Hoofdtekst
In ’t jaar 21 zijn we verkaveld. En op ne zekere keer kwamen daar Bohemers zien. Irma zat hier bezig mee stikken. “Ge moet mijn gordijnen ook stikken, zei ze, ’t zal uw geluk zijn.” “Ik en moet mijn geluk niet weten”, zei ze. En ze paktegen haar hand en bezag het en ze wreef op haren arm. “Ge zijt in zwaar familiezaken”, zei ze, “en ’t zal rap gedaan zijn, en ge zult nen brief krijgen waar dat anderen kwaad om zijn, die voor hun goed zal zijn”, zei ze. En veertien dagen daarnaar krijg ik tijding van de notaris da’k ne keer bij hem moet komen. “T’is toekomen, ’t moet verkaveld worden” zei hij. Daarmee, dat was goed, en we kregen van ons Lina tijing, dat ik hare kavel willegen aanpakken, dat er Melanie en Mathilde naar gevraagd hadden, maar dat het voor mij was omdat ik boer was. En de die waren daar kwaad om, omdat ze niet en kregen. En dat was die Boheemse; zo, z’en kost niet gaan zoeken hé, z’en waren hier nog maar ’s nachts toekomen; zo, ze moest toch ook iet weten, hé.
Beschrijving
Een vrouw die gordijnen aan het naaien was, zag Bohemers aankomen. De Bohemers bekeken de handpalm van de vrouw en zeiden: “Je hebt familiale problemen die spoedig opgelost zullen zijn. Je zal een brief krijgen waar je familieleden kwaad zullen om zijn, maar die in werkelijkheid goed nieuws voor hen zal brengen”. Twee weken later moest de vrouw naar de notaris gaan, die haar meedeelde dat ze het recht had om samen met haar man de grond van enkele van haar familieleden te kopen. Haar man was namelijk een boer.
Bron
M. Van Der Linden, Leuven, 1964
Commentaar
2.2 Tovenaars
oost-vlaams (denderstreek)
656
1921
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Appelterre-Eichem   
