Hoofdtekst
I -En van weerwolven heb ge daar nog iets van gehoord?Do -Weerwolven.33 C -Ja, ik heb van weerwolven nog gehoord.
I -En wat was dat thuns (dan)?33 -Ah, dat zijn van die beesten hé, dat ge u moet van mikken (erbij uit de buurt blijven) hé van weerwolven.(De dochter van Ephrem lacht.)I -Maar waren dat mensen of waren dat beesten?33 -Dat zijn beesten hé, weerwolven.I -En wat deden die thuns (dan)?
I -En wat was dat thuns (dan)?33 -Ah, dat zijn van die beesten hé, dat ge u moet van mikken (erbij uit de buurt blijven) hé van weerwolven.(De dochter van Ephrem lacht.)I -Maar waren dat mensen of waren dat beesten?33 -Dat zijn beesten hé, weerwolven.I -En wat deden die thuns (dan)?
Beschrijving
Weerwolven waren beesten die men best kon mijden.
Bron
C. De Winne, Leuven, 1999
Commentaar
1.6 Weerwolven
oost-vlaams (groot-zottegem)
33C
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Grotenberge   
