Hoofdtekst
Op het eiland Voorne wordt al eeuwenlang een legende verteld, waarvan de hoofdpersoon een inwoner van Rockanje moet zijn geweest. De man, laten we hem Hendriks noemen, was een van de rijkste boeren in de streek. Hij had uitgestrekte velden en een stal vol paarden en koeien. Hij woonde in een groot huis en werd uitstekend verzorgd door zijn vrouw, maar ondanks dat keek hij altijd nors. De dorpelingen hadden niets met zo’n chagrijn en lieten hem links liggen. Ze hadden medelijden met de arme man die zo weinig plezier had in zijn leven. Ze hadden nog meer medelijden met de boerin, die haar lot ook weinig benijdenswaardig vond en vaak piekerde over waarom haar man nooit eens kon lachen. Wat ze ook deed om zijn leven aangenaam te maken, en hoe ze ook haar best deed om hem grappige verhalen te vertellen, zijn gezicht bleef altijd strak en serieus, en een vriendelijk woord kwam er bijna nooit uit.
Op een dag was er een jaarmarkt in Den Briel. Mensen van over het hele eiland Voorne kwamen naar het oude stadje om inkopen te doen en zich te vermaken op het kermisterrein waar veel tenten waren opgezet. Ook die keer was de opkomst groot. Al vroeg in de ochtend hadden boer Hendriks en zijn vrouw Rockanje verlaten. De boerin had haar mooiste kleren aangetrokken, de boer had Bruin, het paard, extra goed verzorgd en ervoor gezorgd dat de jachtwagen waarin de reis werd gemaakt, glom en blonk.
In Den Briel aangekomen, werden paard en rijtuig gestald. De boer ging op weg om de notaris te spreken met wie hij zaken had te doen; en de boerin zou proberen de eieren kwijt te raken, die ze in een grote mand hadden meegenomen. Ze waren dik en supervers; en het duurde dan ook niet lang voordat het laatste ei was verdwenen. De vrouw had met haar man afgesproken dat ze elkaar in de herberg zouden ontmoeten. Op weg daarheen, kon ze de verleiding niet weerstaan om even een kijkje te nemen op het kermisterrein. De boer moest niets hebben van de drukte en de vrolijkheid die daar heersten, maar zij vond het erg gezellig om langs de kraampjes en tenten te lopen.
Terwijl ze rondkeek, kwam ze uiteindelijk bij een tentje waarop met grote letters stond geschilderd: “Hier verkoopt men lachzaad.” “Lachzaad? Lachzaad?” dacht de vrouw, “wat zou dat in vredesnaam zijn.” Ze bleef even stilstaan en bijna op hetzelfde moment kwam er een man uit het tentje, die op zijn pikzwarte krullende haar een breedgerande, rode vilten hoed droeg, versierd met een grijze zijden sjaal.
Zijn lange, magere gestalte was gehuld in een roodfluwelen gewaad met hermelijn afgezet. Hij had een lange zwarte baard en grote donkere ogen. Nadat hij even in gedachten verzonken in de tent was blijven staan, haalde hij een trompet tevoorschijn en begon erop te blazen. Meteen kwamen er van alle kanten nieuwsgierige mensen toestromen. Toen er een grote menigte was verzameld, legde de man de trompet neer en riep zo hard hij kon: “Boeren, burgers en buitenlui. Ik heet u welkom in de oude stad Den Briel en ik kom u het prettige nieuws brengen dat u bij mij voor weinig geld gezondheid kunt kopen. Breng geen guldens naar de dokters, als u voor enkele stuivers geholpen kunt worden. Ik ben in staat zieken te genezen en gezonden nog meer levenskracht te geven dan ze al hebben. Hoe ik dat doe? Och, het is doodsimpel. Ik laat u lachen, en al sinds de oudste tijden weet iedere sterveling dat je met lachen alle kwalen kunt genezen, en dat je door veel en hartelijk te lachen, gezond zal blijven tot in lengte van dagen. Alles goed en wel, zult u nu bij uzelf denken, maar er is zo weinig te lachen. Daar ben ik het met u eens, geachte boeren, burgers en buitenlui; en daarom heb ik voor een middel gezorgd dat u laat lachen of u wilt of niet. Op mijn jarenlange reizen door de donkerste delen van Afrika heb ik een plant ontdekt, waarvan het zaad de kracht heeft om mensen te laten lachen. En wie dat eenmaal heeft gedaan, zal zelf ervaren hoe heerlijk het is, en dus in de toekomst zoveel mogelijk de prettige kant van alle dingen proberen te vinden. Elke dag een boterham of een bord pap van lachzaad, en de ziekte is de wereld uit. Natuurlijk willen de dokters van dit middel niets weten. Wat zouden zij moeten beginnen als het door iedereen werd gebruikt? Maar ik zeg u, mensen, als u verstandig bent, neemt u een paar pond lachzaad mee naar huis. Zodra de jaarmarkt hier in Den Briel is afgelopen, ga ik in Hellevoetsluis aan boord, om in Afrika weer nieuwe voorraden zaad te zoeken. Het zal maanden, misschien wel jaren duren, voordat ik terug ben. Wees dus verstandig en sla nu een voorraad lachzaad in. Het zal u niet berouwen.”
