Hoofdtekst
I Dus wat ze van de heksen vertelden.5 Van vroeger van heksen? Het waren heksen en het waren weerwolven. Was dat nu hetzelfde heksen en weerwolven? Dat weet ik niet. Maar ik weet wel dat - ik zal het eens zeggen, wacht - dat een nonkel van mij (= † Jan Hertogen, Putstraat), dus een broer van mijn ma (= † Agnes Lenaerts - Hertogen, Bolderstraat 20), die waren afkomstig van Riemst, die woonden in Riemst. En dat was een nonkel, ja, in zijn jeugdige jaren, een jongen, was niet getrouwd, had geen verkering en die ging gewoonlijk zo zitten bij vrienden ’s avonds. D’r bestond ook nog geen T.V. En die had dan de gewoonte, dat was in de winteravonden, zo elke avond eens weg te gaan. En daar waar ze woonden in Riemst - nu is het de Putstraat - dat was vroeger zo’n straatje (met) allemaal grachten daarlangs, ‘volgewassen’ (= volledig met gewas begroeid) gelijk (dat dat vroeger was). Maar nu is dat bebouwd. En dan kwam die gewoonlijk, die moest daar langs de kerk af, tot onder (aan de Putstraat). En elke keer als hij daar afkwam, volgde hem een grote, zwarte hond. Een grote zwarte hond. En op een gegeven moment kwam die uit een wei of iets en dan volgde die (hond mijne nonkel). En hij had altijd schrik om iets te doen tegen die hond. Hij ging gewoon verder en hij ging thuis en hij liet de hond voor wat hij was. Tot op een zekere keer volgde hem de hond weer en als hij toch bijna thuis was, draaide hij zich om en maakte zich kwaad op de hond. En die hond veranderde in een man. Zo heb ik het ook maar gehoord. En die wist niet, die jonge gast, hoe vlug (hij thuis moest geraken). Hij had door de deur kunnen ‘klatse’ (= springen) van de schrik. "Ma doet open!" Zo ging dat (geroep van die jongen). En die vrouw (= † Hertogen, haar grootmoeder dus) binnen, die had zich verschrokken, zo lelijk deed die. Omdat die toen (in plaats) van die hond, zag die een man bewassen met haar.I En kende hij die?5 Nee.I Er was niemand die hem kende?5 Nee, niemand die hem kende, niemand… Het was gewoon een man. En van toen af had die (nonkel) meer schrik. Maar van te voren was het altijd maar een zwarte hond. Maar een groot beest, naar het schijnt. En dat was een wei, daar kwam die ergens uitgestoten en die volgde hem op z’n voeten, op z’n hielen. En op een keer, wilde hij toch iets tegen die hond doen - hij was bijna thuis, zo goed als thuis - en hij draaide zich om en wilde iets doen en daar stond een zwarte, grote man en de hond was weg. Is dat nu (waar)? Ik weet het niet? Ik heb het altijd zo horen (vertellen) en ik heb het altijd onthouden.I Horen vertellen.5 Horen vertellen. Dus van mijn ma, van die haar ma. Want dat was een jongen van die. Fantaseerden ze dat of was dat echt? Ik weet het niet.I Ik heb nog eens zo’n mensen gehad (die dat vertelden).5 Nog zo?!I Ja, van familieleden of van mensen van vroeger. Maar die hond die sprong dan soms ook op de rug en dan moest die man die hond, die wolf dragen tot bij hem thuis en dan ging die weg.5 ’t Is niet waar?! Ja, ziet ge, dat is nu weer omgekeerd. Misschien als die (nonkel) eens goed met die hond geaaid had, was het misschien ook … Wie weet? Uit schrik werd die (nonkel) toch eens boos. Ja, toen was het een grote, zwarte man met haren. Gelijk een soort aap. Ja, wie weet wat …?I En is dat toen nog gebeurd daarna, na die laatste keer?5 En daarna… Ja, dat kan ik nu ook niet meer zeggen; [denkt na] Nee, ik denk niet dat die (nonkel) toen nog weggeweest is. Omdat daar een man voor hem stond, hij nam z’n vuist - er bestonden toen nog geen ramen - en sloeg op die deur. Z’n mama, z’n ma, die had haar verschrikt voor het lawaai dat die maakte. "Laat me binnen! Doe open!", zo schreeuwde die aan de deur, aan de voordeur. ja, en die vrouw wist niet wat er was. En dat was het geweest. Maar ik denk niet, achteraf, dat die (nonkel) daar nog geweest is. Enfin, daar weet ik niks van. Maar dat heb ik altijd onthouden als kind.
Onderwerp
SINSAG 0804 - Werwolf nimmt viele Gestalten an.   
Beschrijving
Een jongen die 's avonds altijd bij vrienden op bezoek ging, werd op zijn weg naar huis bij een gracht altijd gevolgd door een grote zwarte hond. Meestal liet de jongen de hond gewoon met rust. Op een dag draaide hij zich echter om en maakte zich kwaad op het beest. Daarop veranderde de hond in een man.
Bron
H. Schoefs, Leuven, 1996
Commentaar
1.6 Weerwolven
limburgs (groot-riemst)
5A 159
Oom van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Zichen-Zussen-Bolder   
