Hoofdtekst
Er was eens een man en die kon de huur van zijn huis niet betalen.
De huisheer zei: "Hoor eens, Jan, als jij de huur niet kunt betalen dan moet je er maar uit."
"Ach," zei Jan tegen zijn vrouw; "dan moeten we onze eenige koe maar slachten. Dan hebben we weêr wat om te eten en het vel kunnen we verkoopen en [er] de huishuur - al is 't maar voor een deel - van betalen."
Hij ging met het vel naar de markt. Hij had al drie uren in regen en wind daar gestaan, maar er kwam niemand naar het vel kijken. 't Begon al avond te worden en hij wist geen raad. Vlak om waar hij stond waren de vensters van het stadhuis. Er brandde licht in een van de zalen en de Heeren van 't stadhuis zaten een massa geld te tellen.
Jan dacht: "Ik wou dat ik dat geld had."
Hij bedacht zich niet lang, klom in het beestenvel en vloog de trappen van 't stadhuis op. De heeren ontstelden hevig voor dezen stampenden en brullenden stier, liepen weg en lieten geld en al in de steek. Jan kroop gauw uit het vel en vulde dat met geld, dat hij naar huis bracht.
"Vrouw," zei hij, "leen bij de buurman de aardappelenmaat eens, ik wil het geld er mee meten."
De vrouw haalde de maat en Jan meette drie spint geld aan kleingeld, dubbeltjes en kwartjes. Den volgenden dag ging hij de huishuur betalen.
"Wel," zei de huisheer, "Jan, hoe kom je aan zooveel geld?"
"Ja, mijnheer, ik heb een beest geslacht en de vellen zijn duur aan de markt."
"Zoo?"
"Ja, drie spint geld (!!!!) kreeg ik ervoor."
"Nu," zei de huisbaas, "dan zal ik ook twee beestenvellen op de markt verkoopen."
En hij stuurde zijn knecht naar de markt met de vellen van zijn twee beste melkkoeien. Toen deze met de vellen op de markt stond, kwam een Jood vragen hoeveel hij ervoor moest hebben.
"Drie spint, Mijnheer de Jood."
"Naeh, dat heb ik met mijn heele familie niet, drie spint geld."
En zoo ging de knecht met de vellen weer naar huis.
"Niet verkocht?"
"Neen, Mijnheer, ze wilden nog geen f 10,- geven, de Jood bood mij f 2,-"
Daar ging Mijnheer naar Jan toe, maar Jan had hem zien aankomen en zei tegen zijn vrouw: "Jij moet ook wat tegen mij mopperen, en zeggen dat ik slecht ben, dan zal ik je dood steken, wacht, laat ik den darm met bloed onder je kleeren wegstoppen, dan steek ik daarin met het mes."
"Wel foei, Jan," zegt Mijnheer, "wat ben jij een leugenaar om iemand zoo te bedriegen!"
"Ja!" riep de vrouw, "Jan is een gemeene vent. Hij deugt niet, hij liegt tegen mij ook altijd."
"Zoo," zegt Jan, "ondeugend wijf."
Hij nam een mes en stak haar: het bloed stroomde en ze viel achterover.
"Nu Jan," zegt Mijnheer, "dat is nu wat moois, daar heb je nu je vrouw dood gestoken."
"O," zegt Jan, "Mijnheer, dat is niets."
Hij nam een gewoon centsfluitje en floot er drie maal op en toen leefde de vrouw weer.
"Gunst Jan, dat fluitje moet je mij verkoopen."
"Neen," zei Jan, "stellig niet."
"Och, toe maar."
"Nu," zei Jan, "voor f 1000,- kunt u het fluitje krijgen."
Nu ging Mijnheer, die anders nooit zoiets deed, naar de herberg en dronk zich dronken en ging toen naar huis.
Zijn vrouw zei: "Man, ben je gek geworden, wat is dat voor gemeene manier van doen, eerst zomaar twee vette melkkoeên te gelijk slachten en dan 't geld in de herberg er doorbrengen? 't Is schande."
"Hou je stil, mensch, of ik steek je dood." Want daar had hij nu erg lust in nu hij toch het fluitje had waarop hij maar drie maal hoefde blazen om haar weer levend te krijgen. Hij maakte zoolang ruzie totdat zijn vrouw zei: "Vent, je bent dronken!" En toen stak hij haar dood.
"Dat is niets," dacht hij en begon te fluiten. Drie maal, zes maal en nog meer, maar 't gaf niets: 't mensch was dood.
