Hoofdtekst
Ik zal de naam niet zeggen, maar die kon ook niet sterven. Ik ging met Bèr Lenaerts die daar in de geburen woonde.- Poleke: Nu doen ze dat niet meer maar vroeger baden ze altijd in de geburen als daar iemand op sterven lag.Daar zat mijn vader en ik zat hier en in dat hoekske zat de Kont met twee katjes op de schoot hè. En de rozenkrans was (lange stilte) 'Dè geloof ik', zei Bet, 'Bèr is dood.' 'Ja', zei mijn vader, 'hij is dood'. Ze haalden een wit laken, een beddewit laken en dat gooiden ze over hem en ze baden door. En toen de rozenkrans zo goed als uit was, toen gaat de Kont zo met de vinger aan dat laken trekken en drie dagen heeft hij nog geleefd. Ik ging bij Renierke naar de school. En Renierke, dat kwam 's avonds: 'Gaat maar eens naar de Kont.' Dan kon Bet haar schoonmaken, Bet had altijd logeurs.-Poleke: Daar kwamen alle kommercemannen van heel Limburg bijeen. Hij zat dood met twee katjes op de schoot.- Juul: En weet ge nog hoe hij vloekte? 'Nondepesjoe', zei hij altijd.
Beschrijving
Omdat Bèr al een hele tijd op sterven lag, baden de buren een rozenkrans voor hem. Toen men dacht dat de man dood was, legde men een wit laken over hem heen. Het laken bewoog echter, en Bèr heeft daarna nog drie dagen geleefd.
Bron
W. Achten, Leuven, 1971
Commentaar
midden-limburgs
e'
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Bèr   
Naam Locatie in Tekst
Genk   
