Hoofdtekst
Van oek ik in Bruay in d’eerde wrochte, had ik daar ne goe maat, Katen, ne goe vent wei, die ton later keunemarchand (handelaar in konijnen) wos. En je wos ne keer up de streke, en j’had ook keuns willen kopen van mij, ‘k had daar achttien schone vette keuns zitten; ‘k zeggen tegen hem: "Ba neen ik, ‘k ben der niet voren." En Katen pakte ne keun bi zin oren en je smijt hem were in ’t kot, en in acht dagen tijd, ol min keuns lagen dood. En pater Smetje hèd gekomen, en j’hèd een medalje gehangen in ’t keunekot, en van ton voort hèd Katen nooit meer gekomen, en da wos nu ne keer ne goede kameraad.
Onderwerp
SINSAG 0750 - Andere Zauberei.   
Beschrijving
Een man die achttien vette konijnen bezat, was bevriend met een konijnenhandelaar. Op een dag kwam de konijnenhandelaar naar de konijnen van de man kijken. De man weigerde echter zijn konijnen te verkopen. Daarop nam de handelaar één van de konijnen bij de oren en gooide het dier daarna weer in het hok. Acht dagen later lagen alle konijnen van de man dood. Een pater kwam een medaille in het konijnenhok hangen. Die konijnenhandelaar is daarna nooit meer bij zijn vriend op bezoek geweest.
Bron
M. Reynaert, Leuven, 1965
Commentaar
2.2 Tovenaars
west-vlaams (ieper)
295
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Zillebeke   
