Hoofdtekst
Maar nog eentje.
Daar was een jongen en die had verkering.
En die weerwolf...... Dan waren ze weerwolf en dan hadden zo 'n stuk vel, hè, hadden die dan, die lui. Zegt hij toen dan tegen zijn meisje..............
En die kregen dan die dingesse......ja,....... die neiging.......ja, hoe moet ik dat zeggen, .......dat ze dan voelden, dat ze dan weerwolf werden, zal ik maar pakken, hè.
Toen zei hij tegen dat meisje, als de weerwolf nu naar je toekomt,...... hier, zei hij, en toen gaf hij hem dat,.... gooi dat naar hem toe en dan grijpt hij dat en dan loopt hij weg, hè.
't Was goed. Toen kwamen ze dan in een afgelegen dingesse, ook geen verlichting, zoals we het zo net ook hadden.
Hij zegt, ik moet urineren, zegt hij, rechtuit gezegd, hè. Hier als hij soms naar je toekomt, gooi dit naar hem toe, dan gaat hij weg. Ga jij maar langzaam door, hè, zei hij tegen z'n meisje.
't Meisje gaat door, hè, en hij gaat wat terug, blijft iets achter, hè, en tussen die bedrijven door kwam de weerwolf aangerennen. Toen smeet het meisje hem dat ding toe en toen greep hij dat en toen liep hij hard weg.
Toen de jongen eventjes later weer bij het meisje kwam zei dit: een geluk dat je me dat doosje had gegeven, de weerwolf kwam zo juist op me af.
vr. van wie hebt U dit verhaal?
a . alles wat ik U vertel komt van mijn vader.
vr. waar is dit gebeurd?
a. hier in Schimmert.
Daar was een jongen en die had verkering.
En die weerwolf...... Dan waren ze weerwolf en dan hadden zo 'n stuk vel, hè, hadden die dan, die lui. Zegt hij toen dan tegen zijn meisje..............
En die kregen dan die dingesse......ja,....... die neiging.......ja, hoe moet ik dat zeggen, .......dat ze dan voelden, dat ze dan weerwolf werden, zal ik maar pakken, hè.
Toen zei hij tegen dat meisje, als de weerwolf nu naar je toekomt,...... hier, zei hij, en toen gaf hij hem dat,.... gooi dat naar hem toe en dan grijpt hij dat en dan loopt hij weg, hè.
't Was goed. Toen kwamen ze dan in een afgelegen dingesse, ook geen verlichting, zoals we het zo net ook hadden.
Hij zegt, ik moet urineren, zegt hij, rechtuit gezegd, hè. Hier als hij soms naar je toekomt, gooi dit naar hem toe, dan gaat hij weg. Ga jij maar langzaam door, hè, zei hij tegen z'n meisje.
't Meisje gaat door, hè, en hij gaat wat terug, blijft iets achter, hè, en tussen die bedrijven door kwam de weerwolf aangerennen. Toen smeet het meisje hem dat ding toe en toen greep hij dat en toen liep hij hard weg.
Toen de jongen eventjes later weer bij het meisje kwam zei dit: een geluk dat je me dat doosje had gegeven, de weerwolf kwam zo juist op me af.
vr. van wie hebt U dit verhaal?
a . alles wat ik U vertel komt van mijn vader.
vr. waar is dit gebeurd?
a. hier in Schimmert.
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
Beschrijving
Jongen krijgt gevoel te moeten weerwolven, geeft op wandeling meisje een doosje dat ze naar de weerwolf moet gooien en verwijderd zich. Weerwolf komt op meisje af, dat het doosje naar hem gooit. Weerwolf verdwijnt, jongen komt terug.
Bron
Collectie Brouwers, verslag 25, verhaal 7 (Archief Meertens Instituut)
Naam Locatie in Tekst
Schimmert   
Plaats van Handelen
Schimmert   
