mij toebehoord toen ik dit kasteel bewoonde, maar ik heb er geen goed gebruik van gemaakt. Daarom moet ik thans branden en ik moet elke avond hier verschijnen totdat iemand aan dat geld een goede bestemming geeft. Neem gij het, de eerste kist is voor jou, de tweede voor den armen, en de derde voor de Kerk. Daarop verdween de geest en Jan ging rijkbeladen naar zijn moeder.