Hoofdtekst
T’er was ne jongen te Sint-Lievens-Houtem, en de diën ging naar een ander gehucht te vrijen. Maar onder de bane kwam hij altijd ne Kledden tegen, mee een keten rond zijne nekke en een vel op zijne rugge. Maar hij was verassureerd en hij stak ne schoenmakershamer in zijn zak – want hij was schoenmaker – en op ne zekere keer sprong Kledden op zijne rugge maar hij gaf hem ne goeie klop mee zijnen hamer en Kledden lag dood!
Beschrijving
Een jongen uit Sint-Lievens-Houtem kwam kledde altijd tegen wanneer hij op bezoek ging bij zijn vriendin. Kledde had een ketting rond zijn nek en een vel op zijn rug. Op een dag had de jongen de hamer van een schoenmaker meegenomen, zodat hij Kledde daarmee een flinke slag kon geven. De jongen sloeg Kledde dood.
Bron
M. Van Der Linden, Leuven, 1964
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
oost-vlaams (denderstreek)
160
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Nederhasselt   
Plaats van Handelen
Sint-Lievens-Houtem   
