Hoofdtekst
X: Heb je anders nooit geen verhalen alzo gehoord, Cyriel, over …A: Neen lijk. Neen, ze zeien veel né, overtijd, en ja van de geit en al. Maar wij hebben daar nooit geen geloof aan gegeven. Dat waren jonkheden die in de winter geen werk hadden en ze kropen in de bossen, op de bomen, en ze deden lelijk juist lijk de geiten. We hebben dat geweten achterna. Jongens van, allez jonkheden van de Molenaarelst, van de kanten van Zonnebeke die daar aan Pee Ghekieres in die bossen zaten en lelijk doen juist lijk de geiten.X: Ah ja, ja, dat waren zo’n dingen.A: En ze zeien, de wilde geit, zeien ze, de vliegende geit. Maar ’t was… Maar ze zijn van Wervik hier nog komen kijken naar Beselare wê, voor de geit te horen ’s avonds. Ja. Ja, ik heb dat geweten, ik woonde toen op Beselare né. Ja, ja, maar anderszins, neen, ‘k weet lijk… en ze koutten hele dagen en ja van toveressen en van toverij en al. ‘k Ben dag en nacht op route geweest. Er is geen een minuut op een hele nacht dat ik op route niet geweest ben, te voet. ‘k Heb nooit iets gezien, uitgenomen dat.X: Maar ze vertelden daar toch veel over né, toen, vroeger,
Beschrijving
Wanneer de jongeren tijdens de winter geen werk hadden, kropen ze in de bomen en bootsten het geblaat van een geit na om de mensen bang te maken. De mensen geloofden dan dat er een vliegende geit in Beselare zat. Zelfs vanuit Wervik kwamen de mensen naar Beselare om het geblaat van de geit te horen.
Bron
F. Ramon, Leuven, 1975
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
west-vlaams (ieper)
2
fabulaat
Naam Overig in Tekst
vliegende geit (Beselare)   
Naam Locatie in Tekst
Beselare   
Plaats van Handelen
Wervik   
Beselare   
