Hoofdtekst
’t Wos e Willaert die kwam met zijn peerd van de strate. En otten hier an ’t hof kwam, ommèkeer ’t kropen dor twee manniges van achter up zijn wagen en die peerden mosten trekken, trekken, ze gerochten bijkans geen weg meer haast. En zieder die dat geweune woren zein: "Gaat e keer van die wagen want ‘k gon ik nooit meer up mijn hof geraken." En ze sproengen zieder van die wagen en olles wos gelost.
Beschrijving
Een man die met zijn paard naar huis reed, zag twee mannetjes op de kar springen. Daarna konden de paarden niet meer voort, hoe hard ze ook trokken. Toen de man had geroepen: "Ga eens van die wagen, want ik ga nooit meer thuis geraken!", sprongen de mannetjes op de grond en konden de paarden weer voort.
Bron
S. Top, Leuven, 1964
Commentaar
2.2 Tovenaars
west-vlaams (vrijbos)
231C
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Handzame   
