Hoofdtekst
Tovenaar is afgevallen priester.Mijn bruurke da was gebrekkelijk. En mij moeder die had de toelating gegeve on ne man em te geneze. Mor mij moeder wist nie da die man nen afvallige priester was. Die man die komde dan oem bij mijn bruurke te bidde.Ikke, ik was toen e kind van zeve, acht jaar en 'k zag 's nachs altij vogels en in den dag nen hond die mor nie weg wilde. 'k Was doedsbang en kon nie mier ete of drinke. Mij moeder die ging dan nor de paters oem heiligdoem. Na vulde mij moeder heur eige sterk en ze zee tege die vroem komde: "Go weg en komt nie mier binne! Na weet ik wie dadde gij zij en mè hoe'n macht dadde gij werkt."En die man dien antwoordde: "Gij sprèkt gij nogal stout" en hij ging weg. En hij is nie mier teruggekome. Wij droege toen allemaal een relikwie bij ons.
Beschrijving
Een moeder die een gehandicapte zoon had, gaf aan een genezer toestemming om de jongen te behandelen. Die genezer was een afvallige priester. Het zusje van de gehandicapte jongen zag 's nachts altijd vogels. Overdag zag het meisje een hond die zich niet liet verjagen. Het meisje kon zelfs niet meer eten of drinken. De moeder ging heiligdom halen bij de paters en sprak tot de genezer: "Ga weg en kom hier niet meer binnen! Ik weet nu wie jij bent en met wat voor macht jij werkt". De man ging weg en is nooit meer teruggekomen.
Bron
P. Smets, Leuven, 1965
Commentaar
2.2 Tovenaars
antwerps (tss. antw. agglomeratie en rupelstreek)
278
Omstreeks 1898
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Boechout   