In woede vloog hij naar Jan. "Jan, bedrieger, je hebt weer alles gejokt."
Jan had hem weer zien aankomen en de pot met erwtensoep stond te borrelen op het vuur.
"Vrouw," zei hij, "daar komt de huisheer, zet gauw de pot achter de deur, die soep blijft nog wel wat doorkooken, hij is erg aan de kook."
"Jan, wat is daar in die pot wat zoo kookt?"
"Ja, Mijnheer, wij kooken in die kunstpot altijd zoomaar zonder vuur, zetten de pot maar achter de deur, dan kookt hij vanzelf."
"Wat vraag je voor de pot? Want nu mijn vrouw dood is, moet de meid al het werk alleen doen en zal ze het heel gemakkelijk vinden om de pot zonder vuur te kooken."
"Ja," zei Jan, "een zak vol geld, want zoo'n pot is wat waard. Ik moet nu weer altijd hout en turf koopen."
Mijnheer nam de pot mee naar huis en zei tegen de meid dat ze er de aardappels en 't andere eten maar in moest doen en de pot achter de deur zetten, dan werd het wel vanzelf gaar.
"Ja," dacht de meid, "Jan zal je wel weer gefopt hebben." Maar ze was gehoorzaam en zette de pot achter de deur. Ze keek er gedurig eens in, maar de aardappels bleven even rauw als ze waren. Toen Mijnheer 's middags te huis kwam en eten wilde, zag hij dat Jan hem bedrogen had en het een heele gewone pot was.
Mijnheer weer naar Jan: "Dat is toch te erg met jou, nu heb je weer bedrogen. Nu is mijn geduld uit en moet je maar verdronken worden."
Ze bonden Jan in een zak en sleepten hem naar 't water, maar 't was een heel vrachtje geweest en Mijnheer nam eerst de knechts meê naar binnen in de herberg om een glas bier te drinken. Zij lieten Jan zoolang in de zak bij het water liggen. Jan had alles gehoord, maar kon de zak niet uit.
Hij begon in de zak hardop: "Wie wil 's Konings dochter trouwen? Wie wil 's Konings dochter trouwen?"
Toen kwam er een boer met een troep schapen voorbij en ging naar de zak en zei tegen Jan: "Dat wil ik wel."
"Goed," zei Jan, "ik wou niet; daarom willen ze mij verdrinken. Maak de zak maar los."
Dat deed de boer en kroop in de zak die Jan stevig digtbond.
De mannen kwamen uit de herberg terug en de boer schreeuwde zoo hard als hij kon: "Ja, ik wil wel!" Nu zeiden zij: "Dat is goed ook, dat je wel wilt, want je moet toch;" en gooiden hem zoo in 't water, waarin de boer verdronk.
Jan was intusschen met de schapen naar huis gegaan. 's Middags komt Jan Mijnheer tegen.
"Wel hemel, Jan, waar kom jij vandaan? Ben jij het zelf?"
"Welja," zei Jan, "ik zal u vertellen waar ik vandaan kom. Daar onder in de gracht was van alles, nee maar zoo prachtig, u kunt het niet gelooven, van alles wilden ze me geven, ook een rijtuig met zes paarden, maar dat kon ik er alleen niet uitkrijgen."
"Half mijn," zei Mijnheer, "Jan, dan zal ik je wel helpen."
"Goed", zei Jan, "kruip dan maar in de zak, ik zal er zoo wel inspringen."
Mijnheer kroop in de zak. Jan rolde hem in 't water en Mijnheer verdronk.
Onderwerp
AT 1535 - The Rich and the poor Peasant   
ATU 1535 - The Rich and the Poor Farmer.   
Beschrijving
Bron
Motief
K113 - Pseudo-magic resuscitating object sold.   
K112.1 - Alleged self-cooking kettle sold.   
K842 - Dupe persuaded to take prisoner‘s place in a sack: killed.   
Commentaar
Kunstpot!
Hier in Gelderland van mijn dienstbode, zooals ik trouwens aanteekende*), zij van haar vader, die van den zijne en die grootvader vertelde er al geregeld bij, dat zijn vader ze hem vertelde (dus de overgrootvader van de meid). Zoover zij weet, waren allen uit Gelderland! "Kleine Klaas (ze zegt Klaus) en grote Klaas" kende ze ook.
* Heel oud verhaal door een grootvader en later door een vader dikwijls verteld (aan de meid).
Naam Overig in Tekst
Jan   
Mijnheer   
Jood   
