Hoofdtekst
Toe Georges Forschens weunden der overtied twee wevers. Ip ne Zoaterdagoavend mosten ze ne keer weven toet den tween. Der gienk een buten en je zag een doodkeerse. Je gienk zere were binnen en zei dat tegen den anderen. Je zei dat ne der ne keer no gienk winken. Den anderen zei dat ne nie mochte, mo je zei [dei] het toch en je zag dee keerse zo zere noazen (naderen) dat ne no binnen sproenk en de deure toesmeet. Je wos nog nie heel binnen of ’t gaf nen buus (bons) lik een kanonschot. ’s Nuchtends stoend der een hand in de deure gebrand en ’t koste nie meer uit. Dat hand hee nog lange te zien gewist.
Onderwerp
SINSAG 0212 - Spötter pfeift Feuermann heran
  
Beschrijving
Twee wevers zaten op een zaterdagavond tot twee uur 's nachts te werken. Toen één van de wevers naar buiten ging, zag hij daar een doodkeers. De wever vertelde aan zijn collega wat hij had gezien en zei dat hij een keer naar het lichtje ging wenken. De wever voegde de daad bij het woord, hoewel zijn collega hem dat had afgeraden. Daarna vluchtte de wever naar binnen en sloot de deur. Enkele ogenblikken later hoorde men een geluid als een kanonschot. 's Ochtends stelde men vast dat er een onuitwisbare handafdruk in de deur was gebrand.
Bron
H. Van Wassenhove, Leuven, 1967
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
west-vlaams (groot-roeselare)
29
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Emelgem   