Eerlijk gezegd, lachten de toeschouwers de kwakzalver die over zo’n geweldige woordenstroom beschikte, een beetje uit. Ze vonden het leuk om naar zijn gezwets te luisteren maar hadden geen vertrouwen in zijn koopwaar. De enige die er anders over dacht, was mevrouw Hendriks. “Stel je voor”, mompelde ze bij zichzelf, “dat lachzaadpap mijn man vrolijk kon maken, wat zou ik dan voortaan een heerlijk leven hebben.” Een beetje verlegen omdat iedereen naar haar keek, liet ze de kwakzalver tien pond van het zaad dat verbazingwekkend veel op gewone haver leek, afwegen en met de zak in haar mand ging ze naar de herberg, waar de boer al ongeduldig op haar zat te wachten. Zwijgend, zoals dit bij het tweetal gewoonte was, reden de boer en de boerin terug naar Rockanje. Onderweg bracht de vrouw even het gesprek op de wonderlijke koopman, maar nog voordat ze kon zeggen wat hij had aangeprezen, snauwde de boer haar al toe dat hij over zijn zaken moest nadenken en dus niet van die flauwe verhalen gediend was.
Thuisgekomen, gooide de boerin het lachzaad in een lege haverzak en borg die in de stal. Die avond moest de boer naar een buurman om over de aankoop van een koe te praten. “Geef de paarden nog een handvol haver”, zei hij bij het verlaten van zijn woning tegen de knecht, “ze hebben vandaag geen al te royale portie gehad.” De knecht deed wat hem was bevolen. In het donker greep de knecht naar de eerste de beste zak en gooide die leeg in de ruif, zonder te vermoeden dat hij de dieren het lachzaad van de kwakzalver had gegeven.
Even later kwam de boerin de stal binnen. Omdat er geen licht was, en ze het altijd gevaarlijk vond om met een lantaarn tussen het hooi te lopen, deed ze op goed geluk een greep in de zak die, naar ze dacht, het lachzaad bevatte. Zonder het meegenomen zaad nader te bekijken, stortte ze het, eenmaal terug in de keuken, in de koffiemolen en maalde het fijn om er pap van te maken die ze de boer bij zijn terugkeer voorzette. De man at een paar lepels, schoof toen het bord van zich af en vroeg op zijn gebruikelijke norse toon wat ze hem eigenlijk had voorgezet. “Smaakt het niet?” vroeg de boerin verschrikt. “Och,” was zijn antwoord, “dat zal ik niet zeggen. Het is best te eten, maar toch een ander soort pap dan ik gewend ben.” De vrouw antwoordde niet; de boer lepelde zijn bord leeg en ging toen naar bed. De boerin volgde zijn voorbeeld en viel tevreden in slaap, in de vaste overtuiging dat haar man haar de volgende ochtend lachend goedemorgen zou wensen.
De ochtend brak aan, maar wat hij ook bracht: géén lachende boer. Integendeel. Nauwelijks had Hendriks zijn benen buiten bed gestoken of hij begon, erger nog dan anders, te grommen en te snauwen. Terwijl man en vrouw aan het ontbijt zaten, kwam de knecht de keuken binnenlopen met de woorden: “Och baas, ga dadelijk even mee, de paarden doen zo gek, ik weet echt niet wat er aan de hand is.” “Wat zullen we nu weer hebben,” gromde de boer, “vast niet veel goeds.” Met gefronste wenkbrauwen en diepe rimpels in zijn voorhoofd liep hij met de knecht mee. In de stal wachtte hem inderdaad een wonderlijk schouwspel. Zodra de paarden hem zagen, begonnen ze niet, zoals gewoonlijk, te hinniken, maar barstten ze in schaterlachen uit. Eerst dacht de eigenaar nog dat een paar grappenmakers zich in de stal hadden verstopt om hem een poets te bakken, maar al snel begreep hij dat het inderdaad de paarden waren die het uitschaterden.
En het ergste was nog dat er geen einde kwam aan het gelach. De veearts, die de boer in zijn radeloosheid had laten halen, zat met het geval in zijn maag en in de hele omgeving was niemand die er een verklaring voor wist te vinden. De enige die het raadsel had kunnen oplossen, was de boerin. Zij hield echter haar mond; dankbaar dat niemand zich herinnerde hoe zij op de markt in Den Briel lachzaad had gekocht. Uiteindelijk was ze blij dat haar man op de bewuste avond, naar nu bleek, doodgewone haverpap had gegeten. Het mocht dan niet prettig zijn om altijd tegen een nors gezicht aan te kijken; een eeuwig schaterende huisgenoot leek haar nog minder wenselijk. En intussen waren de paarden maar niet tot bedaren te brengen. Hun schateren maakte de boer zo nerveus dat hij probeerde ze te verkopen. Toen niemand van de dieren gediend bleek, joeg hij de dieren meedogenloos de stal uit. Volgens de legende hebben de viervoeters geruime tijd op het eiland Voorne gezworven om uiteindelijk in de Noordzee te springen. Men beweert dat ze naar een voorbijzeilend schip zwommen en door de bemanning aan boord werden gehesen. Wat er verder met hen gebeurde, weet niemand te vertellen. Wel herinneren ouderen zich dat er zo’n zeventig jaar geleden in Rockanje een herberg was, waarvan het uithangbord twee paarden toonde die hun bek wijd open hadden en elk een rij grote dubbele tanden lieten zien, maar ook deze laatste herinnering aan de norse boer die niet kon lachen, is sinds lang verdwenen.
Beschrijving
Bron
Motief
B214.3 - Laughing animal.   
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Zuid-Hollands   
Voorne   
Rockanje   
De Waal   
Hendriks   
Den Briel   
Brielle   
Bruin   
Afrika   
Hellevoetsluis   
Noordzee   
Naam Locatie in Tekst
Rockanje   
