Hoofdtekst
"Ze kwamen uit Duitsland", zei Graad, "ze waren helemaal niet katholiek, maar op en top heidens. Wat ze 's nachts uithaalden, dat kon Joost weten, maar ook overdag konden ze toveren van jewelste. Vaak kwamen ze op een voormiddag op 'n boerderij, als de boerin de pot aan 't koken was. En dan was het 't gewone kunstje van haar, om het spek, dat de boerin op de potage gelegd had, uit de pot te toveren. Een boerin in de Laren, bij wie ze dat ooit gelapt hadden, zag op 'n morgen weer zo'n witvrouwke aankomen. Vlug lei ze een halve schoenzool op de potage. En 't was wel zo. Toen 't witvrouwke weg was, was de zool verdwenen... er uit getoverd. Op de namiddag kwam hetzelfde witvrouwke weer langs en door de halfgeopende deur zong ze: "Vrouwke, nou ben ik waarachtig al honderd en tien, maar nog nooit heb ik een leren lap in de potage gezien." De boerin had ze nog willen naroepen: "Ge bent nooit te oud om te leren!", maar ze was al weg. Een nog sterker toverkunst was, dat ze een kleine van hen van zes of zeven jaar tot een baby kon maken. Dan kwam een witvrouwke met zo'n nagemaakte baby op de arm naar een huis, en legde hem daar in de plaats van de echte baby in de wieg. De nieuwe baby dronk melk, zoals de vrouwen het nog nooit hadden gezien, tot een witvrouwke hem na een tijd weer kwam verwisselen met de echte. Eens was er zo een al maanden in huis, en hij groeide als kool, maar wat ze ook deden, praten konden ze hem niet leren, geen enkel woordje. De vrouwen in de Laren besloten toen, om er mee naar de Oude Nonnen in Uden te gaan. Bij de bergen kwamen ze een ander witvrouwke tegen. Dit keek heel verwonderd en zei: "Kroebeltje, waar ga je nou naar toe? Ze laten je toch zeker niet dopen?" Toen schoot de baby overeind en zei: "Nee, ik ga naar de Oude Nonnen om praten te leren." De vrouw uit de Laren liet toen de baby vallen als een baksteen, en zei: "Der, lelijke heks, we hebben jou al te lang gevoed en gedragen." Zo'n kunsten haalden ze uit overdag, en 's avonds als het pikdonker was, spookten ze als witte gedaanten over de wegen. Maar 't moet gebeurd zijn, dat een boer, die geen schrik had, z'n knoestige stok deed neerkomen op de schouder van een witvrouwke, zodat dit luidkermend wegsprong over de akkers. 't Schijnt, dat niet lang daarna de witvrouwkes besloten terug te gaan naar Duitsland. Ze gingen binnendoor naar Gemert, maar bij het rand van heuvelberg was er een witvrouwke - men kon niet schatten, hoe oud ze was - dat de tocht niet verder kon maken. De witvrouwkes kwamen toen aan een boerderij een schop lenen. "Ik wil toch eens weten, wat ze nu uitspoken", dacht de boer, en hij keek het van verre af. Hij zag goed, dat het oud vrouwke nog benen en armen bewoog. Maar de witvrouwkes stonden om de kuil die ze gegraven hadden, en spraken: "Kroep er maar in, allerliefst moederke, op de jongste dag zult ge wieder aussteigen." "want ze spraken nog altijd half-Duits", zei Graad.
Onderwerp
SINSAG 0310 - Andere Erscheinungen von Weissen Frauen
  
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Witvrouwkes   
Graard   
Joost   
de Laren   
Kroebeltje   
Oude Nonnen   
Heuvelsberg   
Naam Locatie in Tekst
Duitsland   
Uden   
Gemert   
